Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9904

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
200.154.473
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing; verzoek pleegouders om verzoek tot verlenging alsnog af te wijzen. Verzoek stichting tot verlening van vervangende toestemming voor medische behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.154.473 en 200.154.489

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 369028 en 369177)

beschikking van de familiekamer 18 december 2014

inzake

[verzoekster], verder te noemen: de pleegmoeder,

en

[verzoeker], verder te noemen: de pleegvader,

wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep, tezamen verder te noemen: de pleegouders,

advocaat: mr. M.B.A. de Bruijn te Zoetermeer,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de stichting.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats], verder te noemen: de vader,

en

[belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats], verder te noemen: de moeder.



1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 mei 2014, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de zaak met nummer 200.154.473:

- het beroepschrift, ingekomen op 15 augustus 2014;

- een brief van de stichting van 6 oktober 2014 met een begeleidende brief (standpunt) met 8 bijlagen, ingekomen op 7 oktober 2014.

in de zaak met nummer 200.154.489:

- het beroepschrift (met producties H5-H29), ingekomen op 15 augustus 2014;

- een faxbericht van de raad van 29 september 2014 met als bijlage een standpunt namens de moeder van 16 september 2014, ingekomen op 29 september 2014;

- een faxbericht van de stichting van 6 oktober 2014 met een begeleidende brief (standpunt) met bijlagen (8), ingekomen op diezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 oktober 2014 plaatsgevonden. De pleegouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de stichting zijn verschenen [A], gezinsvoogd, en [B]. Namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad, is [C] verschenen.

3 De vaststaande feiten in beide zaken

3.1

Uit de relatie tussen de vader en de moeder is op [geboortedatum] 2007 [minderjarige 1], verder te noemen: [minderjarige 1], geboren. Tot haar ontheffing op 14 april 2010 was de moeder alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1]. Sinds 14 april 2010 is de pleegmoeder belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1]. De pleegvader heeft twee meerderjarige zoons. De pleegmoeder heeft drie meerderjarige biologische dochters, waarvan [minderjarige 2] weer thuis woont.

3.2

Bij beschikking van 20 februari 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op verzoek van de raad, [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting, welke termijn laatstelijk is verlengd tot 19 mei 2015.

3.3

De stichting heeft op 19 mei 2014 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg, verder te noemen: WJZ.

3.4

Bij beschikking van 20 februari 2014 heeft de kinderrechter de stichting met spoed gemachtigd [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een crisispleeggezin met ingang van 21 februari 2014 tot 21 maart 2014. Bij beschikking van 5 maart 2014 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor verblijf pleegouder 24-uurs, zoals bedoeld in het indicatiebesluit van 5 maart 2014, verlengd met ingang van 20 februari 2014 tot 20 mei 2014. Bij de bestreden beschikking is de plaatsing verlengd tot 20 februari 2015.

3.5

[minderjarige 1] woont, na een crisisuithuisplaatsing op 22 mei 2007, sinds 7 september 2007 bij de pleegouders. Tevens woonden in dit gezin drie andere pleegkinderen, [kind 1] (thans

9 jaar), [kind 2] (thans 5 jaar) en [kind 3] (thans 1 jaar). Op 16 januari 2014 is [kind 1] uit huis geplaatst en woont sindsdien bij [D]. [minderjarige 1], [kind 2] en [kind 3] zijn op 20 februari 2014 uit huis geplaatst. [minderjarige 1] verblijft, samen met [kind 2], sindsdien in een crisispleeggezin, bij haar huidige pleeggezin familie [E].

4 De omvang van het geschil

In de zaak met nummer 200.154.489:

4.1

In geschil is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1]. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking deze machtiging verlengd met ingang van

20 mei 2014 tot 20 februari 2015, en de beslissing op het resterende deel van het verzoek pro forma aangehouden tot 13 februari 2015, met het verzoek aan de stichting uiterlijk 30 januari 2015 de kinderrechter schriftelijk te informeren zoals in rechtsoverweging 2.5 van die beschikking is vermeld.

4.2

De pleegouders zijn met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 19 mei 2014, met zaaknummer 369177. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De pleegouders verzoeken in hoger beroep het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.

