Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9887

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
200.138.091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Netwerkplaatsing in plaats van AWBZ-voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.091

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 349854 en 351800)

beschikking van de familiekamer van 18 december 2014

inzake

[verzoeker]

en

[verzoekster],

beiden wonende te [woonplaats],
verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de ouders dan wel (afzonderlijk) de vader respectievelijk de moeder,

advocaat: mr. A.J.A.M. Veen-Brom te Veenendaal,

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 27 februari 2014, 12 juni 2014 en 10 juli 2014 tussenbeschikkingen gegeven en neemt de inhoud van die beschikkingen hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het journaalbericht van mr. Veen-Brom van 11 augustus 2014 met een bijlage, ingekomen op 12 augustus 2014;

- het journaalbericht van mr. Veen-Brom van 5 september 2014 met twee bijlagen, ingekomen op 8 september 2014;

- het faxbericht van de stichting van 10 september 2014 met een bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

- het journaalbericht van mr. Veen-Brom van 11 september 2014, ingekomen op diezelfde datum;

- het journaalbericht van mr. Veen-Brom van 24 september 2014, ingekomen op diezelfde datum;

- het faxbericht van de stichting van 30 september 2014, ingekomen op 1 oktober 2014.

1.3

Partijen hebben in het journaalbericht van 24 september 2014 respectievelijk faxbericht van 30 september 2014 aan het hof laten weten dat zij afzien van voortzetting van de mondelinge behandeling.

2 De motivering van de beslissing

2.1

In zijn tussenbeschikking van 27 februari 2014 heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden en de stichting verzocht nader onderzoek in te doen stellen door een onafhankelijk instituut naar de mogelijkheden van plaatsing van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2006 (verder te noemen: [minderjarige]), in het netwerkpleeggezin van [A] (tante vaderszijde, verder te noemen: [A]). Daarbij dienden te worden onderzocht:

- de opvoedingscapaciteiten en de geschiktheid als pleegouder van [A], waarbij [A] dient mee te werken aan een psychologisch onderzoek indien zulks noodzakelijk wordt geacht;

- de omgang tussen [minderjarige] en [A] in de thuissituatie, waartoe observatie geïndiceerd is;

- de hulp en ondersteuning die nodig is voor plaatsing van [minderjarige] bij [A], waaronder onderzoek naar de school waar [minderjarige] naar toe zou gaan indien zij bij [A] zou wonen en mogelijke naschoolse opvang en, indien geen sprake is van professionele opvang maar van opvang door de huisgenoot van [A], [B] (verder te noemen: [B]), onderzoek naar de pedagogische vaardigheden van [B] en observatie van het contact tussen [minderjarige] en [B].

2.2

Uit het verslag gezinsonderzoek netwerk van Youké Sterke Jeugd van 26 april 2014 blijkt het volgende. [A] is werkzaam met mensen met een beperking en heeft daarvoor diverse opleidingen gevolgd. Zij beschikt over voldoende pedagogische vaardigheden om de zorg voor [minderjarige] te dragen, welke vaardigheden goed lijken aan te sluiten bij de behoefte van [minderjarige] aan structuur, rust en duidelijkheid. [A] is bereid die zorg tot de volwassenheid van [minderjarige] te dragen [A] is zich bewust van de beperkingen van [minderjarige], heeft een goed inzicht in de behoeften van [minderjarige], kan haar een liefdevol thuis bieden en heeft een groot netwerk.

2.3

In de tussenbeschikking van 12 juni 2014 heeft het hof de stichting verzocht het reeds aangevangen onderzoek bij het Ambulatorium naar de mogelijkheden van plaatsing van [minderjarige] bij [A] te doen continueren en voltooien. Het hof heeft daarbij overwogen dat het in het belang van [minderjarige] is dat gedurende het onderzoek de omgangsregeling tussen [minderjarige] en [A], voor zover de draagkracht van [minderjarige] zulks toelaat, zal worden uitgebreid.

2.4

In de tussenbeschikking van 10 juli 2014 heeft het hof naar aanleiding van het verzoek van de stichting tot 1 september 2014 uitstel verleend voor het indienen van de onderzoeksrapportage en voorts het verzoek van mr. Veen-Brom om het onderzoek te laten verrichten door een onderzoeker verbonden aan “Helder Diagnostiek” afgewezen.

2.5

Uit de rapportage van het onderzoek, uiteindelijk verricht door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (verder te noemen: NIFP), van 8 september 2014, ingekomen bij het hof op 10 september 2014, blijkt het volgende. Er is bij [A] sprake van voldoende pedagogische en affectieve mogelijkheden om de zorg voor [minderjarige] te dragen. Bij [A] is, naast de natuurlijke wijze waarop zij aansluit bij de opvoedingsbehoeften van [minderjarige], sprake van een sterk verantwoordelijkheidsgevoel dat vertrouwen geeft in haar inzet met betrekking tot de opvoeding van [minderjarige].

