Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:10170

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
200.177.595
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Veroordeling tot betaling uit hoofde van finaal verrekenbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.177.595/02

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 360658)

beschikking van de familiekamer van 22 december 2015 op het verzoek tot schorsing

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.A. Vlielander-Jongerius te Utrecht,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.H. van den Berg te Zeist.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 januari 2015 (echtscheiding),

25 februari 2015 (afsplitsing verdeling), 15 april 2015 (tussenbeschikking verdeling) en

22 juli 2015 (eindbeschikking verdeling), wat betreft de verdeling uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

1.2

Bij de beschikking van 22 juli 2015 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de vrouw onder meer veroordeeld om aan de man € 292.476,64 te voldoen uit hoofde van het finaal verrekenbeding (punt 3.14 van het dictum) en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift van de vrouw tevens houdende verzoek schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad en tevens houdende een wijziging/vermeerdering van verzoek, met producties 45 tot en met 61 en de stukken van de procedure in eerste aanleg, ingekomen op 30 september 2015;

  • -

    het verweerschrift van de man terzake het verzoek schorsing executie, met producties 49 tot en met 52, ingekomen op 3 november 2015;

  • -

    een journaalbericht van mr. Vlielander-Jongerius van 13 oktober 2015 met producties 59 en 60, ingekomen op diezelfde dag.

2.2

De mondelinge behandeling met betrekking tot het verzoek tot schorsing heeft op

9 november 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De motivering van de beslissing

3.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest op huwelijkse voorwaarden (uitsluiting van elke gemeenschap van goederen). Bij de beschikking van 23 januari 2015 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 15 mei 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In de (tijdens het huwelijk gewijzigde) huwelijkse voorwaarden is een finaal verrekenbeding opgenomen, inhoudende dat partijen ingeval van ontbinding van hun huwelijk door echtscheiding, onderling zullen afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Tussen partijen is in geschil de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, meer in het bijzonder de waardering van vermogensbestanddelen. De rechtbank heeft in haar eindbeschikking van 22 juli 2015 hieromtrent beslist. De vrouw is van die beschikking in hoger beroep gekomen.

3.2

Aan de orde is thans het verzoek van de vrouw schorsing te bevelen van de werking van de beschikking van 22 juli 2015, voor zover het de onder 1.2 genoemde beslissing in die beschikking betreft. De man voert hiertegen gemotiveerd verweer.

3.3

Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

3.4

Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012.

( i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.

(ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.

(iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.

(iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn vordering ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

( v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

3.5

Nu de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal het hof bij de beoordeling van het schorsingsverzoek van de vrouw uitgaan van het beoordelingskader zoals hiervoor in 3.4 geschetst onder (i) tot en met (iii).

3.6

Hoewel door de man betwist, is het hof van oordeel dat de vrouw een rechtens te respecteren belang heeft bij haar verzoek tot schorsing. De man heeft na de beschikking van de rechtbank beslag doen leggen op twee bankrekeningen van de vrouw, waardoor zij

– volgens haar verklaring – in financiële betalingsproblemen is geraakt en het risico loopt te worden afgesloten van gas, water en licht. Reeds daaruit volgt naar het oordeel van het hof het belang van de vrouw. Het belang van de man bij (voortzetting van) de executie komt in die zin overeen met dat van de vrouw, dat ook hij stelt in een financiële noodsituatie te zijn geraakt. Niettemin betwisten partijen over en weer dat de ander in financiële nood is komen te verkeren en dat hij of zij over onvoldoende middelen of mogelijkheden zou beschikken om in zijn of haar onderhoud te kunnen voorzien. Ieder van partijen heeft echter, zo blijkt uit hun stellingen in de stukken en verklaringen ter zitting, te verrekenen gelden moeten aanspreken om rond te kunnen komen; de man heeft de gelden uit een grondwaardeplan ten bedrage van € 106.000,- besteed en de vrouw een bedrag van € 125.000,-.