4.3

De stichting heeft ter mondelinge behandeling verweer gevoerd. Zij verzoekt het hof het verzoek van de pleegouders in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In de zaak met nummer 200.154.473:

4.4

In geschil is de verlening van vervangende toestemming aan de stichting tot het verrichten van een medische behandeling van [minderjarige 1].

4.5

De pleegouders zijn met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 19 mei 2014, met zaaknummer 369028. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De pleegouders verzoeken in hoger beroep het verzoek van de stichting tot vervangende toestemming voor psychodiagnostisch onderzoek van [minderjarige 1] alsnog af te wijzen, althans dat verzoek toe te wijzen met dien verstande dat de pleegouders alsnog worden betrokken in het onderzoek dat het NIFP gaat uitvoeren.

4.6

De stichting heeft ter mondelinge behandeling verweer gevoerd. Zij verzoekt het hof het verzoek van de pleegouders in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

In de zaak met nummer 200.154.489:

5.1

De pleegouders voeren als grief I aan dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd hun belangen heeft meegewogen, waardoor de rechtbank tot een onjuist oordeel is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan deze grief onbesproken blijven nu ook in hoger beroep een volledige inhoudelijke behandeling, waarbij de belangen van alle betrokkenen worden meegewogen, plaatsvindt.

5.2

Ingevolge artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW) kan de kinderrechter de stichting als bedoeld in artikel 1 WJZ op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.3

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de pleegouders aanvoeren in hun grieven II en III, de gronden voor uithuisplaatsing van [minderjarige 1] nog steeds aanwezig zijn. Bij beschikking van 5 maart 2014 heeft de kinderrechter geoordeeld dat de pleegouders niet in staat waren [minderjarige 1] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de veiligheid van [minderjarige 1] in hun gezin voldoende werd gewaarborgd, mede doordat er sterke vermoedens en aanwijzingen waren dat [minderjarige 1] in het gezin van de pleegouders fysiek is mishandeld. Voor zover de pleegouders thans stellen dat sprake is van gewijzigde omstandigheden acht het hof dat standpunt onvoldoende gemotiveerd.

5.4

De pleegouders hebben in dit kader aangevoerd en ter mondelinge behandeling toegelicht dat zij al 20 jaar pleegouders zijn en in die jaren circa 30 pleegkinderen zonder noemenswaardige problemen hebben verzorgd in goede samenwerking met alle hulpverleners. Door een ernstige gedragsstoornis van [kind 1], wat begin 2014 tot een ernstig incident heeft geleid, zijn dusdanige spanningen in het gezin ontstaan dat de pleegouders om hulp hebben gevraagd bij de gezinsvoogd. Door die onhoudbare situatie, waarbij zij als pleegouders werden overvraagd, is [kind 1] bij [D] geplaatst. Daarna is de rust in het (pleeg)gezin weer teruggekeerd, aldus de pleegouders. Zij betwisten dat zij [minderjarige 1], of een van de andere pleegkinderen, fysiek hebben mishandeld en dat sprake is van een onveilige situatie voor hen. Dat blijkt ook niet uit het zogenoemde ‘driehuizen onderzoek’ in het kader van Signs of Safety van [minderjarige 1], of van verklaringen of tekeningen van een van de andere pleegkinderen; hun tekeningen kunnen immers op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Dat de mogelijkheid tot terugplaatsing van [minderjarige 1] bij hen niet in haar perspectiefonderzoek wordt meegenomen, ervaren de pleegouders als onterecht en kwetsend en niet in het belang van [minderjarige 1], die inmiddels zeer gehecht is aan de pleegouders.

5.5

Ter mondelinge behandeling heeft de gezinsvoogd verklaard dat juist in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige 1] haar uithuisplaatsing dient te worden gecontinueerd, in afwachting van de resultaten van het onderzoek door het NIFP naar haar opgroeiperspectief. Al enige tijd vóór en ook nu nog na haar uithuisplaatsing zijn bij professionele instanties, waaronder pleegzorginstelling Youké, zorgelijke signalen ervaren over de mogelijke onveiligheid en verwaarlozing van [minderjarige 1] in het pleeggezin. Dat dit alleen door overbelasting van de pleegouders zou komen ten gevolge van hun ernstige problemen met [kind 1], betwijfelt de gezinsvoogd. De pleegouders ontkennen op die manier de andere problemen in het gezin, ook ten aanzien van de andere pleegkinderen. Die opstelling van de pleegouders maakt een toekomstige samenwerking met de pleegouders niet langer mogelijk, aldus de gezinsvoogd.

