Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:10100

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
13-01-2016
Zaaknummer
200.156.360/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap. Niet-inschrijven beschikking rechtbank in het rechtsmiddelenregister. Nieuwe grief tijdens mondelinge behandeling in strijd met de twee-conclusieregel en de goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.156.360/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/133241/FA RK 12-777)

beschikking van 15 december 2015

inzake

[de man] ,

verblijvende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R. Skála, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[de vrouw],

wonende op een geheim adres,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. Y.M. Prins, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Groningen van 9 oktober 2012 en naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 18 juni 2013 en 24 juni 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 september 2014, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof:

"1. te vernietigen de punten van de beschikking waarvan beroep;

2. 2. alsnog te bepalen dat;

- De vrouw binnen één maand na dagtekening van het arrest de woning en het bedrijfspand te

koop dient aan te bieden, waarbij zij zal trachten in overleg met de man tot een redelijke

verkoopprijs te komen, althans een verkoopprijs die hoger is dan de waarde van de op de

panden rustende hypotheken, en indien de vrouw de woning met bedrijfspand reeds verkocht

heeft, de helft van de overwaarde aan de man over te maken onder de verplichting hier

bewijsstukken van aan te leveren;

- De vrouw de rentelasten, verbonden aan de hypothecaire geldleningen, rustende op de

woning en het bedrijfspand voor haar rekening dient te nemen en dat de man vanaf de

peildatum van 25 januari 2013 niet gehouden is om mee te betalen aan deze lasten;

- De te verrekenen waarde van [B] geen € 61.895,- maar € 96.343,- is;

- Te verklaren voor recht dat de man de goederen (zonder de auto) zoals omschreven in punt

20 van dit beroepschrift niet in zijn bezit heeft en daarom niet aan de vrouw kan

overdragen;

- Te bepalen dat de auto met kenteken [00-YYY-0] aan de man wordt toegescheiden onder

verrekening van de waarde hiervan met de vrouw;

- Dat de door de Rechtbank genomen beslissing om voor de afgifte van de goederen en de auto

een dwangsom op te leggen, vernietigd wordt;

- De door de Rechtbank genomen beslissing om een dwangsom op te leggen ten aanzien van de

medewerking aan de opheffing van de gemeenschappelijke rekeningen vernietigd wordt;

- De fiscale bijtelling van de auto met kenteken [00-YYY-0] over de jaren 2012 en 2013 tussen

partijen gedeeld wordt;

- Dat de door de Rechtbank genomen beslissing om de wachtwoorden van [F] .nl aan de

vrouw over te dragen vernietigd wordt, en dat de door de Rechtbank genomen beslissing ten

aanzien van de dwangsom hierop eveneens vernietigd wordt;

- De verklaring voor recht, waarbij bepaald is dat de man € 3.500,- aan dwangsommen

verbeurd heeft ten aanzien van het door hem ten onrechte opgenomen geldbedrag van

€ 6.000,-, te vernietigen;

- Te bepalen dat de vrouw dient over te gaan tot betaling aan de man van € 61.495,12 binnen

een maand na de uitspraak in hoger beroep, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-

per dag dat de vrouw in gebreke blijft om dit bedrag aan de man over te maken;

3. 3. De vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties,

één en ander, voorzover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad"

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 december 2014, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden.

2.3

Daarbij heeft de vrouw tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep:

"de beschikking van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, 24 juni 2014 onder zaaknummer C /133241/FA RK 12-777 gewezen te bekrachtigen, behoudens voor zover in het navolgende vernietiging wordt verzocht, alsmede dat het het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden moge behagen bij arrest aan te vullen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, 24 juni 2014 onder zaaknummer C / 133241/FA RK 12-777 gewezen door te bepalen als volgt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. De verzoeken zijdens de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen;

II. Het door de rechtbank aan de dwangsom verbonden aan de veroordeling tot teruggave van de auto en overige roerende zaken van [B] te vernietigen, althans een zodanig maximum aan de dwangsom te verbinden als uw Hof in goede justitie moge behagen;

III. te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 7.073,00 dient te voldoen ter

zake van vorderingen van [B] op [C] te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening,

althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

IV. te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 10.692,25, althans een in

goede justitie te bepalen bedrag dient te voldoen ter zake de betaling van zijn aandeel

in de woonlasten van de echtelijke woning, te vermeerderen met de wettelijke rente

vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;

V. te bepalen dat de opbouwspaarrekening met kenmerk [00000] aan de vrouw

wordt toegedeeld onder verrekening van een waarde van € 7.254,99, althans een in

goede justitie te bepalen bedrag met de man zijnde de waarde op 25 januari 2013;

VI. de man te veroordelen tot het verstrekken van een onherroepelijke opdracht aan de

[a-bank] tot betaling van de waarde van de opbouwspaarrekening met kenmerk

[00000] aan de vrouw en te bepalen dat indien de man binnen twee dagen na

betekening van een in deze te wijzen beschikking in gebreke blijft om de opdracht te

verstrekken, de in deze zaak door uw Hof te wijzen beschikking in de plaats zal treden

van de wilsverklaring van de man tot het verstrekken van een opdracht aan de

[a-bank] tot betaling van het volledige saldo van de opbouwspaarrekening met

rekeningnummer [00000] aan de vrouw;

VII. En voorts bij wege van voorwaardelijk verzoek, welk verzoek wordt gedaan in het

geval uw Hof mocht beslissen het verzoek zijdens de man beide partijen te

veroordelen tot betaling van de fiscale bijtelling met betrekking tot de auto van

partijen, in dat geval tevens te bepalen dat beide partijen de helft van de kosten van de

auto ten laste van hun winstaandeel dienen te brengen;

VIII. te bepalen op voornoemde punten zoals uw Hof in goede justitie moge behagen;

de man als de meest in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van

onderhavige procedure en de procedure in eerste aanleg."

