Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9888

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
200.142.042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Verweerschrift met incidenteel appel (toch) tijdig ingesteld; verzoek om aanhouding (voor reactie op incidenteel appel) afgewezen. Behoefte en draagkracht conform de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen. Beroep op aanvaardbaarheidstoets faalt. Zorgkorting. Draagkrachtvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.042

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 344902 en 344909)

beschikking van de familiekamer van 18 december 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.X.C. Peters te Woudenberg,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Hofman te Barneveld.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 november 2013, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 18 februari 2014;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingekomen bij dit hof op

18 april 2014;

- een journaalbericht van mr. Hofman van 12 augustus 2014 met bijlagen, ingekomen op
13 augustus 2014;

- een journaalbericht van mr. Peters van 26 augustus 2014 met bijlagen, ingekomen op
27 augustus 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 2 september 2014 plaatsgevonden. Namens de man is zijn advocaat verschenen. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

2.3

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. Peters van 10 september 2014 met bijlagen (een nader verweerschrift in incidenteel hoger beroep met een productie), ingekomen op 11 september 2014, en een journaalbericht van 18 september 2014, met als bijlage de reactie van mr. Hofman, ingekomen op 19 september 2014.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 23 oktober 2007 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Partijen zijn de ouders van [kind 1] (verder te noemen: [kind 1]), geboren op [geboortedatum] 2006, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

Bij echtscheidingsconvenant van 2 augustus 2007 zijn partijen - voor zover hier van belang - overeengekomen dat de man aan de vrouw bij vooruitbetaling € 800,- per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en € 400,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] zal voldoen. Deze onderhoudsverplichtingen zijn tevens in de (echtscheidings)beschikking van 12 oktober 2007 neergelegd.

3.4

De man, geboren op [geboortedatum] 1973, heeft van oktober 2013 tot medio augustus 2014 met zijn huidige partner een gezin gevormd. Tot december 2012 vormde hij met zijn toenmalige partner een gezin. De man heeft van 1 april 2012 tot 1 november 2012 gewerkt bij Betonpompbedrijf Nijwa B.V. Hij heeft een beëindigingsvergoeding ontvangen van
€ 11.126,- bruto. De man ontvangt sinds 1 januari 2013 een WW-uitkering van € 685,85 bruto per week, inclusief 8% vakantietoeslag.

3.5

De woonlasten van de man bedragen per maand:

- € 1.665,- aan hypotheekrente;

- € 84,60 aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypothecaire geldlening.

Het eigenwoningforfait bedraagt € 1.650,- per jaar.

3.6

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1972, vormt met [kind 1] een gezin. Het inkomen van de vrouw bedraagt € 32.551,- bruto per jaar.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil zijn de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en diens bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de beschikking van 12 oktober 2007 met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd door de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2013 vast te stellen op nihil, en de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] vanaf 1 juni 2013 te bepalen op € 262,- per maand.

4.2

De man is met acht grieven (genummerd I tot en met V en VII tot en met IX) in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking. De grieven zien op de behoefte van [kind 1], de wijzigingen van omstandigheden, de draagkracht van de man, de draagkracht van de vrouw, de ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie en de toe te passen rekenmethode. De man verzoekt het hof - samengevat - de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] met ingang van 1 januari 2013 vast te stellen op nihil, althans op een ingangsdatum en op een zodanig bedrag als het hof juist acht, met instandhouding van de bestreden beschikking ter zake de nihilstelling van de partneralimentatie, kosten rechtens.

4.3

De vrouw is op haar beurt met vier grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de behoefte van [kind 1], de zorgkorting, de draagkracht van de man en de ingangsdatum van de gewijzigde bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de verzoeken van de man af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de bij beschikking van 12 oktober 2007 vastgestelde kinderalimentatie is gewijzigd en de partneralimentatie op nihil is gesteld met ingang van een datum gelegen voor 1 juni 2013.

