Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9896

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
200.153.394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek bewindvoerders (doorlopende) machtiging te verlenen voor opstellen en uitvoeren van een schenkingsplan. Geen schenkingstraditie. Aanbevelingen meerderjarigenbewind LOVCK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0077

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.153.394

(zaaknummers rechtbank Gelderland, team bewind en erfrecht, zittingsplaats Zutphen, 2865043 en 2865044)

beschikking van de familiekamer van 18 december 2014

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [dochter],

en

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [zoon 1],

verzoekers in hoger beroep,

gezamenlijk verder te noemen: de bewindvoerders,

advocaat: mr. M.J. Kooijman te Arnhem,

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende 1],

verder te noemen: de vader,

en

[belanghebbende 2] ,

verder te noemen: de moeder,

beiden wonende te [woonplaats],

gezamenlijk verder te noemen: de rechthebbenden,

en

Michaël Josephus Johannes Petrus van Megen,

wonende te [woonplaats] te Frankrijk,

verder te noemen: [zoon 2].

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, team bewind en erfrecht, zittingsplaats Zutphen, van 25 april 2014, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 16 juli 2014;

- een journaalbericht van mr. Kooijman van 17 november 2014 met als bijlagen producties 18 en 19, ingekomen op 18 november 2014;

- een brief van mr. Kooijman van 18 november 2014 met als bijlage een aanvulling op productie 18, ingekomen op 19 november 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 november 2014 plaatsgevonden. De bewindvoerders, [zoon 1] en [dochter], zijn in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. J.M.W. Werker, kantoorgenoot van mr. Kooijman en mr. Kooijman. [zoon 2] is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. De rechthebbenden zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, eveneens niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De kantonrechter (rechtbank Oost-Nederland, team toezicht, zittingsplaats Nijmegen) heeft bij twee afzonderlijke beschikkingen van 20 maart 2013 over goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbenden een bewind in de zin van artikel 1:431 Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld en de bewindvoerders als zodanig benoemd.

3.2

Bij de bestreden beschikking van 25 april 2014 heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerders om ten laste van het vermogen van de rechthebbenden schenkingen te mogen doen afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

De bewindvoerders hebben in eerste aanleg de kantonrechter verzocht om een machtiging als bedoeld in artikel 1:441 lid 2 onder a BW te verlenen tot het beschikken over het vermogen van de rechthebbenden door het opstellen en uitvoeren van een schenkingsplan en voorts, voor zover nodig, een doorlopende machtiging als bedoeld in artikel 1:441 lid 3 juncto artikel 1:441 lid 2 onder a BW te verlenen ter uitvoering van het hiervoor bedoelde schenkingsplan. De bewindvoerders hebben datzelfde verzoek in hoger beroep herhaald.

4.2

Op grond van artikel 1:441 lid 2 onder a BW behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor het beschikken over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt.

4.3

Aan het hof ligt thans de vraag voor of de door de bewindvoerders gevraagde machtiging alsnog dient te worden verleend.

4.4

Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige dient in de regel acht te worden geslagen op de ‘Aanbevelingen meerderjarigenbewind' (hierna: de aanbevelingen), zoals deze door het LOVCK (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton) met het oog op de gewenste uniformering in de rechtstoepassing binnen de bewindspraktijk zijn vastgesteld.

4.5

Op grond van de aanbevelingen geldt als hoofdregel dat het doen van schenkingen namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen slechts wordt toegestaan indien er een schenkingstraditie wordt aangetoond. In bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren omstandigheden kan van de hoofdregel worden afgeweken indien het belang van de rechthebbende dat vereist, dan wel indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert. Ook als er sprake is van een schenkingstraditie, wordt een schenking echter in beginsel niet toegestaan wanneer het liquide vermogen van een rechthebbende door de schenking minder wordt dan € 30.000,-.

4.6

De bewindvoerders stellen dat er sprake is van een schenkingstraditie omdat uit diverse stukken opgesteld door de vader, handgeschreven en met de typemachine, blijkt dat de rechthebbenden diverse bedragen hebben geleend aan de bewindvoerders en [zoon 2], verder gezamenlijk te noemen: de kinderen. Uit de overzichten blijkt dat niet elk kind hetzelfde bedrag te leen heeft ontvangen. Uit de door de vader opgestelde stukken blijkt dat de kinderen de geleende bedragen dienen te verrekenen in het geval een eventuele erfenis is te verdelen. Hieruit kan worden opgemaakt dat de vader ervan uitging dat de geleende bedragen niet meer aan de rechthebbenden zouden worden terugbetaald en dus zijn geschonken. De door de vader opgestelde overzichten dateren van vóór de onderbewindstelling van de rechthebbenden. Verder blijkt uit diverse bankafschriften van de rechthebbenden dat zij van januari 2011 tot en met oktober 2012 in totaal € 4.850,- aan financiële steun hebben verleend aan betrokkenen. De vader ging in de door hem opgestelde overzichten ook uit van een te verdelen vermogen van ongeveer € 240.000,-, hetgeen overeenkomt met de opbrengst van de verkochte woning van de rechthebbenden. Hieruit kan worden opgemaakt dat het wel degelijk de wens van de rechthebbenden is geweest de verzochte schenkingen te doen. Deze wens wordt ook door de broer van de vader en de zus van de moeder onderschreven in de door hen getekende verklaring. De bewindvoerders verwijzen naar jurisprudentie, waarbij is beslist dat ondanks dat in het verleden geen substantiële bedragen zijn geschonken wegens het ontbreken van vermogen, de financiële steun van de ouders kan worden aangemerkt als een schenkingstraditie. Ook hier was sprake van het liquide worden van vermogen door de verkoop van de woning van de rechthebbenden. Ook indien het bestaan van een schenkingstraditie niet voldoende is aangetoond, kan alsnog de machtiging voor het doen van schenkingen worden verstrekt. Uit de omstandigheid dat de rechthebbenden een volmacht hebben gegeven aan de bewindvoerders om over de bankrekeningen bij de Rabobank te beschikken en uit de inhoud van de testamenten van de rechthebbenden blijkt dat zij de wens hadden (en hebben) dat hun vermogen aan de kinderen ten goede zou komen. Daarnaast hadden zij het vermogen tot het moment van de verkoop van de woning niet liquide. Ten slotte laat de financiële situatie van de rechthebbende schenkingen uit hun vermogen toe. Zij zullen een financiële buffer behouden van € 40.000,-. Daarnaast zullen zij, gezien hun maandelijkse inkomsten en uitgaven, € 700,- tot € 800,- per maand sparen. De rechthebbenden verblijven sinds december 2012 in een verzorgingstehuis in verband met hun gezondheidstoestand. De diagnose van de moeder (75 jaar) betreft een agressieve vorm van frontale temporale dementie, waardoor communicatie nagenoeg niet mogelijk is. De vader (78 jaar) heeft een herseninfarct gehad, ten gevolge waarvan hij aan zijn rechterkant verlamd is en communicatie met hem ook nauwelijks mogelijk is. Gezien hun woon- en gezondheidssituatie is niet aannemelijk dat zij meer vermogen nodig zouden hebben dan € 40.000,- om (in de toekomst) in hun behoefte te kunnen voorzien.