2.4

Daarop heeft de man in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 2 februari 2015, waarin hij het hof verzoekt:

"het door de vrouw ingesteld incidentele appel af te wijzen, indien nodig met bekrachtiging van het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, voor zover dit vonnis niet in het principale appel is bestreden, met veroordeling van de vrouw tot afgifte van de eindafrekening van de notaris ten aanzien van de woning en met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incidentele appel."

2.5

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- een brief van 4 november 2014 van mr. Skála met bijlage;

- een brief van 5 november 2014 van mr. Skála met bijlagen;

- een brief van 9 februari 2015 van mr. Skála met bijlagen;

- een brief van 5 juni 2015 van mr. Skála.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op woensdag 17 juni 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 Wijzigingen van eis in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1

De man heeft in het principaal appel zijn oorspronkelijk verzoek aangevuld met een verzoek om de vrouw te veroordelen om - wegens overbedeling - een bedrag van € 61.495,12 aan hem te voldoen en met een verzoek tot afgifte van de eindafrekening van de notaris betreffende de verkoop van de woning en het bedrijfspand. De vrouw heeft in incidenteel appel onder III opnieuw ingediend een in eerste aanleg ingetrokken verzoek en tevens haar verzoek aangevuld met de verzoeken sub V en VI.

3.2

Partijen hebben over en weer geen bezwaar gemaakt tegen de wijzigingen van de verzoeken. Het hof is, gelet daarop, van oordeel dat die wijzigingen niet in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde en zal, mede nu partijen in hoger beroep verzuimen begaan in eerste aanleg mogen herstellen, op de gewijzigde verzoeken van partijen beslissen.

4 De stukken van de man

De man heeft in hoger beroep, als bijlage bij het verweerschrift in incidenteel appel, een door hem opgestelde schriftelijke verklaring overgelegd, waarin hij een uitgebreide reactie (in meer dan 30 handgeschreven bladzijden) geeft op het verweer van de vrouw in principaal appel. In een verzoekschriftprocedure biedt de wet de mogelijkheid tot het indienen van een beroepschrift en een verweerschrift. Voor een repliek, zoals de man heeft geschreven, is evenwel geen plaats. Het hof zal daarom op de schriftelijke verklaring van de man geen acht slaan.

5 De vaststaande feiten

5.1

Partijen zijn [in] 2001 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

5.2

Het verzoekschrift tot echtscheiding is door de vrouw op 10 april 2012 bij de rechtbank ingediend. Bij beschikking van 9 oktober 2012 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en deze beschikking is op 25 januari 2013 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

5.3

De vrouw heeft in 2012 jegens de man een dagvaarding in een kort-geding procedure uitgebracht, waarin zij in het petitum onder IV vordert:

"Te bepalen dat de man maandelijks, totdat de woning van partijen is overgedragen aan

een derde of is toebedeeld en geleverd aan de vrouw, voor de eerste dag van de

betreffende maand de volgende bedragen dient te-beta1en en te blijven beta1en:

a. Overlijdensrisicoverzekering € 42,10 per maand te betalen op

rekeningnummer [00001] ten name van [D] N.V.;

b. Verbouwingshypotheek á € 120,84 per maand te betalen op rekeningnummer

[00002] ten name van [a-bank] ;

c. Hypotheekrente á € 380,00 per maand te betalen op rekeningnummer [00003] ten name van [a-bank] ;

d. Hypotheekrente á € 69,59 per maand te betalen op rekeningnummer

[00004] t.n.v. [a-bank] ;

e. Aflossing hypotheek á € 55,50 per maand te betalen op rekeningnummer

[00000] ten name van [a-bank] ;"

5.4

Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Groningen van 20 april 2012 is vervolgens - voor zover van belang - verstaan dat partijen zijn overeengekomen conform het aan dat vonnis gehechte faxbericht van 19 april 2012 van mr. Y.M. Prins aan de rechtbank. Voorts is in dat vonnis onder 5.4. en 5.5. bepaald dat het de man verboden is om overboekingen of contante kasopnames te verrichten vanaf de bankrekeningen van de vennootschap onder firma [B] VOF, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat de man niet aan die veroordeling voldoet en voor iedere dag dat de man gelden onder zich houdt, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt. Het vonnis is verder wat betreft onder meer het in 5.4. en 5.5. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.5

Uit het faxbericht van 19 april 2012 van mr. Prins blijkt dat partijen - voor zover van belang - de volgende afspraken hebben gemaakt:

"(…)

2. Partijen spreken af dat de man totdat de woning van partijen verdeeld is dan wel verkocht en geleverd aan een derde, de helft van de hypotheekgelden met betrekking tot de echtelijke woning van partijen, zoals omschreven onder sub IV van het petitum van de

dagvaarding zal blijven betalen. De vrouw zal deze bedragen voldoen namens de man

vanuit het winstaandeel van de man van de vennootschap onder firma [B] VOF (hierna te noemen: ‘ [B] ’), voor zover dit winstaandeel hiervoor toereikend is.

(…)

7. De man zal zich onthouden van het overboeken dan wel opnemen van gelden van de

bankrekeningen en spaarrekeningen van [B] en van de gemeenschappelijke

privérekening van partijen. De subsidiaire vordering opgenomen in petitum onder sub 5

van de dagvaarding wordt dan ook als volgt gewijzigd:

- te bepalen dat het de man verboden is om overboekingen of contante kasopnames te verrichten vanaf de bankrekeningen van de vennootschap onder firma [B]

[B] VOF en te bepalen dat de man bij iedere overtreding van dit verbod een

dwangsom verbeurt van € 500,00 alsmede voor iedere dag dat de man de gelden

onder zich houdt.

(…)

10. De man zal de auto van partijen, merk Mercedes E200 CGI, met kenteken [00-YYY-0] zal in gebruik blijven van de man totdat [B] is ontbonden en verdeeld. Gedurende deze periode is de man gehouden maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag van € 400,00 aan de vrouw te voldoen ter zake van de leasetermijnen voor voornoemde auto, alsmede de bedragen ten aanzien van de wegenbelasting en verzekering voor deze auto maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen. Indien de man verzuimt om deze bedragen geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de vrouw voor de eerste dag van de maand waarin deze opeisbaar worden, heeft de vrouw vanaf dat moment zonder nadere ingebrekestelling recht op afgifte van de auto, merk Mercedes E200 CGI met kenteken [00-YYY-0] door de man.