5.6

Uit het overgelegde raadsrapport van 30 april 2014 en de toelichting van de raad ter mondelinge behandeling komt naar voren dat al langer sprake is van een moeizame samenwerking met de pleegmoeder, die het gezag over [minderjarige 1] heeft. Daardoor was al eerder een wisseling van pleegzorginstelling, van De Rading naar (thans) Youké, noodzakelijk. Volgens de gezinsvoogd ter mondelinge behandeling is de samenwerking van de pleegouders met Youké door alle problemen inmiddels ook niet meer mogelijk.

Volgens de raad kunnen de pleegouders [minderjarige 1] een onvoldoende veilige en stabiele opvoedingssituatie bieden, mede door hun beheersmatige en weinig empathische opvoedstijl waarover met hen niet te praten valt. Bij de raad bestaat bovendien een vermoeden van algehele overbelasting van de pleegouders, mede gelet op hun leeftijd en veroorzaakt door een tekort aan (zelf)inzicht en begrip voor de gedragsproblematiek van [kind 1] en de andere kinderen.

De raadsvertegenwoordiger heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is, zodat met behulp van psychodiagnostische onderzoeken voor haar snel helder wordt waar zij zal opgroeien.

5.7

Het hof is, met de raad, van oordeel dat sprake is van zorgelijke signalen ten aanzien van [minderjarige 1]. Of sprake is geweest van fysieke mishandelingen van [minderjarige 1] door de pleegouders kan in het midden blijven. Dit doet niet af aan de omstandigheid dat [minderjarige 1] kennelijk onrust en onveiligheid in het pleeggezin heeft ervaren en hier ook in haar huidige crisispleeggezin en met hulpverleners nog steeds over praat. Gelet op haar jonge leeftijd en haar belaste voorgeschiedenis is een stabiele neutrale woonplek nu in haar belang.

Het hof is onder de hiervoor geschetste omstandigheden dan ook van oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlenging de continuïteit van en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] niet is gewaarborgd en beoordeelt de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] dan ook noodzakelijk.

5.8

Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

In de zaak met nummer 200.154.473:

5.9

Uitgangspunt ingevolge artikel 1:264 BW is dat indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de (pleeg)ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert, deze toestemming op verzoek van de stichting kan worden vervangen door die van de kinderrechter.

5.10

Het hof is, evenals de rechtbank en onder verwijzing naar het raadsrapport van 30 april 2014, van oordeel dat er dusdanige zorgelijke signalen zijn dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] in gevaar is. Om deze ontwikkelingsbedreiging op te heffen is hulpverlening en onderzoek en duidelijkheid over haar opgroeiperspectief op korte termijn noodzakelijk. Nu is gebleken dat de pleegmoeder nog altijd weigert om haar medewerking te geven aan een psychodiagnostisch onderzoek van [minderjarige 1], is vervangende toestemming noodzakelijk.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen is het hof, met de raad ter mondelinge behandeling, van oordeel dat de pleegouders niet bij voorbaat hadden moeten worden uitgesloten bij het toen nog uit te voeren onderzoek. Inmiddels is het onderzoek van [minderjarige 1] gestart en bevindt dat onderzoek zich in een vergevorderd stadium. Na de start hebben zich nog diverse ontwikkelingen met [minderjarige 1] voorgedaan. De stichting heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat samenwerking met de pleegouders niet meer mogelijk is. Voorts is reeds met [minderjarige 1] gesproken over het niet meer terugkeren bij de pleegouders. Het hof acht het schadelijk voor [minderjarige 1] indien de verwachting die bij haar is gewekt, op losse schroeven komt te staan. Het alsnog betrekken van de pleegouders in het onderzoek acht het hof dan ook in dit stadium geen reële optie meer.

5.11

Op grond van het vorenstaande zal het hof ook deze beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

In de zaak met nummer 200.154.489:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 mei 2014;

In de zaak met nummer 200.154.473:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 mei 2014.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, E.H. Schulten en A.W. Beversluis, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier, en is op 18 december 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.