Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:995

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
13/00285
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:520, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Vereiste aangifte niet gedaan. Omkering en verzwaring bewijslast. Afwaardering vordering op dochtermaatschappij? Verzuimboete terecht?

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27h
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a
Wet inkomstenbelasting 2001 3.25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0436
NTFR 2014/2572
V-N Vandaag 2014/377
V-N 2014/19.1.1
Dr. W. Bruins Slot annotatie in NTFR 2014/1191

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/00285

uitspraakdatum: 11 februari 2014

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] b.v. te statutair gevestigd te [Z], kantoorhoudend te [L] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 24 januari 2013, nummer AWB 11/5453, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van nihil. Daarbij is een verlies van € 64.806 verrekend. Voorts is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 2.460.

1.2

De beschikkingen inzake de verliesverrekening en boete zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Oost-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend en de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 23 januari 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende alsmede [B], de bestuurder van belanghebbende. De Inspecteur is, hoewel overeenkomstig de wet – bij aangetekend verzonden brief van 21 november 2013 van de griffier van het Hof – uitgenodigd voor de zitting, niet ter zitting verschenen.

1.7

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.9

De Inspecteur heeft na het sluiten van het onderzoek ter zitting het Hof een brief met dagtekening 21 januari 2014, ontvangen ter griffie van het Hof op 28 januari 2014, toegezonden. Het Hof slaat op dit stuk, dat geen aanleiding vormt het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht te heropenen, geen acht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende drijft een groothandel in beeld- en geluidsdragers. [B] is haar enig aandeelhoudster en bestuurder. Belanghebbende had in het onderhavige jaar (2009) een 100%-deelneming, genaamd [C] b.v.. Deze vennootschap hield zich bezig met internetactiviteiten in de pornobranche (bestialiteit).

2.2

Belanghebbende is door de Inspecteur uitgenodigd tot het doen van de aangifte vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) 2009 – na verleend uitstel – vóór 1 november 2010. Omdat de aangifte Vpb 2009 niet is ingediend door belanghebbende, heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 22 november 2009 een zogenoemde herinnering gezonden en haar daarbij in de gelegenheid gesteld alsnog vóór 6 december 2010 aangifte te doen. Bij brief van 30 december 2010 heeft de Inspecteur belanghebbende vervolgens, omdat de aangifte Vpb 2009 nog steeds niet was ingediend, een aanmaning tot het doen van aangifte Vpb 2009 gezonden, waarbij een termijn is gesteld tot 13 januari 2011.

2.3

De aangifte Vpb 2009 is niet door belanghebbende ingediend. Voor de omzetbelasting heeft belanghebbende in 2009 een omzet verantwoord van € 226.405. Bij het vaststellen van de aanslag Vpb 2006 is een belastbare winst van belanghebbende in aanmerking genomen van € 64.806. Belanghebbende heeft geen aangiften Vpb 2007 en Vpb 2008 ingediend.

2.4

Met dagtekening 23 april 2011 heeft de Inspecteur ambtshalve de onderhavige aanslag Vpb 2009 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij heeft hij de belastbare winst van belanghebbende geschat op een bedrag van € 64.806. Deze winst is verrekend met verliezen uit andere jaren, waardoor het belastbare bedrag voor 2009 op nihil is vastgesteld. De Inspecteur heeft belanghebbende voorts een verzuimboete opgelegd van € 2.460.

2.5

In september 2010 is het faillissement van de dochtermaatschappij van belanghebbende, [C] b.v., aangevraagd. Bij vonnis van 21 september 2010 van de rechtbank Utrecht is zij in staat van faillissement verklaard. Het verzet daartegen van [C] b.v. is bij vonnis van 29 oktober 2010 ongegrond verklaard.

2.6

Het bezwaar van belanghebbende tegen de onderwerpelijke verliesverrekening en verzuimboete is door de Inspecteur ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep door belanghebbende, is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur terecht een verlies van € 64.806 heeft verrekend en terecht een verzuimboete aan belanghebbende heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de door de Inspecteur in aanmerking genomen belastbare winst van € 64.806 berust op een redelijke schatting. Belanghebbende beantwoordt voormelde vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft belanghebbende ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken van de Inspecteur, de verliesverrekeningsbeschikking en de verzuimboete en tot vaststelling van een verlies over 2009 van € 299.368.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Omkering bewijslast

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende met betrekking tot het onderhavige jaar geen gevolg heeft gegeven, ook niet na de aanmaning van de Inspecteur daartoe, aan de uitnodiging van de Inspecteur tot het doen van de aangifte Vpb 2009 vóór dat de aanslag door de Inspecteur is vastgesteld.