(…)

6 De beslissing van de rechtbank

De rechtbank heeft bij beschikking van 24 juni 2014 de (wijze van) verdeling vastgesteld en de wijze waarop diverse posten verrekend moeten worden. Daarbij is onder meer bepaald dat aan de vrouw worden toegedeeld de onderneming [B] , het bedrijfspand te [E] , [a-straat] 120 en de voormalige echtelijke woning van partijen te [E] , [a-straat] 118 en aan de man de tabakszaak [C] . De rechtbank heeft de vrouw gemachtigd om genoemde woning en bedrijfspand te gelde te maken met bepaling dat - voor zover dit vereist zou blijken te zijn -- deze beschikking in de plaats zal treden van de instemmende wilsverklaringen van de man tot verkoop en levering van de woning en het bedrijfspand.

De rechtbank heeft verder bepaald dat er tussen partijen verrekening dient plaats te vinden ter zake van voormelde bedrijven en panden, waarbij de waarderingen van de door partijen ingeschakelde deskundigen, namelijk een waarde van [B] van € 61.895,-, een waarde van Tabakszaak [C] van € 24.201,- en een waarde van de panden aan de [a-straat] 118 en 120 van in totaal € 325.000,- het uitgangspunt zullen zijn.

De rechtbank heeft voorts - kort weergegeven - diverse beslissingen gegeven die verdeling en verrekening van verschillende posten betreffen, alsmede de man veroordeeld om een geldbedrag van € 6.000,- aan de vrouw te voldoen en om diverse roerende zaken aan de vrouw af te geven.

7 De motivering van de beslissing

7.1

De grieven in het principaal en incidenteel appel hebben betrekking op de volgende punten:

A. de beslissing van de rechtbank dat de vrouw het bedrijfspand en de voormalige echtelijke woning, gelegen aan de [a-straat] 120 en 118 te [E] , te gelde mag maken met de bepaling dat - voor zover dit vereist zou blijken te zijn - de beschikking in de plaats zal treden van de instemmende wilsverklaringen van de man tot koop en levering van de woning en het bedrijfspand. (Grief I in het principaal appel);

B. de beslissing van de rechtbank dat de vrouw gerechtigd is om alle door haar namens de man betaalde hypothecaire lasten, alsmede alle door haar betaalde kosten met betrekking tot de auto te verrekenen met iedere winstuitkering waarop de man recht mag hebben over het jaar 2012 of 2013, alsmede met iedere uitkering waarop de man jegens de vrouw uit hoofde van de verdeling aanspraak zal kunnen maken (grief III in het principaal appel);

C. 1. de beslissing van de rechtbank dat de man vanaf 25 januari 2013 tot aan de datum van de verkoop van de woning de helft van de rentelasten, verbonden aan de hypothecaire geldleningen, zal dienen te betalen. (Grief II in het principaal appel en grief III in het incidenteel appel);

2. dat niet is beslist over de verdeling van de opbouwspaarrekening met kenmerk [00000] waarvan de waarde per 25 januari 2015 € 7.254,99 bedraagt (grief IV in het incidenteel appel).

D. de beslissing van de rechtbank dat de waarde van [B] € 61.895,- bedraagt (grief IV in het principaal appel);

E. dat de rechtbank de man heeft veroordeeld om binnen twee dagen aan de vrouw af te geven de auto, merk Mercedes kenteken [00-YYY-0] , de borduurmachine inclusief software, MacPro Two met bijbehorende monitor, zenderdetector, de T-shirtpers en de scanner onder verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- voor iedere dag dat hij in gebreke zal blijven met de afgifte van de goederen, met een maximum van € 40.000,- (grief V in het principaal appel) en dat ter zake de veroordelingen tot afgifte van goederen (slechts) een maximum van € 40.000,- aan de verbeurde dwangsommen is verbonden (grief II in het incidenteel appel);

F. dat de rechtbank een dwangsom heeft verbonden aan het niet nakomen van de beslissing dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan het opheffen van alle gemeenschappelijke rekeningen van partijen (grief VI in het principaal appel);

G. dat de rechtbank heeft bepaald dat de schuld van [B] aan de Belastingdienst ter zake van de fiscale bijtelling van voornoemde auto over de jaren 2012 en 2013 door de man als eigen schuld dient te worden voldaan, dat hij de vrouw met betrekking tot deze schuld dient te vrijwaren en dat de man de fiscale bijtelling volledig dient op te voeren in zijn belastingaangifte en zorg dient te dragen voor de betaling daarvan aan de Belastingdienst (grief VII in het principaal appel);

H. dat de rechtbank heeft bepaald dat de man de domeinnaam www. [B] .nl aan de vrouw dient te verstrekken, alsmede de wachtwoorden van www. [F] .nl. en dat daaraan een dwangsom is verbonden van € 2.000,- met een maximum van € 40.000,- voor het geval de man niet aan die veroordeling voldoet (grief VIII in het principaal appel);

I. dat de rechtbank heeft bepaald dat de man het door hem opgenomen bedrag van € 6.000,- dient terug te betalen en dat er tot 4 april 2014 dwangsommen ten bedrage van € 3.500,- zijn verbeurd (grief IX in het principaal appel);

J. dat niet is beslist over de vorderingen die [B] heeft op de Tabakszaak [C] (grief I incidenteel appel).

7.2

De man is - naar het hof begrijpt - wat betreft de grieven in het incidenteel hoger beroep van mening dat de vrouw deze grieven, en de daarmee verband houdende (nieuwe) verzoeken, cijfermatig zodanig onduidelijk heeft onderbouwd dat hij zich daartegen niet adequaat kan verweren. Het hof kan hem daarin niet volgen, omdat de vrouw voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd en bescheiden heeft overgelegd, waaruit blijkt waarop haar grieven betrekking hebben en waarop zij haar verzoeken baseert.