4.7

Het hof overweegt als volgt. Dat de rechthebbenden niet in staat zijn om hun toestemming te geven voor het doen een schenking, derhalve niet meer in staat zijn om hun wil te bepalen, is naar het oordeel van het hof uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling genoegzaam gebleken. Bij de beoordeling of een dergelijke machtiging moet worden verleend, geldt naar het oordeel van het hof als uitgangspunt dat de bewindvoerder zich bij de uitoefening van zijn taak dient te richten naar de wensen van de rechthebbende, voor zover dit in het kader van artikel 1:441 lid 1 BW mogelijk is.

In casu is derhalve van belang of de rechthebbenden, indien zij in staat zouden zijn geweest zelf te beslissen, waren overgegaan tot de schenkingen waarvoor bewindvoerders machtiging hebben gevraagd. Of dit het geval is kan worden afgeleid uit een schenkingstraditie, zoals ook in de aanbevelingen meerderjarigenbewind tot uitgangspunt is genomen.

4.8

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een schenkingstraditie. Vaststaat dat de rechthebbenden in het verleden geen schenkingen hebben verricht. Gebleken is dat de rechthebbenden in het verleden wel diverse leningen aan de kinderen hebben verstrekt. Uit de door de vader opgestelde stukken blijkt met betrekking tot een deel van deze leningen dat de kinderen de geleende bedragen dienen te verrekenen in het geval een eventuele erfenis is te verdelen. Gesteld is dat het feit dat geen schenkingen zijn verricht als nu wordt verzocht samenhangt met het feit dat voordien geen sprake was van liquide vermogen. Doordat de rechthebbenden thans verblijven in een verzorgingstehuis en hun woning is verkocht zijn nu wel liquide middelen beschikbaar. Anders dan de bewindvoerders stellen blijkt naar het oordeel van het hof uit de overgelegde stukken niet de wil van de rechthebbenden tot het doen van schenkingen, indien zij daarvoor liquide middelen beschikbaar hadden gehad. Het feit dat het ontbreken van liquide middelen de rechthebbenden weerhield om schenkingen te doen zou aannemelijk kunnen zijn geweest indien de rechthebbenden bijvoorbeeld wel in het kader van de verstrekte leningen gebruik hadden gemaakt van de fiscale mogelijkheden die er zijn om op deze leningen deels af te lossen door middel van schenkingen, aangezien hiervoor geen liquide middelen nodig waren. Het alleen verstrekken van leningen aan de kinderen kan naar het oordeel van het hof niet als een schenkingstraditie worden beschouwd. De bewindvoerders hebben niet aangetoond dat er sprake is van repeterende (schenkings)handelingen van de rechthebbenden voorafgaand aan de instelling van het bewind. Desgevraagd hebben de bewindvoerders tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij met de gevraagde doorlopende machtiging een schenkingsplan willen uitvoeren, waarbij de schenkingsbedragen afhankelijk zullen zijn van de fiscale mogelijkheden die er bestaan. Nu evenmin gezegd kan worden dat belastingbesparingen op zichzelf reeds zijn aan te merken als doelmatige beleggingen van het vermogen van de rechthebbenden in de zin van artikel 1:441 BW, hebben de bewindvoerders naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het verrichten van de schenkingen past binnen het kader van hun taakuitoefening.

4.9

Indien geen sprake is van een schenkingstraditie kan in bijzondere omstandigheden van de hoofdregel worden afgeweken indien het belang van de rechthebbende dat vereist, dan wel indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert. Het hof is van oordeel dat door de bewindvoerders geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan het belang van de rechthebbenden het vereiste dat het verzoek moet worden toegewezen, dan wel dat de schenking de leefomgeving van de rechthebbenden verbetert.

4.10

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de bewindvoerders zal worden afgewezen en dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, team bewind en erfrecht, zittingsplaats Zutphen, van 25 april 2014.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.J. Haarhuis, R. Feunekes en T.M. Blankestijn, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 18 december 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.