4.2

Dit betekent, gelijk de Inspecteur heeft gesteld en de Rechtbank heeft geoordeeld, dat belanghebbende voor het jaar 2009 niet ‘de vereiste aangifte’ heeft gedaan. Dit brengt mee dat belanghebbende ook in hoger beroep moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat de uitspraak op bezwaar onjuist is (artikel 27h, tweede lid in verbinding met artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; hierna: AWR).

4.3

Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat de Inspecteur gehouden is bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van de winst van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

Redelijke schatting en bewijs

4.4

De Inspecteur heeft zijn schatting van de belastbare winst van belanghebbende gebaseerd op de – laatst – bij hem bekende winstgegevens van belanghebbende over 2006 alsmede op de omzetgegevens over 2009. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat die handelwijze onredelijk of willekeurig is. Belanghebbende betwist de schatting van de Inspecteur. Alsdan ligt het op haar weg om daarvoor (tegen)bewijs te leveren op de in artikel 27e van de AWR bedoelde wijze (HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

4.5

Blijkens de door haar overgelegde gedingstukken, en desgevraagd ter zitting, erkent belanghebbende – wanneer geen rekening wordt gehouden met na te melden last inzake de gestelde vordering op [C] b.v. – in 2009 een belastbare winst te hebben gerealiseerd van € 136.436. In zoverre kan niet worden gezegd dat het in aanmerking nemen door de Inspecteur van een belastbare winst van € 64.806 onjuist is. Belanghebbende stelt evenwel dat zij ultimo 2009 een vordering had op haar dochtermaatschappij [C] b.v. van ten minste € 435.804,13, welke vordering, gelet op het faillissement van die vennootschap in 2010, op grond van goed koopmansgebruik in 2009 ten laste van het resultaat kan worden afgewaardeerd, zodat de belastbare winst negatief € 299.368 beloopt. In aanmerking genomen dat het faillissement van [C] b.v. eerst in september 2010 is aangevraagd door haar schuldeisers en [C] b.v., in de persoon van [B], zich vervolgens juridisch heeft verzet tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 21 september 2010 waarbij [C] b.v. in staat van faillissement is verklaard, is door belanghebbende – zonder nadere onderbouwing die evenwel ontbreekt – niet overtuigend aangetoond dat reeds op balansdatum – ultimo 2009 – redelijkerwijs bekend was dat de door haar gestelde vorderingen op [C] b.v. vanwege een dreigend faillissement niet volwaardig meer waren. De – blote – stellingen van belanghebbende dat de activiteiten van [C] b.v. wettelijk verboden zouden gaan worden in 2010 en dat de creditcardmaatschappijen geen diensten meer wensten te verlenen aan [C] b.v. doen aan dit oordeel niet af, nu de juistheid van die stellingen, zonder nadere onderbouwing die evenwel ontbreekt, niet overtuigend aangetoond door belanghebbende. Een en ander voert tot de conclusie dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de schatting van de Inspecteur van een belastbare winst van € 64.806 onjuist is. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af. De Inspecteur heeft mitsdien terecht een verlies van € 64.806 verrekend.

Verzuimboete

4.6

In hoger beroep heeft belanghebbende het oordeel van de Rechtbank dat de Inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de aanmaning door hem is verzonden naar het juiste adres van belanghebbende niet bestreden, zodat in appel van de juistheid van dat oordeel wordt uitgegaan. Belanghebbende stelt dat oplegging van een verzuimboete hier niet op haar plaats is, nu het belastbare bedrag van de aanslag nihil beloopt. Met deze stelling miskent belanghebbende echter dat de grondslag van een – hier aan de orde zijnde – verzuimboete niet, zoals bij een vergrijpboete, is gekoppeld aan het bedrag van de aanslag. Een verzuimboete dient ertoe om een belastingplichtige in te scherpen dat hij zijn verplichtingen jegens de fiscus dient na te komen. Nu belanghebbende haar verplichting tot het tijdig doen van aangifte Vpb 2009 niet is nagekomen, is het opleggen van een verzuimboete te dezen op zijn plaats. Bij het opleggen van de onderwerpelijke verzuimboete heeft de Inspecteur zich gehouden aan de wet (artikel 67a van de AWR) en aan voor hem geldend beleid (paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst). In aanmerking genomen dat belanghebbende, naar de Inspecteur heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht, in het verleden meermalen haar verplichting tot het doen van aangifte Vpb niet is nagekomen, acht het Hof een verzuimboete van € 2.460 te dezen passend en geboden.

slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. J.B.H. Röben, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 februari 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.