De beslissing dat de beschikking - zo nodig - in de plaats zal treden van de instemmende wilsverklaringen van de man tot koop en levering van de woning en het bedrijfspand

(Ad 7.1.A: grief I in het principaal appel).

7.3

De man heeft het hoger beroep tegen de beslissing dat de beschikking in de plaats zal treden van de instemmende wilsverklaringen van de man tot koop en levering van de voormalig echtelijke woning en het bedrijfspand, niet laten inschrijven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in art. 433 Rv. De man dient derhalve, zoals de vrouw ook heeft aangevoerd, wegens het bepaalde in art. 3:301 lid 2 BW in zijn hoger beroep tegen die beslissing niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7.4

De man heeft verder terechtzitting gesteld dat hij meent dat de overwaarde van de woning en het bedrijfspand moet worden berekend op basis van de door de vrouw op

24 december 2014, bij verkoop aan een derde, verkregen verkoopprijs van € 340.000,-.

7.5

Het hof gaat hieraan voorbij omdat de man geen grieven heeft opgeworpen tegen de beslissingen van de rechtbank in de beschikking van 24 juni 2014 waarbij de panden aan de vrouw zijn toebedeeld en waarbij is bepaald dat bij de verrekening van de waarde van de panden de waarde van in totaal € 325.000,- uitgangspunt dient te zijn. Een nadere grief ten tijde van de mondelinge behandeling is in strijd met de twee-conclusieregel en de goede procesorde. Dat de hogere waarde van het pand pas is gerealiseerd nadat de man zijn grieven had geformuleerd maakt dat niet anders. De te verrekenen waarde van de panden staat daarmee vast op een bedrag van € 325.000,-.

De rentelasten, verbonden aan de hypothecaire geldleningen, de overige aan de woning verbonden lasten en de opbouwspaarrekening (Ad. 7.1.C.: grief II in het principaal appel, grief III in het incidenteel appel en grief IV in het incidenteel appel).

7.6

Grief II in het principaal appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man vanaf 25 januari 2013 tot de datum van de verkoop van de woning de helft van de rentelasten, verbonden aan de hypothecaire leningen, zal dienen te betalen.

7.7

Grief III in het incidenteel appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man slechts hoeft bij te dragen in de kosten van de woning die betrekking hebben op de premie levensverzekering en aflossing van de woning middels storting in de opbouwspaarrekening en dat de rechtbank de man ten onrechte niet heeft veroordeeld tot betaling van de reeds verschuldigde en nog verschuldigde termijnen.

Grief IV in het incidenteel appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte de opbouwspaarrekening met kenmerk [00000] niet aan de vrouw heeft toebedeeld onder verrekening van de waarde per 25 januari 2013, groot € 7.254,99.

7.8

Het hof begrijpt dat de vrouw grief III in het incidenteel appel heeft gericht tegen de beslissing van de rechtbank waarbij is bepaald dat de man vanaf 25 januari 2013 tot de datum verkoop van de woning de helft van de rentelasten, verbonden aan de hypothecaire geldleningen, zal dienen te betalen, nu zij voornoemde grieven als volgt heeft toegelicht.

De vrouw beroept zich erop dat partijen in 2012 afspraken hebben gemaakt over het aandeel van de man in de aan het woningdeel verbonden lasten. De vrouw betoogt dat de man op grond van die afspraken, en in aanmerking genomen dat enige van de lasten in juni 2013 zijn verlaagd, over de periode van 1 januari 2013 tot 24 december 2014 (datum verkoop woning) nog € 10.692,25 aan haar verschuldigd is. De vrouw heeft daarbij ter zake van de opbouwspaarrekening slechts rekening gehouden met de inleg die daarvoor tot 25 januari 2013 verschuldigd was. De vrouw wenst dat de opbouwspaarrekening aan haar zal worden toebedeeld tegen een waarde per 25 januari 2013.

7.9

Het hof neemt in aanmerking dat partijen in 2012 afspraken hebben gemaakt over het deel van de woonlasten dat de man voor zijn rekening zal nemen. Deze afspraken zijn vastgelegd in de onder 5.5 van de vaststaande feiten opgenomen overeenkomst en gespecificeerd in het onder 5.3 van de vaststaande feiten weergegeven deel van het petitum van de kort gedingdagvaarding.

De vrouw heeft verder, onweersproken gesteld, dat partijen er bij het maken van die afspraken van zijn uitgegaan dat partijen het eigen aandeel in de hypothecaire rente in de eigen belastingaangiften zouden opnemen als aftrekpost.

7.10

De man heeft in deze procedure geen vordering ingesteld die op voornoemde overeenkomst betrekking heeft. De overeenkomst zal daarom door de man behoren te worden nagekomen. Dat brengt mee dat de man conform de overeenkomst de in het petitum van de kortgedingdagvaarding genoemde lasten tot de datum van verdeling dan wel verkoop van de woning zal moeten voldoen, met dien verstande dat de vrouw in hoger beroep heeft meegedeeld dat de aan [D] en de [a-bank] verschuldigde bedragen medio 2013 zijn verlaagd en dat het aandeel van de man in die lasten sindsdien ook lager is geworden dan uit de overeenkomst voortvloeit.

Het hof neemt verder in aanmerking dat de rechtbank bij beschikking van 24 juni 2014 heeft bepaald dat zowel het bedrijfspand als de voormalig echtelijke woning aan de vrouw worden toegedeeld. Het hof is van oordeel dat hiermee de woning is verdeeld op de wijze als is bedoeld in de overeenkomst en dat de man daarom - anders dan de vrouw stelt - ingevolge de overeenkomst vanaf 24 juni 2014 niet meer gehouden is de overeengekomen lasten verbonden aan het woningdeel te voldoen.