[minderjarige] zal, in het geval van plaatsing bij [A], opgroeien binnen het netwerk en op een plek waar ouders mee instemmen. De geconstateerde risico’s van rolverwarring bij [A] en haar slechte samenwerking met de stichting roepen vragen op over haar begeleidbaarheid. Systeemtherapie wordt geadviseerd ter verduidelijking van de rollen van de ouders en [A] in relatie tot elkaar en [minderjarige]. Verwacht wordt dat betrokkenen gebaat zijn bij de kaders en duidelijkheid die hiermee geschapen worden. Het gebrek aan steun van zowel de ouders als [A] is een contra-indicatie voor continuering van het verblijf van [minderjarige] in de huidige gezinswoonvorm, omdat daardoor de emotionele steun voor [minderjarige] om zich daar te hechten ontbreekt.

De pedagogische mogelijkheden van [B] zijn onvoldoende om [minderjarige] structureel na school op te vangen. Voor de door [A] gemelde mogelijkheid dat [minderjarige] dezelfde naschoolse opvang als haar klasgenoten kan bezoeken, bestaat daarom de voorkeur.

2.6

Het hof oordeelt als volgt. Met het verrichte onderzoek, zie het onderzoeksverslag van het NIFP, zoals samengevat onder 2.5, is duidelijk geworden dat [A] over voldoende pedagogische en affectieve kwaliteiten beschikt om de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Het hof acht het, gelet op al het voorgaande, in het belang van [minderjarige] dat zij zal worden geplaatst in het gezin van [A]. Het hof verwacht van de stichting dat zij haar verzet tegen die overplaatsing zal staken, volledige medewerking aan die overplaatsing zal verlenen en, zoals door de stichting bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 13 mei 2014 is toegezegd, zal zorgdragen voor het voor de plaatsing van [minderjarige] bij [A] benodigde indicatiebesluit, uiterlijk binnen vier weken na heden. Gelet op de huidige, niet optimale verstandhouding tussen de gezinsvoogd enerzijds en de ouders en [A] anderzijds, geeft het hof de stichting in overweging om in het belang van [minderjarige] en voor een goede start van de nieuwe situatie een nieuwe gezinsvoogd aan te stellen, die in overleg met de pleegzorginstantie, ouders en [A] de plaatsing van [minderjarige] begeleidt. De stichting dient voorts systeemtherapie in te zetten om ouders, [A] en de gezinsvoogd te begeleiden teneinde ieders rol en verantwoordelijkheid ten opzichte van elkaar duidelijk te krijgen. [minderjarige] kan vanaf heden tot het moment dat de plaatsing bij [A] is gerealiseerd (in ieder geval) elk weekend van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij [A] verblijven. Het hof acht het voorts in het belang van [minderjarige], zoals ook door [A] tijdens de mondelinge behandeling van 13 mei 2014 is verklaard, dat zij dezelfde school en naschoolse opvang zal blijven bezoeken.

2.7

Het voorgaande neemt echter niet weg dat het hof van oordeel is dat de bij de bestreden beschikking van 16 september 2013 en de beschikking van 13 december 2013 verlengde machtigingen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een AWBZ-voorziening verlengd tot 18 december 2013 in stand dienen te blijven. De verlenging, bij de laatste beschikking tot 18 september 2014, was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Vast staat dat de ouders niet voldoende in staat zijn en waren tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] en dat onduidelijkheid bestond over de vraag of de door ouders gewenste plaatsing bij [A] in plaats van de gezinswoonvorm van Zonnehuizen in Driebergen mogelijk en in het belang van [minderjarige] was. Het hof heeft de behandeling van de zaak verschillende malen aangehouden teneinde de stichting daarnaar onderzoek te (doen) laten verrichten. Eerst op 8 september 2014 was het onderzoek afgerond, dat vervolgens op 10 september 2014 bij het hof is ingekomen. Gelet op de omstandigheid dat het onderzoek eerst op die datum beschikbaar is gekomen, waarna partijen zich nog moesten uitlaten over een nadere mondelinge behandeling, acht het hof de verleende machtigingen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot (laatstelijk) 18 september 2014 noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en zal het hof de bestreden beschikkingen bekrachtigen.

2.8

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikkingen van 16 september 2013 en 13 december 2013 bekrachtigen.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 september 2013, hersteld bij beschikking van 12 december 2013;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 december 2013.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.H. Schulten, H.L. van der Beek en A. Roelvink-Verhoeff, bijgestaan door mr. G.E.M. Bours als griffier, en is op 18 december 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.