Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:10106

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
13-01-2016
Zaaknummer
200.175.954/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. De opvoedingsvraag van de minderjarige overstijgt de mogelijkheden van de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.175.954/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/156509 / JE RK 15-303)

beschikking van de familiekamer van 17 december 2015

inzake

[de moeder] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.H. Jansen, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

kantoorhoudend te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de gecertificeerde instelling of de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader;

2. [de pleegmoeder],

verder te noemen: de pleegmoeder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 27 mei 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 augustus 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover het de daarbij verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de na te noemen minderjarige [de minderjarige] betreft, en opnieuw beschikkende de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verkorten tot een half jaar met ingang van 23 juli 2015 tot 23 januari 2016. Ter zitting heeft de moeder haar petitum aldus gewijzigd dat zij zich subsidiair refereert aan het oordeel van het hof ten aanzien van de termijn van de machtiging.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 september 2015 heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden en verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3

Ter griffie van het hof zijn voorts binnengekomen:

- een brief met bijlagen van de Raad voor de Kinderbescherming Regio Noord Nederland (verder te noemen: de raad) van 9 september 2015;

- een journaalbericht met bijlagen van 15 oktober 2015 van mr. Jansen;

- een journaalbericht met bijlagen van 3 november 2015 van mr. Jansen.

2.4

[de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot de zaak, maar de GI heeft aangeven dat [de minderjarige] vanwege zijn beperkingen daartoe niet in staat is.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 23 november 2015 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [B] en mevrouw [C] . Voorts zijn verschenen de vader, de pleegmoeder en namens de raad de heer [D] .

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de in 2010 verbroken affectieve relatie van de vader en de moeder is [in] 2003 te [A] geboren [de minderjarige] . De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast.

3.2

[de minderjarige] is bij beschikking van de rechtbank van 23 juli 2014 onder toezicht gesteld tot 23 juli 2015. De ondertoezichtstelling is bij de bestreden beschikking verlengd tot 23 juli 2016. [de minderjarige] is sinds maart 2013 uit huis geplaatst in een vrijwillig kader.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 13 mei 2015, heeft de GI, voor zover hier van belang, verzocht op grond van artikel 1:265b lid 1 BW een machtiging te verlenen om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling of eventueel een kortere periode en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 27 mei 2015 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 juli 2015 tot uiterlijk 23 juli 2016.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Uit artikel 1:265b, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van een minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, de gecertificeerde instelling bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet die belast is met de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

4.2

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat [de minderjarige] een kwetsbare jongen is. [de minderjarige] heeft een verstandelijke beperking, waarbij sprake is van een disharmonisch intelligentieprofiel. Op het gebied van sociale zelfredzaamheid functioneert [de minderjarige] lager dan op grond van zijn intelligentieniveau zou worden verwacht. [de minderjarige] is geboren met het Adrenogenitaal syndroom (AGS). Dit is een aangeboren ziekte van de bijnier, waardoor deze geen of onvoldoende stresshormoon (cortisol) aan kan maken. Daarnaast heeft [de minderjarige] epilepsie en een aan autisme verwante contactstoornis.

4.3

In maart 2013 is [de minderjarige] vanuit de situatie bij de moeder in het huidige pleeggezin geplaatst en gestart bij [E] (verder te noemen: het [E] ), omdat de ouders op dat moment ernstige problemen ondervonden bij zijn opvoeding. [de minderjarige] vertoonde ernstige gedragsproblemen. Hij had boze buien, was moeilijk te sturen, snel afgeleid en erg prikkelgevoelig.

4.4

Vast staat dat [de minderjarige] sinds zijn uithuisplaatsing in maart 2013 een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. [de minderjarige] gedijt goed bij de structuur die hij zowel in het pleeggezin als op het [E] aangeboden krijgt en zijn ontwikkeling is met sprongen vooruit gegaan. Hij bepaalt niet alles meer, zijn zelfredzaamheid is vergroot, hij is minder dwangmatig en zijn taalontwikkeling is vooruitgegaan. [de minderjarige] verblijft sinds september op de groep [F] van het [E] . Uit het meest recente verslag van het [E] , opgemaakt ten behoeve van een "Kindbespreking" op 29 oktober 2015, blijkt dat [de minderjarige] nog altijd volop in positieve zin in ontwikkeling is. De ernstige gedragsproblemen zijn sterk verminderd.