De man heeft voorts gesteld dat de berekening die de vrouw aan haar vordering van het bedrag van € 10.692,25 ten grondslag heeft gelegd fouten bevat, maar hij heeft niet aangegeven wat deze fouten zijns inziens zijn. Het hof is daarom van oordeel dat de man niet voldoende heeft weersproken dat hij de premie voor de opbouwspaarrekening (in de overeenkomst aangeduid als aflossing) en de overige door de vrouw genoemde posten onbetaald heeft gelaten en dat wanneer met de premie opbouwspaarrekening tot 25 januari 2013 rekening wordt gehouden en met de overige kosten tot 24 december 2014, hij in totaal € 10.692,25 aan de vrouw verschuldigd is. Uitgaande van dat bedrag heeft de vrouw dan wat betreft de periode van 24 juni 2014 tot 24 december 2014 (zes maanden) ([€ 90,60 + € 240,- + € 43,49] x 6 =) € 2.244,54 te veel aan door de man te betalen hypothecaire rente in haar berekening betrokken.

Wat betreft de opbouwspaarrekening is het hof van oordeel dat het daarin opgebouwd kapitaal ook per datum beschikking van de rechtbank van 24 juni 2014 dient te worden verdeeld. De man zal daarom ook in de periode van 25 januari 2013 tot 24 juni 2014 (vijftien keer) de helft van de daarvoor verschuldigde premie, ofwel € 55,50 per maand, moeten voldoen. In totaal derhalve € 832,50. De man is daarom aan de vrouw verschuldigd

€ 10.692,25 - € 2.244,54 + € 832,50 = € 9.280,21.

7.11

Ter zitting van het hof heeft de man zich bereid verklaard om mee te werken aan de opheffing van de opbouwspaarrekening, nadat de vrouw had toegezegd dat zij de opbrengst van die spaarrekening op een derdenrekening zal plaatsen totdat het hof zal hebben beslist wat daarmee dient te gebeuren. Het hof zal het verzoek van de vrouw om de beschikking in de plaats te stellen van de wilsverklaring van de man tot opheffing van de opbouwspaarrekening daarom afwijzen.

7.12

Het hof is, zoals hiervoor overwogen, van oordeel dat de waarde die de spaarrekening op 24 juni 2014 had bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Hetgeen na 24 juni 2014 is opgebouwd dient aan de vrouw ten goede te komen omdat zij vanaf die datum de volledige premie heeft voldaan. Het hof acht het daarom redelijk om de opbouwspaarrekening aan de vrouw toe te delen tegen de afkoopwaarde per 24 juni 2014.

7.13

Het hof zal grief II in het principaal appel voor het overige onbesproken laten, omdat daaraan het belang is ontvallen. De grieven III en IV in het incidenteel appel slagen voor zover uit het voorgaande voortvloeit.

De waarde van [B] € 61.895,- (Ad 7.1.D.: grief IV in het principaal appel).

7.14

De man is van mening dat de waarde van [B] meer bedraagt dan het bedrag van € 61.895,- waarvan de rechtbank is uitgegaan. De man betoogt dat de rechtbank bij die waardevaststelling ten onrechte is uitgegaan van het rapport van 9 augustus 2013 dat

[G] Accountants & Belastingadviseurs (hierna: [G] ) in opdracht van beide partijen over de waarde van de onderneming heeft opgesteld. Volgens de man is in dat rapport uitgegaan van de boekwaarde van machines terwijl de economische waarde van die machines vele malen hoger is.

7.15

Het hof kan de man daarin niet volgen en overweegt daartoe als volgt.

In het rapport van [G] wordt voor de waardebepaling van [B] (rechter kolom) rekening gehouden met een taxatiewaarde van inventaris en inrichting - waartoe naar het hof begrijpt ook machines behoren - van € 10.000,- en dus niet met een boekwaarde, zoals de man heeft gesteld. De man heeft voorts een door zijn accountant, [H] accountants, op

10 juni 2014 opgestelde berekening van de waarde van [B] overgelegd. Daarin wordt aan machines een waarde van € 70.000,- toegekend, met als optie een waarde van

€ 40.000,-. De man heeft evenwel, ondanks de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet onderbouwd welke machines zijn accountant in aanmerking heeft genomen en welke waarde aan ieder van die machines is toegekend. De man heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat de taxatiewaarde van de machines substantiëel hoger is dan de door [G] in aanmerking genomen getaxeerde waarden. Het hof is voorts van oordeel dat, nu de vrouw de onderneming [B] voortzet, de door [G] blijkens haar brief van 18 september 2013 (productie 11) gevolgde berekeningsmethode op basis van 'going concern', in de gegeven omstandigheden een reële berekeningsmethode is. Het hof zal daarom, evenals de rechtbank, uitgaan van de door [G] opgestelde berekening van de waarde van de onderneming. In deze berekening is, anders dan de man stelt, onder de materiële vaste activa de (taxatie)waarde van de Mercedes meegenomen.

7.16

Grief IV in het principaal appel faalt.

De afgifte van de auto en andere roerende zaken en het maximum van de te dier zake te verbeuren dwangsommen.(Ad 7.1.E.: grief V in het principaal appel en grief II in het incidenteel appel).

7.17

Grief V in het principaal appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man de auto van het merk Mercedes, de borduurmachine inclusief software, MacPro two met bijbehorende monitor, de zenddetector, de T-shirtpers en de scanner aan de vrouw dient af te geven, onder verbeurte van een dwangsom bij niet nakoming daarvan.

Grief II in het incidenteel appel houdt in dat ten onrechte een maximum van € 40.000,- is verbonden aan de te verbeuren dwangsommen ter zake van de afgifte van de auto en de overige goederen.

