Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:10166

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
08-02-2016
Zaaknummer
200.169.434
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling partneralimentatie. Behoefte. Limitering. Niet interen op vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/41.18

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.169.434

(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Almelo, 158137)

beschikking van de familiekamer van 24 november 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.W. Haafkes te Hengelo (O),

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. I.H. Grandjean te Wijhe.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 17 februari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1-4, ingekomen op 8 mei 2015;

- het verweerschrift tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met productie I,

ingekomen op 19 juni 2015;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 31 juli 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 13 oktober 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn op 12 april 1994 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Het huwelijk van partijen is op 27 mei 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Bij beschikking voorlopige voorziening van 1 december 2014 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 7 juli 2014 voorlopig aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.238,- per maand zal voldoen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, – uitvoerbaar bij voorraad – de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 27 mei 2015 vastgesteld op € 490,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, de door hem te betalen bijdrage met ingang van 1 juli 2016 op nihil gesteld, de kosten van de procedure in die zin gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.4

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 23 februari 2015 heeft de rechtbank de beschikking van 1 december 2014 gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2015 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 646,- per maand zal voldoen, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen, hetgeen meer of anders is verzocht afgewezen en de kosten van de procedure in die zin gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

4.2

De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de man te veroordelen bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud met € 1.663,- per maand, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen met ingang van 27 mei 2015, dan wel met ingang van een datum die het hof juist acht.

4.3

De man is op zijn beurt met vier grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de behoefte van de vrouw, haar behoeftigheid, de beëindiging van de verplichting van de man bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw en de kostenveroordeling. De man verzoekt in het principaal hoger beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding, en

in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

primair: de bestreden beschikking te bekrachtigen al dan niet onder aanvulling en of/verbetering van de gronden, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding,

subsidiair: de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de door hem aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage vast te stellen op nihil, dan wel op maximaal
€ 400,- bruto per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht, met limitering van de partneralimentatie na ommekomst van een jaar te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk (27 mei 2015), althans per 1 juli 2016, dan wel de partneralimentatie per een van die data op nihil te stellen, althans op een zodanige datum als het hof juist acht,

met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

4.4

De vrouw verzoekt het hof het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de man ongegrond te verklaren, dan wel af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven in het principaal en het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep voor zover mogelijk gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw stelt in grief I de hoogte van haar behoefte en haar behoeftigheid ter discussie. Ten tijde van het huwelijk leefden partijen, aldus de vrouw, in luxe. Zij leefden in een groot huis ter waarde van € 360.000,- dat hypotheekvrij was, hadden vakanties van

€ 6.000,- per jaar, er werd gespaard en de vrouw was vrij in de besteding van haar AOW-uitkering. Onder verwijzing naar haar behoeftelijst zoals zij die op 6 en 9 januari 2015 bij de rechtbank heeft overgelegd berekent zij haar behoefte op € 2.033,25 per maand, vermeerderd met € 40,48 per maand aan achteraf bijgestelde lasten aan onder andere waterschapsbelasting en € 700,- sparen per maand, in totaal € 2.773,73 netto per maand. De man stelt zich primair op het standpunt dat hij zich in de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de vrouw kan vinden. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep betwist de man, mocht het hof een hogere behoefte dan door de rechtbank is becijferd vaststellen, dat partijen tijdens het huwelijk een luxe leven leidden. Volgens hem werd er tijdens het huwelijk sober geleefd en is de behoefte van de vrouw niet hoger dan € 1.277,- per maand.

5.2

Evenals de rechtbank zal het hof uitgaan van de door de vrouw overgelegde behoeftelijst van 6 januari 2015. Het hof slaat geen acht op de door de man aangehaalde berekening waarbij de vrouw zelf uit zou komen op een behoefte van € 1.216,15. Namens de vrouw is deze berekening betwist en is aangegeven dat deze berekening enkel een voorbeeld betrof van hoe een dergelijke behoeftelijst kon worden opgesteld. De vrouw heeft haar werkelijke behoefte daarna becijfert volgens de lijst van 6 januari 2015. Op basis van die lijst becijfert de vrouw haar behoefte op € 2.033,25 per maand. Het hof trekt van deze door de vrouw berekende behoefte evenals de rechtbank af € 185,- aan afschrijving auto en € 75,- per maand aan huishoudelijke uitgaven en maakt de overwegingen van de rechtbank op dit punt tot de zijne. De aldus berekende behoefte bedraagt € 1.773,- netto per maand. Dit bedrag vermeerdert het hof met (afgerond) € 40,- per maand zoals door de vrouw is gecorrigeerd wegens abonnementskosten, waterschapsbelasting en gas en elektra, welke correctie door de man niet is betwist. Geen rekening houdt het hof met sparen van € 700,- per maand, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet heeft aangetoond dat tijdens het huwelijk maandelijks € 700,-werd gespaard. Het hof gaat derhalve uit van een huwelijks-gerelateerde behoefte van (afgerond) € 1.813,- netto per maand.