4.4

Het hof zal de grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

4.5

Nadat de bestreden beschikking is gegeven zijn de financiële gegevens gewijzigd. Partijen zijn het erover eens dat deze nieuwe gegevens mede aan de beslissing ten grondslag moeten worden gelegd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw heeft bij haar verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Het op papier gestelde verweerschrift is buiten de daarvoor gestelde termijn, uiterlijk op 16 april 2014, bij dit hof ingekomen. Nu uit een overgelegd e-mailbericht blijkt dat het verweerschrift met het incidenteel hoger beroep tijdig, op 15 april 2014, op de server van www.rechtspraak.nl is ontvangen, neemt het hof het incidenteel hoger beroep in behandeling. Omdat alsnog is komen vast te staan dat de vrouw tijdig incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, had de advocaat van de man achteraf bezien een termijn moeten krijgen voor het indienen van een schriftelijke reactie op het incidenteel hoger beroep. Ter mondelinge behandeling heeft mr. Peters betoogd dat hij zich niet goed heeft kunnen voorbereiden op een verweer tegen het incidenteel hoger beroep, en heeft hij verzocht om aanhouding van de zaak zodat hij alsnog een schriftelijke reactie op het incidenteel hoger beroep van de vrouw kan geven. Het hof heeft daarop het aanhoudingsverzoek van mr. Peters om redenen van proceseconomie afgewezen, mr. Peters in de gelegenheid gesteld ter zitting mondeling te reageren op het incidenteel hoger beroep, en hem een termijn tot 12 september 2014 gegeven om desgewenst alsnog schriftelijk te reageren op het incidenteel hoger beroep. Mr. Peters heeft bij voornoemd journaalbericht van 10 september 2014 schriftelijk een reactie ingediend op het incidenteel hoger beroep, op welke reactie mr. Hofman bij journaalbericht van
18 september 2014 heeft gereageerd.

5.2

Thans is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Reeds omdat gebleken is dat de man sinds 1 januari 2013 een WW-uitkering ontvangt, is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt. In grief II stelt de man dat er nog meer wijzigingen van omstandigheden zijn, namelijk het overnemen van de woning door de man, een wijziging in zijn woonlasten per 1 januari 2013, het feit dat de vrouw een hoger inkomen heeft dan ten tijde van de vaststelling van de kinderalimentatie en het feit dat de man een krediet bij ABN AMRO heeft moeten afsluiten. Het hof passeert grief II van de man wegens gebrek aan belang, nu de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verzocht 1 januari 2013 als ingangsdatum van de gewijzigde alimentatieverplichting aan te merken, het hof hierna nog zal ingaan op de door de man aangevoerde hoge woonlasten, de man niet concreet heeft gesteld met ingang van welke datum de vrouw een hoger inkomen kreeg en volgens zijn eigen stelling (toelichting op grief V) het krediet is afgesloten vóór 1 januari 2013.

5.3

De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen een behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum, in het bijzonder indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de eerste rechter vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot hetzelfde gevolg. Dit brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met zijn of haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven en, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering (HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4757).

5.4

Bij e-mail van 14 januari 2013 heeft de man de vrouw ten aanzien van de alimentatie bericht:

“(…) Zoals we besproken hebben betaal ik voor [kind 1] vanaf nu € 150,- / maand. Partneralimentatie moet ik volledig opschorten. Rede: Ik ben werkeloos geworden. M.a.w. ik heb het niet. Kan niet eens m’n hypotheek betalen. Let op. Ik schort het op. Dat wil niet zeggen dat het niet komt”.

