Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9836

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
200.117.691-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Vordering van werknemer tot vergoeding van schade wegens schending re-integratieverplichtingen en ander slecht werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1085
AR 2014/991

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.117.691/01

(zaaknummer rechtbank Assen 324886 CV EXPL 11-4692)

arrest van de eerste kamer van 16 december 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.A. Severijn, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

Stichting Het Juridisch Loket,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: HJL,

advocaat: mr. S.M.G. Weitjens, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 8 augustus 2012 van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 november 2012,

- de memorie van grieven, tevens akte wijziging eis,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De gewijzigde vordering van [appellant] luidt:

"het vonnis (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. HJL te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van netto € 2.500,- uit hoofde van schadevergoeding wegens schending van de artikelen 7:658a en 7:611 BW;

II. HJL te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van bruto € 5.069,34 bruto uit hoofde van de niet-genoten vakantiedagen na einde dienstverband;

III. HJL te veroordelen tot betaling aan [appellant] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% over het onder II. verschuldigde bedrag;

IV. HJL te veroordelen tot betaling aan [appellant] van de wettelijke rente over de onder I. t/m III. verschuldigde bedragen, vanaf de dag dat deze bedragen opeisbaar zijn, tot aan de datum van voldoening;

V. HJL te veroordelen tot betaling aan [appellant] van de kosten van het geding in eerste aanleg en de kosten van het geding in hoger beroep en HJL tevens te veroordelen tot terugbetaling aan [appellant] van de door hem aan het HJL betaalde proceskosten in eerste aanleg ad € 600,-."

3 De feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.2 tot en met 2.9 van genoemd vonnis is geen grief gericht. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, komen neer op het volgende.

3.2

[appellant], geboren op [geboortedatum], is op [in] 1986 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) HJL. Vanwege het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd is de arbeidsovereenkomst met ingang van [in] 2011 geëindigd. Op de arbeidsovereenkomst was de cao Rechtsbijstand van toepassing.

3.3

De functie van [appellant] was die van senior juridisch medewerker in de vestiging [plaats] en de arbeidsomvang bedroeg 36 uur per week, waarbij [appellant] vier dagen per week werkte. Voor de ‘seniortaken’, die onder meer inhielden dat hij stagiaires en nieuwe medewerkers moest begeleiden en voor deskundigheids- en kwaliteitsbevordering moest zorgdragen, stonden vier van de 36 uur; de overige 32 uur waren bestemd voor de gewone werkzaamheden als juridisch medewerker.

3.4

In 2000 is bij [appellant] de ziekte MS geconstateerd. Vanaf 2007 is hij door deze ziekte vaak en langdurig uitvallen. In 2007 was dat, verspreid over het jaar, 15 weken, inclusief halve dagen werken in de periode van juli tot oktober.

Nadat [appellant] zes weken ziek was geweest heeft HJL in juni 2007 laten weten voorstander te zijn van geleidelijke opbouw in uren waarbij [appellant] niet de seniortaken zou uitvoeren maar wel zijn volledige salaris zou behouden. Omdat [appellant] na enige tijd weer volledig wilde werken heeft hij een deskundigenoordeel gevraagd. Het op 3 oktober 2007 verkregen

oordeel luidde dat [appellant] per 11 september 2007 volledig arbeidsgeschikt was voor zijn eigen werk. Vanaf oktober 2007 is [appellant] op eigen verzoek weer 100% ingezet in zijn eigen functie. Tot 7 januari 2008 is hij af en toe enkele dagen uitgevallen.

3.5

In 2008 was [appellant] vrijwel het gehele jaar ziek (van 7 januari tot 28 december) zonder re-integratiemogelijkheden. De bedrijfsarts schreef op 18 september 2008:

Betrokkene ervaart, ondanks zijn nu volledige ziekmelding, de afgelopen periode geen duidelijke vermindering van de klachten. Vooral de vermoeidheid staat hierbij op de voorgrond, hij kan zich wel tot enige werkzaamheden zetten, maar moet dan ondanks zijn wil en enthousiasme na ongeveer 30 minuten afhaken (…)maar het lijkt wel steeds duidelijk dat de hervatting in zijn eigen werk geen reële optie meer is (bijstelling van de probleemanalyse). In ons gesprek heb ik de mogelijkheid voor een vervroegde WIA-uitkering in overweging gegeven.”