Op de aldus vastgestelde behoefte strekt niet, zoals de rechtbank heeft gedaan, € 238,- per maand aan huurtoeslag en € 78,- per maand aan zorgtoeslag in mindering. Het hof volgt hierin HR 27 januari 1995, NJ 1995, 291 en de aanbeveling in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, waarin is vermeld dat een recht op huurtoeslag van aanvullende aard is en bij het bepalen van de behoefte geen rol dient te spelen. Huurtoeslag en (analoog hieraan) ook zorgtoeslag dient, aldus de Expertgroep, niet op de huwelijksgerelateerde behoefte in mindering te worden gebracht. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting (de vrouw is 77 jaar oud) stelt het hof de behoefte van de vrouw vast op € 2.127,- bruto per maand (zie bijlage I).

5.3

Het hof brengt op die behoefte in mindering de AOW-uitkering van de vrouw van

€ 1.184,77 bruto per maand. Na aftrek van de bruto AOW-uitkering bedraagt de resterende behoefte van de vrouw (afgerond) € 942,- bruto per maand.

Geen rekening houdt het hof met inkomsten uit sparen aan de zijde van de vrouw. Indien zij niet reeds zoals zij stelt, maar door de man is betwist, is ingeteerd op haar vermogen van

€ 21.060,-, dan zou het rendement op dit vermogen met de huidige rentestand vrijwel nihil zijn.

Gelet op het voorgaande slaagt grief I van de vrouw deels en faalt deze voor het overige. De grieven I en II in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de man falen.

limitering

5.4

De man verzoekt het hof in grief III van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep om limitering van de alimentatietermijn. Volgens hem heeft de vrouw zich grievend, laatdunkend en kwetsend naar hem toe gedragen en lijdt hij daar psychisch onder. Dit moet zijns inziens van invloed zijn op afnemende gevoelens van lotsverbondenheid.

De vrouw betwist dat er sprake is van beperkte lotsverbondenheid. Zij stelt dat zij zich nimmer grievend jegens de man heeft uitgelaten.

5.5

Op grond van artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is uitgangspunt dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van dat artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren.

Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde - behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval - definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Om die reden worden er hoge eisen gesteld aan de motivering van zo'n (verzoek tot) limitering. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor haar passende wijze in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat de vrouw zich grievend, laatdunkend en kwetsend naar hem toe heeft gedragen onvoldoende met feiten onderbouwd.

Het hof stelt voorop dat een echtscheidingsprocedure doorgaans met de nodige emoties gepaard gaat. Niet iedere als kwetsend gevoelde uitlating in de periode van echtscheiding leidt dan ook tot limitering van de duur van de alimentatieverplichting.

Het enkele door de man aangedragen feit dat de vrouw zich in de procedure in eerste aanleg op het standpunt heeft gesteld dat de man met de eenmanszaak is gestopt om onder zijn onderhoudsverplichting jegens haar uit te komen acht het hof niet dusdanig grievend jegens hem dat daarom de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw in duur beperkt zou moeten worden. Grief III van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep faalt.