Hierop heeft de man per januari 2013 de betalingen aan partneralimentatie gestaakt, en de eerste maanden van 2013 € 150,- per maand aan kinderalimentatie voldaan. Gezien het e-mailbericht van de man van 14 januari 2013 in combinatie met het feit dat de man nog enkele maanden € 150,- per maand aan kinderalimentatie heeft voldaan, acht het hof het redelijk voor de te wijzigen alimentatieverplichting zowel voor de partner- als de kinderalimentatie 1 juni 2013, de eerste dag van de maand na indiening van het verzoekschrift door de man bij de rechtbank, te hanteren. Eerst vanaf die datum heeft de vrouw redelijkerwijs rekening kunnen houden met een mogelijke nihilstelling van de alimentatieverplichting van de man. Met hantering van 1 juni 2013 als ingangsdatum zal het hof ter zake van de kinderalimentatie conform de aanbeveling van de Expertgroep alimentatienormen de nieuwe rekenmethode toepassen. Grief IV van de vrouw in het incidenteel hoger beroep slaagt. De grieven III en IV van de man falen.

5.5

De man betwist dat de behoefte van [kind 1] € 622,- per maand bedraagt (met daarop al in mindering gebracht het kindgebonden budget van € 56,- per maand). De man stelt dat hij en de vrouw ten tijde van het uiteengaan een gezamenlijk netto inkomen hadden van € 4.400,- per maand. In het gezin waren toen twee kinderen aanwezig: [kind 2] (uit een andere relatie van de vrouw) en [kind 1]. De behoefte van de twee kinderen samen is conform de behoeftetabel behorende bij het rapport van de Expertgroep alimentatienormen € 1.020,- per maand, waarmee de behoefte van [kind 1], aldus de man, € 510,- minus € 56,- aan kindgebonden budget, derhalve € 454,- per maand bedraagt. De vrouw betwist op zichzelf niet dat ten tijde van de samenleving twee kinderen van het gezin deel uitmaakten. Haars inziens dient echter met [kind 2] geen rekening te worden gehouden, nu de man niet bijdroeg in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2]; zij betaalde alles uit de bijdrage van € 415,- per maand van de vader van [kind 2]. Zo al bij de berekening van de behoefte rekening zou worden gehouden met [kind 2] in het gezin, dan dient, aldus de vrouw, ook die bijdrage van € 415,- per maand tot het netto besteedbaar inkomen te worden gerekend. Aldus zou de behoefte van [kind 1] € 508,- per maand zijn. Ook dient volgens de vrouw bij de berekening van de behoefte van [kind 1] rekening te worden gehouden met inkomsten die de man, naast zijn inkomen uit dienstverband, ontving als directeur/enig aandeelhouder van het organisatie-/adviesbureau [verzoeker] Holding B.V.

5.6

Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [kind 1] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2007 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van het huwelijk dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat hoger is.

5.7

Tussen partijen is niet in geschil dat het gezamenlijk netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk op basis van een salarisstrook van de man en een van de vrouw van januari 2007 € 4.400,- per maand bedroeg, zoals het door de rechtbank is berekend. Bij gebreke van gegevens over het netto besteedbaar gezinsinkomen van de vrouw en de stiefvader van [kind 2], gaat het hof ten behoeve van de vaststelling van de kinderalimentatie voor [kind 1] ervan uit dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] gelijk is. Het hof laat in de berekening van het netto besteedbaar inkomen de voor [kind 2] ontvangen bijdrage van zijn vader van € 415,- per maand buiten beschouwing, nu dit zoals de vrouw stelt en de man niet heeft betwist, volledig is aangewend om te voorzien in de (resterende) behoefte van [kind 2]. Gelet hierop zal het hof evenals de rechtbank uitgaan van de tabel voor één kind. Grief I van de man in het principaal hoger beroep faalt.

5.8

Geen rekening houdt het hof met spaargeld dat de vrouw heeft besteed aan het gezin, nu dit geen daadwerkelijke inkomsten, zoals rente uit vermogen, betreft, maar een opdrogende niet structurele bron van inkomsten is geweest.