7.18

Het hof neemt in aanmerking dat de auto, merk Mercedes, behoort tot het vermogen van de door de rechtbank aan de vrouw toebedeelde onderneming [B] . Verder heeft de man in deze procedure diverse verklaringen afgelegd over de plaats waar de auto zich zou bevinden. Ter zitting van het hof is evenwel gebleken dat de auto zich laatstelijk bij de luchthaven te Bremen heeft bevonden. De vrouw heeft de auto terug gehaald. De auto is inmiddels verkocht. De auto kan derhalve niet meer, zoals de man wenst, aan de man worden toebedeeld. De vraag die resteert is of de rechtbank terecht de afgifte van de auto door de man heeft bevolen onder verbeurte van een dwangsom. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat [B] voor de aanschaf van de auto een lease contract heeft afgesloten die in de jaarstukken van [B] is opgenomen en dat dat contract op het moment dat [B] bij vonnis van 14 juni 2014 aan de vrouw werd toebedeeld, nog liep. Nu [B] , inclusief de auto, aan de vrouw is toebedeeld had het op de weg van de man gelegen om de auto aan de vrouw af te geven op het moment dat de onderneming haar werd toebedeeld. Dit geldt te meer nu de man geen concrete gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de overname van de auto heeft kunnen financieren op een wijze dat [B] c.q. de vrouw niet meer voor de voldoening van het leasecontract zou kunnen worden aangesproken en waarbij [B] zou worden gecompenseerd voor het verlies van de meerwaarde van de auto die blijkens de jaarstukken € 3.230,- bedraagt. Het hof is in de gegeven omstandigheden van oordeel dat de man de auto aan de vrouw had behoren af te geven, zodat de beslissing daartoe, onder verbeurte van een dwangsom, voor het geval de man niet tijdig tot afgifte zou overgaan, in stand behoort te blijven.

7.19

De man heeft voorts gesteld dat de beslissing van de rechtbank dat hij de borduurmachine en MacPro two inclusief monitor aan de vrouw moet afgeven, niet in stand kan blijven, omdat hij deze apparaten niet (meer) in zijn bezit heeft.

Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 10 april 2014 blijkt dat de man toen heeft verklaard dat de borduurmachine en een computer, die volgens de jaarstukken toebehoren aan [B] , bij [C] staan. Wat betreft de computer heeft de man in hoger beroep gesteld dat deze computer defect is geraakt en dat blijkens de jaarstukken van [B] in verband daarmee een verzekeringsuitkering is verkregen. Er blijkt echter uit de jaarstukken dat in 2012 voor een Macbook Pro een verzekeringsuitkering is verkregen, en daarmee dus ruimschoots voordat de man in 2014 de genoemde verklaring afgelegde. Mede gelet daarop heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat de computer waarover de man in 2014 verklaarde een andere computer is dan die waarvoor een verzekeringsuitkering is verkregen en daarmee tevens dat de man in ieder geval in 2014 beschikte over een aan [B] toebehorende computer type MacPro, inclusief monitor. De man heeft geen concrete feiten en omstandigheden genoemd waaruit blijkt dat hij na 10 april 2014 de beschikking over de computer en de borduurmachine heeft verloren, zodat hij deze aan de vrouw zal dienen af te geven. Dat de borduurmachine ten tijde van het geven van de beschikking door de rechtbank wellicht defect was, maakt dat niet anders. Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat de beslissing van de rechtbank tot afgifte door de man van de computer en de borduurmachine, onder verbeurte van een dwangsom bij niet tijdige voldoening aan die beslissing, in stand dient te blijven.

7.20

Wat betreft de overige roerende zaken, de zenderdetector, de T-shirtpers en de scanner, heeft de man in hoger beroep betwist dat hij deze onder zich heeft gehad. Uit punt 24 van het 'aanvullend verweerschrift tevens wijziging zelfstandig verzoek' van 3 november 2013 van de man blijkt evenwel dat hij toen die goederen, die [B] toebehoorden, nog onder zich had. De man heeft in genoemd punt 24 weliswaar gesteld dat de onderhavige goederen volgens afspraak bij de Tabakszaak [C] horen, maar hij heeft dat niet nader onderbouwd. Voorts heeft de man geen concrete feiten en omstandigheden genoemd waaruit blijkt dat hij sedert 3 november 2013 de beschikking over die goederen heeft verloren. Het hof is daarom van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de genoemde goederen aan [B] toebehoren, dat de man die onroerende zaken onder zich heeft en dat hij in staat is deze aan haar af te geven. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank tot afgifte van die goederen, onder verbeurte van een dwangsom bij niet tijdige voldoening aan die beslissing, in stand laten.

7.21

Voor het achterwege laten van een dwangsom of voor matiging van de door de rechtbank opgelegde dwangsommen en/of van het aan de te verbeuren dwangsommen verbonden maximum, zoals de man wenst, is in de gegeven omstandigheden geen plaats, mede nu de man een derde persoon tijdig opdracht had kunnen geven om de afgifte van de auto en de andere roerende zaken te verzorgen, terwijl hij in detentie zat.

7.22

Het hof ziet voorts, anders dan de vrouw, geen aanleiding om geen maximum te verbinden aan de te verbeuren dwangsommen, of om het maximum op een hoger bedrag dan € 40.000,- vast te stellen. Er is niet gesteld of gebleken dat de waarde van de auto en de andere roerende goederen tezamen dat bedrag overstijgt. Desondanks is de man niet bereid geweest om eigener beweging tot afgifte van goederen over te gaan. Het is daarom niet aannemelijk dat een hoger maximum voor de man de extra prikkel zal geven om thans wel aan de gegeven en de te geven veroordelingen te voldoen.

7.23

Grief III in het principaal appel slaagt ten dele, grief II in het incidenteel appel faalt.

De opheffing van de gemeenschappelijke rekeningen (Ad. 7.1.F.: grief VI in het principaal appel).

7.24

Grief VI in het principaal appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte een dwangsom heeft verbonden aan de aan man opgelegde verplichting om mee te werken aan het opheffen van de gemeenschappelijke bankrekeningen van partijen. De man stelt daartoe dat hij bereid is om mee te werken aan het opheffen van de rekeningen. De man vindt het opleggen van een dwangsom daarom onnodig.

7.25

Het hof kan de man daarin echter niet volgen.

Uit de gedragingen van de man ter zake van de afgifte van onder meer de auto en de borduurmachine blijkt dat de man niet altijd tijdig en volledig heeft voldaan en voldoet aan de hem opgelegde afgifte verplichtingen, zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat hij ook in de toekomst op eerste verzoek van de vrouw zal voldoen aan het opheffen van de eventueel nog resterende gemeenschappelijke rekeningen. De man heeft zelf in de hand (gehad) of hij dwangsommen verbeurt, nu hij tijdig heeft kunnen voldoen en zo nodig in de toekomst zal kunnen voldoen aan de hem opgelegde verplichtingen. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten.