5.6

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te betalen. De vrouw betwist dat. Zij stelt in grief II dat het onredelijk is dat de rechtbank bij de beoordeling van de draagkracht van de man geen rekening heeft gehouden met een forfaitair inkomen uit vermogen. Haars inziens dient niet alleen rekening te worden gehouden met een fictief rendement van 4% op zijn liquide vermogen van € 240.943,- maar ook met het fictieve vermogen dat de man bezit, nu zijn woning hypotheekvrij is. Aldus zou moeten worden uitgegaan van een vermogen van

€ 240.943,- plus € 360.000,- (de WOZ-waarde van de woning), in totaal zo’n € 600.000,-. Indien het hof hiermee geen rekening houdt, dan zal de man zijn riante levensstijl kunnen voortzetten en zal de vrouw na 20 jaar huwelijk na 1 juli 2016 geen bijdrage in haar levensonderhoud meer ontvangen na een huwelijk van 20 jaar, hetgeen zij onredelijk acht. Subsidiair stelt de vrouw dat van de man verlangd kan worden dat hij inteert op zijn vermogen teneinde in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. De man betwist dat rekening moet worden gehouden met een fictief rendement van 4% op zijn vermogen van

€ 240.943,-. Met de huidige lage rentestand heeft hij geen inkomen uit vermogen. Evenmin dient rekening te worden gehouden met een fictief vermogen ter zake van zijn woning. Hij wijst er voorts op dat hij niet voor niets met de vrouw op huwelijkse voorwaarden is gehuwd en acht het onredelijk dat via de achterdeur van de partneralimentatie alsnog van hem zou worden verlangd dat hij inteert op zijn vermogen.

5.7

Bij het bepalen van de draagkracht van de man, geboren op 9 februari 1940, gaat het hof uit van de volgende inkomsten:

- een AOW-uitkering van € 1.184,77 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag;

- een lijfrente-uitkering van € 23.509,- bruto per jaar tot 1 juli 2016;

- een lijfrente-uitkering van € 4.313,- bruto per jaar vanaf 1 juli 2016.

5.8

Geen rekening houdt het hof met rendement op het vermogen van de man, nu voor de man evenals voor de vrouw geldt dat het feitelijk rendement met de huidige rentestand van onder de 2% en het fictieve rendement van 4% waarmee dit de fiscus vermogen blijft belasten vrijwel nihil zal zijn. Evenmin ziet het hof in de omstandigheden van dit geval aanleiding om van de man te verlangen dat hij inteert op zijn vermogen. De man stelt, en de vrouw heeft dit niet betwist, dat partijen juist op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd omdat de man het door hem opgebouwde vermogen niet bij helfte met de vrouw wilde delen ingeval van echtscheiding. Nu partijen met elkaar zijn gehuwd met gescheiden vermogens als uitgangspunt past niet dat de man ten gunste van de vrouw zou moeten interen op zijn vermogen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden die een inbreuk op dit uitgangspunt rechtvaardigen is in dit geval niet, althans onvoldoende gebleken. Ook de stelling van de vrouw dat zij jarenlang onbetaald werkzaamheden heeft verricht in de onderneming van de man kan niet tot een ander oordeel leiden, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij dit inderdaad heeft gedaan.

5.10 .

De niet in geschil zijnde lasten van de man bedragen per maand:

- € 95,- aan forfait overige eigenaarslasten;

- € 217,- aan ziektekosten:

- € 130,- premie basis en aanvullende verzekering ZVW,

- € 31,- aan verplicht eigen risico,

- € 95,- op aanslag betaalde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW,

verminderd met de in de bijstandsnorm begrepen deel van de nominale premie van
€ 39,-.

5.11

Het hof houdt rekening met € 346,- per maand aan kosten voor een huishoudelijke hulp, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man haar stelling dat hij deze kosten niet meer maakt omdat hij zou samenwonen met een vriendin die hem verzorgt, niet heeft aangetoond.

5.11

De man is alleenstaand. Bij het berekenen van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting.

5.12

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie betreft, houdt het hof evenals partijen rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

5.13

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man met ingang 27 mei 2015 tot 1 juli 2016 draagkracht voor een partneralimentatie van € 885,- per maand (bijlage II). Vanaf 1 juli 2016 heeft de man geen draagkracht meer voor betaling van partneralimentatie aan de vrouw wegens een vermindering van de lijfrente-uitkering per die datum (bijlage III). Grief II van de vrouw faalt derhalve voor het overige.

5.14

In hetgeen de man aanvoert ziet het hof geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke en in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziene kostencompensatie in zaken als de onderhavige. Grief IV van de man in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep faalt.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 17 februari 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 27 mei 2015 tot 1 juli 2016 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 885,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 juli 2016 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.H. Schulten, G.P.M. van den Dungen en

K.J. Haarhuis, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op

24 november 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.