Het hof houdt voorts geen rekening met inkomsten van de man uit het
organisatie-/adviesbureau [verzoeker] Holding B.V. Nu uit de door de man overgelegde gepubliceerde balans per 31 december 2007 blijkt van een verlieslatende onderneming en de vrouw niet heeft onderbouwd dat het gezinsinkomen tijdens het huwelijk werd aangevuld met inkomsten uit die onderneming, heeft de vrouw haar stellingen over deze aanvulling van inkomsten onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het hof merkt naar aanleiding van de toelichting op grief I in het incidenteel hoger beroep nog op dat de draagkracht van de man, zoals hierna zal worden overwogen, lager uitkomt dan de hierna berekende behoefte van [kind 1]. Grief I van de vrouw in het incidenteel hoger beroep faalt.

5.9

Gesteld noch gebleken is dat het huidige netto inkomen van de man hoger is dan voormeld gezinsinkomen. Evenals de rechtbank gaat het hof uit van 2 kinderbijslagpunten. Aldus berekent het hof gelijk de rechtbank de behoefte van [kind 1] aan een bijdrage van haar ouders op € 678,- per maand, per 1 januari 2013 geïndexeerd tot € 765,59. Op dit bedrag strekt in mindering € 56,- per maand aan kindgebonden budget, zodat een behoefte van [kind 1] van afgerond € 709,59 per maand resteert.

5.10

De man stelt voorts dat ook de vrouw dient bij te dragen in deze behoefte van € 709,59 per maand. Het hof overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. Het hof zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

5.11

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] te betalen. De vrouw betwist dat. Zij stelt dat het inkomensverlies van de man verwijtbaar is en dat moet worden uitgegaan van zijn eerdere (hogere) inkomsten uit arbeid. De man stelt hier tegenover dat niet gebleken is dat hem enig verwijt is te maken van zijn inkomensverlies; na zijn ontslag heeft hij een WW-uitkering ontvangen, hetgeen niet duidt op verwijtbaar inkomensverlies. Tegenover deze gemotiveerde betwisting door de man acht het hof de stelling van de vrouw dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies onvoldoende aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van de vrouw dat het gedrag van de man klaarblijkelijk zodanig non-conformistisch is dat werkgevers zich telkens genoodzaakt zien om tot beëindiging van het dienstverband te komen acht het hof daartoe ontoereikend. Het hof gaat dan ook uit van de huidige WW-uitkering van de man, zoals vermeld onder 3.4. Hiermee faalt grief III in het incidenteel hoger beroep van de vrouw.

5.12

De man stelt met een beroep op de aanvaardbaarheidstoets dat rekening dient te worden gehouden met zijn kredietverplichting van € 547,50 per maand aan de ABN-AMRO bank, nu deze is ontstaan als gevolg van het overnemen van de voormalige echtelijke woning door hem en een te hoge alimentatieverplichting in de periode van januari 2011 tot april 2012. Daarnaast kan zijn partner niet bij helfte bijdragen in de woonlasten, nu zij haar bestaande woonlastverplichtingen heeft en verplichtingen ten aanzien van haar eigen kinderen. Bovendien woont zijn nieuwe partner sinds medio augustus 2014 niet meer bij hem in huis.

5.13

Het ligt op de weg van de man om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van lasten en dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in het onderhavige geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Bij een beroep op de aanvaardbaarheidstoets wordt van de onderhoudsplichtige verwacht dat hij volledig en duidelijk - door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken - inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. In ieder geval bestaat geen aanleiding om rekening te houden met schulden die volgens de man ontstaan zijn door te hoge alimentatieverplichtingen in de periode van januari 2011 tot april 2012. Nog afgezien van het feit dat de man in de genoemde periode zijn WW-uitkering nog kon suppleren met zijn ontslagvergoeding, heeft de man de rechtbank eerst om wijziging van zijn alimentatieverplichtingen verzocht per 1 januari 2013; over de voorgaande periode moet de man geacht worden te hebben bijgedragen conform zijn draagkracht. Ook het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets in verband met zijn hoge woonlasten slaagt niet. De man heeft niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze lasten niet verwijtbaar en/of vermijdbaar zijn. Zo ontbreekt informatie over de (on)mogelijkheid van de man om zijn woonlasten te drukken door zijn huidige woning te verkopen en elders, goedkoper, te gaan wonen. Het voorgaande brengt mee dat het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets in verband met zijn kredietverplichting aan de ABN-AMRO Bank en zijn woonlasten, faalt.