3.7

De rechtbank heeft in de beschikking van 22 juli 2015 de te verrekenen vermogens van partijen vastgesteld en becijferd dat de vrouw aan de man, op grond van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden, een bedrag van € 292.473,64 dient te betalen. De vrouw is mede van die beslissing in hoger beroep gekomen. Het geschil spitst zich toe op de waardering van de verschillende vermogensbestanddelen. Het zwaartepunt in die discussie, aldus partijen ter zitting, is gelegen in de waardering van de twee besloten vennootschappen van de man. Deze zijn door de rechtbank tegen een waarde nihil in de vermogensopstelling opgenomen. De vrouw is van mening dat de vennootschappen wel een waarde vertegenwoordigen en wel zodanig, ook rekening houdend met de waarde van het overige vermogen, dat het op grond van het verrekenbeding juist de man is die een bedrag aan haar dient te betalen. Zij berekent dit bedrag op iets minder dan

€ 700.000,-. Geen van partijen is een leek op financieel gebied. De man is registeraccountant en heeft als zodanig altijd gewerkt. De vrouw is eveneens opgeleid als accountant en heeft ook als zodanig gewerkt, zij het dat zij daarmee na de geboorte van de kinderen is gestopt. Nadien heeft zij vanuit haar eigen onderneming kleinere bedrijven geadviseerd. Dat neemt niet weg dat partijen van de materie van het waarderen van een onderneming een meer dan gemiddelde kennis hebben. In dit licht bezien is het opmerkelijk dat partijen zo ver uiteen liggen als het om de waardering van de vennootschappen van de man gaat. Zij zijn blijkens de beschikking van 22 juli 2015 in het kader van die waardering steeds voornemens geweest om de waarde van hun ondernemingen – de twee besloten vennootschappen van de man en de eenmanszaak van de vrouw – voor hen bindend door een derde te laten vaststellen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Dat is er door omstandigheden niet van gekomen en de rechtbank heeft de behandeling van de zaak op dit punt niet willen aanhouden, omdat dit een onredelijke vertraging van de procedure zou betekenen. Aangezien stukken van de zijde van de vrouw ontbraken heeft de rechtbank de stellingen van de man gevolgd en de waarde van die ondernemingen op nihil gesteld. Uit hetgeen partijen ter zitting bij het hof verklaarden leidt het hof echter af dat partijen nog steeds voornemens zijn de waardes van hun ondernemingen door een derde te laten vaststellen en dat de man zich er terdege van bewust is dat zijn stellingen omtrent de waardering van zijn ondernemingen geen stand zullen houden. Ter zitting werd van de zijde van de man gesteld dat het aan de vrouw is een deskundige voor te stellen, wat zij ter zitting heeft gedaan. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de waardering van de ondernemingen tussen partijen nog geen uitgemaakte zaak is en in zoverre weegt in de belangenafweging mee de stelling van de vrouw dat de beschikking van de rechtbank klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, dit ook gezien in het licht van de eigen deskundigheid van partijen.

Uit de stellingen van partijen leidt het hof verder af dat geen van partijen thans nog over liquide middelen beschikt; zij hebben op het vermogen moeten interen. Het door de man gelegde beslag op de bankrekeningen van de vrouw heeft dan ook slechts beperkt doel getroffen; tot een bedrag van € 545,76 bij de ING Bank en € 2.600,54 bij de ABN Amro Bank, aldus de man. Feitelijk is de executie sindsdien gestaakt. Het vermogen wordt thans grotendeels gevormd door registergoederen en ondernemingsvermogen en juist ten aanzien van de waardering van dit vermogen verschillen partijen van inzicht.

3.8

De geschetste belangen van partijen afwegend in het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden van het geval, komt het hof tot het oordeel dat het belang van de vrouw bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de man bij (voortzetting) van tenuitvoerlegging van die beschikking.

4 De beslissing op het verzoek tot schorsing

Het hof:

wijst het verzoek van de vrouw toe;

schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 juli 2015 voor zover het betreft de veroordeling van de vrouw om aan de man

€ 292.473,64 te voldoen uit hoofde van het finaal verrekenbeding.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, A.E.F. Hillen en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. A.E.F. Hillen en is op 22 december 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.