7.26

Grief VI in het principaal appel faalt.

De kosten verbonden aan het privé gebruik van de auto, merk Mercedes in 2012 en 2013 (Ad 7.1.G.: grief VII in het principaal appel).

7.27

Grief VII in het principaal appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de man de belastingschuld van [B] , verband houdend met het privé gebruik van de auto over de jaren 2012 en 2013, als eigen schuld zal moeten voldoen en dat hij de fiscale bijstelling volledig dient op te voeren in zijn belastingaangifte en zorg dient te dragen voor de betaling daarvan aan de Belastingdienst. De man betoogt dat partijen ieder de helft daarvan dienen te voldoen, mede nu partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd en partijen beiden vennoot waren in de op 25 januari 2013 beëindigde v.o.f. [B] .

7.28

Het hof neemt in aanmerking dat de vrouw op 10 april 2012 het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend, zodat op grond van het bepaalde in artikel

1:99 BW de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd op die datum van rechtswege is ontbonden. Partijen behoren daarom vanaf 10 april 2012 de aan ieder van hen in privé toe te rekenen lasten voor eigen rekening te nemen. Dat wordt niet anders nu [B] pas op 25 januari 2013 is ontbonden. De man heeft in de jaren 2012 en 2013 de auto voor privé doeleinden gebruikt c.q. onder zich gehouden. De man zal daarom in ieder geval vanaf 10 april 2012 de aan het privé gebruik van de auto verbonden (fiscale) lasten - zonder verrekening met de vrouw - dienen te voldoen.

Het hof is daarnaast tevens van oordeel dat in de bijzondere omstandigheden van dit geval, waaronder dat de man niet tijdig een reëel aanbod heeft gedaan om de auto tegen betaling over te nemen, het redelijk en billijk is dat de man zowel over het volledige (fiscale) jaar 2012 en als over 2013 het volledige door [B] aan de Belastingdienst verschuldigde ter zake het privé gebruik van de auto voor zijn rekening zal dienen te nemen. Verder zal de man, als degeen die de zakelijke auto uitsluitend ter eigen beschikking heeft gehouden, in zijn eigen aangifte Inkomstenbelasting het privé gebruik dienen te vermelden en een eventueel daaruit voortvloeiende aanslag voor zijn rekening moeten nemen.

7.29

Grief VII in het principaal appel faalt.

Het verstrekken van de domeinnaam www. [B] .nl en de wachtwoorden [F] .nl (Ad 7.1.H: grief VIII in het principaal appel).

7.30

Grief VIII in het principaal appel houdt in dat de rechtbank heeft bepaald dat de man de domeinnaam www. [B] .nl en de wachtwoorden van [F] .nl aan de vrouw moet verstrekken, onder verbeurte van een dwangsom.

7.31

Ter terechtzitting is gebleken dat de man de overdrachtspapieren terzake van de domeinnaam www. [B] .nl inmiddels heeft getekend. Verder heeft de vrouw toegezegd dat zij de door de rechtbank dienaangaande opgelegde dwangsommen niet zal opeisen. Ook zal de vrouw het wachtwoord van [F] .nl. niet opeisen, evenmin als enige daarmee verband houdende dwangsom. De vrouw heeft derhalve geen belang meer bij het handhaven van de onderhavige beslissingen van de rechtbank. Het hof zal die beslissingen dan ook vernietigen.

7.32

Grief VIII in het principaal appel slaagt.

Het opgenomen bedrag van € 6.000,- (Ad 7.1.I.:grief IX in het principaal appel )

7.33

Grief IX in het principaal appel houdt in dat de rechtbank de man ten onrechte heeft veroordeeld om het door hem van de rekening van [B] opgenomen bedrag van

€ 6.000,- aan de vrouw te voldoen en ten onrechte voor recht heeft verklaard dat de man tot en met 4 april 2014 in totaal een bedrag van € 3.500,- aan dwangsommen heeft verbeurd.

De man heeft die grief enkel toegelicht met de stelling dat hij dat bedrag als voorschot op de verdeling onder zich heeft genomen.

Uit het hiervoor genoemde faxbericht van 19 april 2012 blijkt dat partijen toen zijn overeengekomen dat de man geen geldbedragen zou opnemen van de rekening van [B] . Zoals hiervoor overwogen is de man aan die overeenkomst gebonden. Hij zal daarom het in strijd met de gemaakte partij-afspraken van de rekening van [B] opgenomen bedrag van € 6.000,- aan de vrouw moeten terugbetalen. Dat de man de opname heeft gedaan als een voorschot op de door hem verwachtte onderbedelingssom maakt dat niet anders. De voorzieningenrechter heeft de verplichting tot terugbetaling vastgelegd in het vonnis van 20 april 2012 en daarbij tevens bepaald dat de man, indien hij daaraan niet voldoet, een dwangsom verbeurd. De man heeft aan die veroordeling niet voldaan. Hetgeen de man heeft aangevoerd kan derhalve niet leiden tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank dat de vrouw jegens de man aanspraak kan maken op het opgenomen bedrag van

€ 6.000,- en op de dwangsommen die de man ingevolge het vonnis van de voorzieningenrechter heeft verbeurd doordat hij dat bedrag niet (tijdig) heeft terugbetaald.

7.34

Grief IX in het principaal appel faalt.

De vorderingen van [B] op [C] (Ad. 7.1.J: grief I incidenteel appel).

7.35

Grief I in het incidenteel appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte de man niet heeft veroordeeld tot betaling van de vorderingen die de aan haar toebedeelde onderneming [B] heeft op de aan de man toebedeelde eenmanszaak [C] . De vrouw betoogt dat bij de berekening van de waarde van [B] rekening is gehouden met deze vorderingen en dat de man, namens [C] , deze bedragen daarom aan haar c.q. [B] , zal moeten voldoen.