4.5

Vanwege zijn forse beperkingen heeft [de minderjarige] een zeer stabiele, veilige, gestructureerde, herkenbare en voorspelbare opvoedingsomgeving nodig, waarin het programma is aangepast aan zijn mogelijkheden. Dat krijgt hij op dit moment in het pleeggezin en op het [E] aangeboden. Het hof is met de vader en de GI van oordeel dat het in [de minderjarige] 's belang is dat deze opvoedingssituatie behouden blijft, om terugval van [de minderjarige] in zijn oude gedrag te voorkomen en een verdere ontwikkeling van zijn vaardigheden tot stand te brengen.

4.6

Hoewel de moeder stelt dat [de minderjarige] de huidige positieve ontwikkeling bij haar thuis met de nodige hulp kan voortzetten, is het hof daar onvoldoende van overtuigd geraakt. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de beperkingen van [de minderjarige] bovengemiddelde pedagogische vaardigheden van een opvoeder vergen. [de minderjarige] heeft meer dan een gemiddeld kind behoefte aan veiligheid en structuur, wat de moeder hem in het verleden, ook met de ingezette hulpverlening, niet heeft kunnen bieden, haar goede bedoelingen ten spijt. Jarenlange intensieve opvoedondersteuning van [G] is niet toereikend gebleken om de pedagogische vaardigheden van de moeder te vergroten. De moeder bleef moeite houden met het stellen van eisen en grenzen aan [de minderjarige] en het stimuleren van zijn zelfredzaamheid, terwijl dit juist voor [de minderjarige] gelet op zijn beperkingen van groot belang is. De moeder lijkt ook nu nog haar eigen behoeften te veel voorop te stellen. Zo is gebleken dat de moeder haar eigen behoefte blijft volgen door [de minderjarige] veel affectie te geven, terwijl [de minderjarige] - zo stelt ook de raad - juist gebaat is bij een meer terughoudende opstelling, zoals hij die geboden krijgt in het pleeggezin en in het [E] . Naar het oordeel van het hof moet op grond van het vorenstaande worden geconcludeerd dat de opvoedingsvraag van [de minderjarige] de mogelijkheden van de moeder overstijgt. Dit wordt bevestigd in het forensisch psychologisch onderzoek van de moeder d.d. 24 april 2015, uitgevoerd door mw. drs. [H] , gezondheidszorg-psycholoog werkzaam bij [I] , waarbij een onderzoek is ingesteld naar de persoon en de opvoedingsvaardigheden van de moeder met betrekking tot [de minderjarige] . De moeder heeft een niet ondertekend contra-rapport overgelegd, opgesteld door drs. [J] (Gzpsycholoog/psychotherapeut BIG) en mevrouw [K] (psycholoog i.o.) naar het hof begrijpt van het [L] , waarin wordt geconcludeerd dat de moeder in principe wel de nodige opvoedingsbekwaamheden heeft. Nu uit de inhoud van dit rapport echter niet blijkt dat op enige wijze is meegewogen dat [de minderjarige] een kind is met beperkingen, dat meer vraagt van een opvoeder dan een gemiddeld kind, laat het hof de conclusie in dit rapport buiten beschouwing, daarbij mede in aanmerking genomen het standpunt dat de raad ter zitting heeft gegeven over de kwaliteit van dit onderzoek.

4.7

Mede in aanmerking genomen het feit dat [de minderjarige] op dit moment al bijna drie jaar uit huis is geplaatst, dat het in verband met zijn ziekte van groot belang is dat elke vorm van stress wordt vermeden en dat sprake is van een slechte verstandhouding tussen de vader en de moeder, waarbij de vader het wel eens is met zowel [de minderjarige] uithuisplaatsing als de door de raad geadviseerde gezagsbeëindigende maatregel, deelt het hof de visie van de GI dat een thuisplaatsing bij de moeder niet in [de minderjarige] 's belang moet worden geacht. Het hof ziet het perspectief van [de minderjarige] , evenals de GI, niet bij de ouders.

4.8

Het vorenstaande laat onverlet dat de moeder (en de vader) ook in de toekomst een belangrijke rol spelen in het leven van [de minderjarige] als ouders op afstand. Zij hebben immers een, warme band met [de minderjarige] . De uithuisplaatsing moet worden gezien als een kans voor [de minderjarige] om enerzijds bij het [E] en in het pleeggezin de vaardigheden aan te leren die hij nodig heeft voor zijn ontwikkeling naar volwassenheid, en om anderzijds tijdens de bezoekmomenten te genieten van het contact met zijn ouders.
De slotsom

4.9

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het naar het oordeel van het hof in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk dat de uithuisplaatsing wordt voortgezet. Het hof ziet geen aanleiding om de termijn van de machtiging te verkorten, zoals door de moeder verzocht. De beschikking waarvan beroep zal daarom worden bekrachtigd.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 27 mei 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. M.P. den Hollander en mr. E.M. Kostense en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 december 2015 in bijzijn van de griffier.