5.14

Ter mondelinge behandeling is gebleken dat de man niet tot nauwelijks contact heeft met [kind 1]. Wel zijn de inspanningen van partijen erop gericht om tot een opbouw van het contact tussen de man en [kind 1] te komen. Onder deze omstandigheden acht het hof het redelijk om conform het rapport van de Expertgroep alimentatienormen rekening te houden met de zorgkorting van ten minste 15% van de behoefte, omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. Dit betekent dat op de berekende behoefte van € 709,59 per maand € 106,42 per maand in mindering strekt, waarmee afgerond € 603,- per maand resteert. Grief II van de vrouw in het incidenteel hoger beroep faalt.

5.15

Het hof berekent de draagkracht van de man in overeenstemming met het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen volgens de volgende formule, waarbij het netto besteedbaar inkomen is aangeduid als NBI: 70% x (NBI minus (0,3 x NBI plus € 850,-).

Het NBI van de man bedraagt € 1.972,- per maand. € 1.972,- minus (€ 591,60 plus € 850,- =) € 530,40 per maand. 70% van € 530,40 brengt de draagkracht van de man op (afgerond)

€ 371,- per maand. Grief V van de man in het principaal hoger beroep faalt.

5.16

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uit van de hiervoor onder 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld. Het hof houdt bij het NBI van de vrouw, naast de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, rekening met de alleenstaande-ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

5.17

Nog afgezien van het feit dat de man de hoogte van bepaalde uitgavenposten zoals kleding voor [kind 2] van € 240,- per maand betwist, geeft het door de vrouw in hoger beroep overgelegde overzicht van haar huidige uitgavenpatroon voor [kind 2] niet het benodigde inzicht in de huwelijksgerelateerde behoefte van [kind 2]. Bij gebreke van gegevens over de huwelijksgerelateerde behoefte van [kind 2] en de verdeling naar rato van die behoefte over de beide onderhoudsplichtige ouders, gaat het hof dan ook ervan uit dat de vrouw met de door haar ontvangen kinderalimentatie van € 415,- per maand ten behoeve van [kind 2] en het kindgebonden budget van € 56,- per maand volledig in de behoefte van [kind 2] kan voorzien en dat de behoefte van [kind 2] niet op haar inkomen drukt. Grief VII en grief VIII van de man in het principaal hoger beroep slagen deels.


5.18 Het hof berekent de draagkracht van de vrouw volgens de onder 5.13 genoemde formule. Het NBI van de vrouw bedraagt € 2.332,- per maand. € 2.332,- minus € 1.549,60 = € 782,40. 70% van € 782,40 = € 547,68.

5.19

Verdeling van de behoefte van [kind 1] van € 603,- per maand naar rato van ieders draagkracht betekent dat de man vanaf 1 juni 2013 een bijdrage van afgerond € 243,- per maand dient te leveren.

5.20

Grief IX van de man in het principaal hoger beroep behoeft na het vorenstaande geen bespreking meer. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna te melden.

5.21

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat partijen gewezen echtgenoten zijn en omdat de procedure de bijdrage aan het uit die relatie geboren kind betreft.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

20 november 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 12 oktober 2007 als volgt:

stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 juni 2013 vast op nihil;

bepaalt dat de man aan de vrouw vanaf 1 juni 2013 € 243,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. van der Beek, A. Smeeïng-van Hees en

R. Krijger, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op

18 december 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.