Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:10097

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
13-01-2016
Zaaknummer
200.175.911/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Verzoek gecertificeerde instelling tot wijziging in het verblijf van de minderjarige. Verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.175.911/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/156394 / JE RK 15-284)

beschikking van de familiekamer van 15 december 2015

inzake

[de moeder] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F. Gosselaar, kantoorhoudend te Winschoten,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [de vader],

wonende te [B] ,

hierna te noemen: de vader,

2. Familie [C],

wonende te [D] ,

hierna te noemen: pleeggezin [C] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 28 mei 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 augustus 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de gevraagde voorziening wordt geweigerd.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 september 2015, heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 9 september 2015 een brief van 8 september 2015 van de Raad voor de Kinderbescherming Regio Noord Nederland, locatie Groningen (ook te noemen: de raad);

- op 11 september 2015 een journaalbericht van 10 september 2015 namens mr. Gosselaar met bijlage;

- op 14 oktober 2015 een brief van 13 oktober 2015 van de GI met bijlagen.

2.4

De minderjarige [de minderjarige1] heeft bij brief, ingekomen ter griffie van het hof op
9 oktober 2015, haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de zaak.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 3 november 2015 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en mevrouw [E] namens de GI. Mevrouw [F] is verschenen namens de raad in het kader van zijn adviserende taak.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de vader en de moeder zijn zes kinderen geboren, waaronder de tweeling [de minderjarige1] (ook te noemen: [de minderjarige1] ) en [de minderjarige2] (ook te noemen: [de minderjarige2] ), beiden geboren [in] 2003. De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] belast.

3.2

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 20 juni 2013 onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg, namens deze uitgevoerd door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, die de maatregel met ingang van 1 januari 2015 uitvoert als GI.

3.3

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn op 21 oktober 2013 vanuit de thuissituatie bij de vader met een spoedmachtiging uit huis geplaatst. In november 2013 zijn zij tezamen in het pleeggezin [G] geplaatst. Op 10 juni 2015 is [de minderjarige1] in een ander pleeggezin geplaatst, te weten bij de familie [C] .

3.4

Bij inleidend verzoekschrift van 1 mei 2015, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 6 mei 2015, heeft de GI de rechtbank verzocht om toestemming te verlenen tot wijziging in het verblijf van [de minderjarige1] naar pleeggezin [C] .

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de GI toestemming verleend tot wijziging in het verblijf van [de minderjarige1] .

4 De motivering van de beslissing

4.1

De moeder kan zich niet verenigen met voornoemde beschikking en stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat het verzoek tot wijziging in het verblijf van [de minderjarige1] dient te worden toegewezen. Het is volgens de moeder een feit van algemene bekendheid dat het gescheiden plaatsen van tweelingen een grote emotionele belasting voor hen betekent en vaak emotionele (ontwikkelings)problemen veroorzaakt. De kinderen zijn aanvankelijk als noodopvang geplaatst bij familie [G] .
De GI had vanuit deze noodplaatsing direct een opvang moeten zoeken waarbij de tweeling samen geplaatst zouden kunnen blijven. De GI heeft hier een steek laten vallen.
Het is niet in het belang van [de minderjarige2] , noch van [de minderjarige1] dat het verblijf waar zij samen zaten op te heffen en één van de twee elders te plaatsen. De GI had daarom nooit mogen aansturen op een gescheiden plaatsing van haar tweeling. De moeder heeft ter zitting van het hof nog aangegeven dat zij op de hoogte gehouden wenst te worden over de ontwikkelingen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de pleeggezinnen.

4.2

Het huidige artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing. Ingevolge dit artikel behoeft de gecertificeerde instelling de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. De toestemming wordt door de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.

4.3

Het hof leest in de grieven van de moeder en de daarop door en namens haar gegeven toelichting ter zitting geen andere relevante stellingen dan die zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd en die door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en neemt de motivering daarvan - na eigen onderzoek - over.

4.4

In aanvulling daarop acht het hof het volgende nog van belang. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , nu zij niet meer in hetzelfde pleeggezin wonen, meer dan voorheen toekomen aan hun ontwikkelingstaken.
De kinderen komen thans beter tot hun recht; ze ervaren rust en ontwikkelen zich beter dan in de situatie dat zij nog in hetzelfde pleeggezin woonden, terwijl het onderlinge contact tussen hen nog steeds gewaarborgd is. [de minderjarige1] , die niet goed kon aarden in het pleeggezin [G] , is goed op haar plek in het pleeggezin [C] . [de minderjarige1] heeft zelf ook aangegeven dat zij het leuk vindt bij de familie [C] .

4.5

Het hof is op grond van het vorenstaande, overeenkomstig het advies van de raad, van oordeel dat het verzoek tot wijzing in het verblijf van [de minderjarige1] toegewezen dient te worden. Het hof merkt ten overvloede op dat het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] eerst een jaar na de uithuisplaatsing duidelijk is geworden, zodat op dat moment (pas) de vraag voorlag of pleeggezin [G] de kinderen langdurig kon bieden wat zij nodig hebben.

Pleeggezin [G] heeft hierop kenbaar gemaakt een klik met [de minderjarige1] te missen en weinig tot geen wederkerigheid in het contact met [de minderjarige1] te ervaren. Een en ander had niet, zoals door de moeder naar voren gebracht, bij aanvang van de noodopvang in pleeggezin [G] onderzocht kunnen en moeten worden. Los van de algemene ervaringsregels zoals die volgens de moeder voor het uiteenhalen van tweelingen gelden, is het hof in de situatie van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] er voldoende van overtuigd geraakt, dat het in hun beider belang is dat [de minderjarige1] thans geplaatst is in een ander pleeggezin. Beide kinderen zijn belast door hun verleden en hebben bovengemiddelde zorg nodig. Duidelijk is geworden dat het pleeggezin [G] die zorg niet langer aan [de minderjarige1] kon bieden terwijl [de minderjarige2] juist baat heeft bij de zorg die door dit gezin aan hem geboden wordt. [de minderjarige1] is thans geplaatst in het (voormalig) logeergezin en in dezelfde buurt als waar zij al woonachtig was. Zij heeft hetzelfde netwerk behouden alsmede dezelfde school. Daarnaast is er aandacht voor de
band die de tweeling met elkaar heeft en de kinderen logeren dan ook met grote regelmaat
bij elkaar. Het hof merkt ten slotte nog op dat de moeder haar zorgen en haar wens om (rechtstreeks en niet via de kinderen) geïnformeerd te worden met de gezinsvoogd dient te bespreken en hierover met haar duidelijke afspraken dient te maken.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 28 mei 2015;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. M.P. den Hollander en mr. W.J. Overtoom, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 december 2015 in bijzijn van de griffier.