7.36

Uit de jaarstukken 2012 van [B] en de concept jaarstukken van [C] over 2013 blijkt dat [C] op 31 december 2012 aan [B] is verschuldigd een bedrag van € 1.676,- ten behoeve van aflossing doorlopend krediet en een bedrag van

€ 1.690,- ter zake een door [C] ontvangen schadeuitkering in verband met genoemde defecte Macbook Pro. Nu [C] aan de man is toebedeeld en [B] aan de vrouw en nu bij de waarde berekening van de ondernemingen met deze schulden c.q. vorderingen rekening is gehouden, is het hof van oordeel dat de man de bedoelde schulden van [C] aan [B] zal moeten voldoen.

Wat betreft de door de vrouw genoemde vordering van € 3.707,- die [C] nog aan [B] verschuldigd is, heeft de man ter terechtzitting gesteld dat de vrouw deze vorderingen niet heeft onderbouwd. Volgens de vrouw maakt het door [C] verschuldigde bedrag deel uit van het in de jaarstukken opgenomen totaalbedrag aan schulden van handelsdebiteuren. De vrouw heeft die post niet uitgesplitst. Het hof is desondanks van oordeel dat de man de vordering van de vrouw niet voldoende heeft weersproken, nu de man niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat in de boekhouding van de Tabakszaak [C] in de post handelscrediteuren geen vorderingen van [B] staan vermeld. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden toegewezen.

7.37

Grief I in het incidenteel appel slaagt.

Het recht van de vrouw tot verrekening (Ad. 7.1.B: grief III in het principaal appel).

7.38

Grief III in het principaal appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw de door haar namens de man betaalde hypothecaire lasten en alle door haar betaalde kosten met betrekking tot de auto mag verrekenen met iedere winstuitkering waarop de man recht mag hebben over het jaar 2012 of 2013, alsmede met iedere uitkering waarop de man jegens de vrouw uit hoofde van de verdeling aanspraak zal kunnen maken. De man stelt dat deze overweging te vrijblijvend is. Hij vreest dat de vrouw zal verrekenen wat haar goeddunkt.

7.39

Het hof neemt in aanmerking dat de vrouw op grond van het bepaalde in artikel 6:127 BW gerechtigd is om hetgeen zij van de man opeisbaar te vorderen heeft te verrekenen met hetgeen zij aan de man verschuldigd is. De beslissing van de rechtbank bevat dan ook niet meer dan de verwoording van een recht dat de vrouw ingevolge de wet toekomt en is derhalve een ledige beslissing. Nu niet is gesteld en uit de overeenkomst vermeld in voornoemde fax van 19 april 2012 ook niet is gebleken dat partijen ter zake van de bevoegdheid tot verrekening van de vrouw anders zijn overeengekomen, is voor een beperking van de rechten van de vrouw op verrekening geen plaats.

7.40

Grief III in het principaal appel faalt.

De nieuwe verzoeken van de man

7.41

De man heeft in het licht van het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de vrouw in het kader van de verdeling is overbedeeld en/of dat zij na verrekening van diverse vorderingen op de man nog enig bedrag aan de man verschuldigd zal zijn. Het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen om wegens overbedeling een bedrag van € 61.495,12 aan hem te voldoen zal daarom worden afgewezen. Verder zal het hof het verzoek van de man tot afgifte door de vrouw aan hem van de eindafrekening van de notaris betreffende verkoop van de panden toewijzen, nu de man daarbij in het kader van de afrekening die nog moet plaatsvinden belang kan hebben.

8 De slotsom

8.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking van 24 juni 2014 - mede om redenen van doelmatigheid - vernietigen voor zover het de in het dictum te noemen beslissingen betreft. Het hof zal te dien aanzien opnieuw beslissen als na te melden en de beschikking van 24 juni 2014 voor het overige bekrachtigen.

8.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

9 De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 24 juni 2014 voor zover dat hoger beroep is gericht tegen de beslissing dat de beschikking in de plaats zal treden van de instemmende wilsverklaringen van de man tot verkoop en levering van de woning en het bedrijfspand;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 24 juni 2014, voor zover daarin is bepaald:

- dat de man vanaf 25 januari 2013 tot de datum van de verkoop van de woning de helft van de rentelasten, verbonden aan de hypothecaire geldleningen, zal dienen te betalen;

- dat de man de domeinnaam www. [B] .nl aan de vrouw dient over te dragen, aan haar de wachtwoorden van www. [F] .nl dient te verstrekken, dat de man geen gebruik meer zal maken van genoemde domeinnaam en dat hij ook niet meer zal inloggen op voormelde website, met veroordeling van de man om aan de vrouw een dwangsom van

€ 2.000,- te betalen voor iedere dag dat hij in gebreke zal blijven, tot een maximum van

€ 40.000,- is bereikt, en

- het meer of anders verzochte is afgewezen,

en in zoverre opnieuw beslissende:

veroordeelt de man om ter zake van de hypothecaire lasten en overige woonlasten betreffende de periode 2013 tot en met 24 juni 2014 aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 9.280,21;

bepaalt dat de man geen gebruik meer zal maken van de domeinnaam www. [B] .nl en dat hij niet meer zal inloggen op voormelde website, met veroordeling van de man om aan de vrouw een dwangsom van € 2.000,- te betalen voor iedere dag dat hij in gebreke zal blijven, tot een maximum van € 40.000,- is bereikt;

deelt de (afkoop)waarde van de opbouwspaarrekening met kenmerk [00000] toe aan de vrouw, onder de bepaling dat de waarde die de opbouwspaarrekening op 24 juni 2014 had bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld;

bepaalt dat de vrouw binnen twee weken nadat deze beschikking is gegeven aan de man zal doen toekomen de door de notaris opgestelde eindafrekening ter zake van de verkoop van de panden aan de [a-straat] 118 en 120 te [E] ;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 24 juni 2014 voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch , voorzitter, mr. W. Breemhaar en

mr. R. Prakke - Nieuwenhuizen, bijgestaan door E.V. Hendrikse als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 december 2015.