3.6

Op 9 december 2008 is tussen [appellant] en zijn regiomanager [X] de vervroegde WIA ter sprake gebracht evenals de mogelijkheid om te kiezen voor de OBU-regeling. Voor die regeling had [appellant] geen belangstelling in verband met inkomensteruggang en een lager ouderdomspensioen.

Een week voordat sprake zou zijn van een jaar arbeidsongeschiktheid liet [appellant] weten dat zijn vermoeidheid geheel over was en dat hij op 29 december 2008 zijn werk volledig kon hervatten. Vervangend bedrijfsarts [Y] was het daar aanvankelijk mee eens maar adviseerde bij brief van 31 december 2008 gelet op de voorgeschiedenis om op 6 januari 2009 een plan van aanpak te maken met als uitgangspunt een mogelijk beperkt inspanningsvermogen, stapsgewijze werkhervatting van 2 tot 4 uur per dag en herbeoordeling door de bedrijfsarts begin februari 2008.

3.7

Op 26 januari 2009 heeft [X] de met [appellant] gemaakte afspraken schriftelijk bevestigd per e-mailbericht, waarin onder meer staat:

“Met ingang van 2 februari aanstaande ga je weer voor 8 uur per dag aan het werk. Je wordt niet volledig hersteld gemeld maar blijft voor één uur per dag als ziek geregistreerd staan. Dit laatste omdat ik van mening ben dat het niet verstandig is wanneer je de seniortaken nu ook al gaat uitvoeren. Ik ben van mening dat jouw situatie nog onvoldoende stabiel is om nu al volledig je oude functie weer op te pakken. Het afbreukrisico voor de organisatie is te groot. Ik heb hieromtrent contact met de bedrijfsarts gehad (…).”

Bedrijfsarts [Z] heeft op 11 februari 2009 gerapporteerd:

“Gezien twijfel aan de duurzaamheid van het herstel wordt betrokkene nog gedeeltelijk ziek gehouden. Gezien de ervaringen met het UWV is dit maximaal haalbaar gedurende ca 3 maanden. Indien betrokkene in de tussentijd niet opnieuw ziek is geworden dient betrokkene hersteld te worden gemeld. Betrokkene is het hier niet mee eens (…).”

[appellant] heeft een deskundigenoordeel gevraagd bij het UWV, dat op 23 februari 2009 werd toegestuurd en luidde dat [appellant] op 29 december 2008 zijn eigen werk kon doen. HJL heeft [appellant] echter niet met de seniortaken belast.

Bij brief van 16 juli 2009 heeft de gemachtigde van [appellant] enerzijds laten weten dat [appellant] aanspraak maakte op volledige tewerkstelling als senior juridisch medewerker, en anderzijds kenbaar gemaakt dat [appellant] wilde praten over afkoop van het dienstverband waarbij hij volledig gecompenseerd wilde worden voor inkomensteruggang en pensioennadeel. HJL wenste geen afwijking van de OBU-regeling in het voordeel van [appellant], waarna partijen nog hebben onderhandeld over de hoogte van een vergoeding bij beëindiging van het dienstverband, hetgeen niet tot resultaat heeft geleid.

Vervolgens is [appellant] op eigen verzoek vanaf half september 2009 zijn eigen functie weer voor 100% gaan uitoefenen, waarbij hij maandelijks één tot drie dagen uitviel.

3.8

Op 5 april 2010 viel [appellant] weer volledig uit tot 7 september 2010. In die periode heeft hij slechts enkele weken, van eind april tot begin juni, beperkte re-integratieactiviteiten (2 uur per week) kunnen verrichten. In juli en augustus 2010 hebben partijen intensief onderhandeld over vrijstelling van werk tot pensioendatum met loondoorbetaling conform art. 14 van de toepasselijke cao waarbij bij ziekte een langzame afbouw van salaris plaatsvindt en het afbouwpercentage afhankelijk is van het verrichten van re-integratiewerkzaamheden. Ook deze onderhandelingen mislukten.

[appellant] liet weten zich in september hersteld te melden en verscheen op 7 september 2010 voor 2 uur op zijn werk. Die dag heeft HJL [appellant] op non actief gesteld tot zijn pensioendatum met behoud van salaris conform cao. Voorts werd [appellant] meegedeeld dat hij geacht werd zijn nog op te bouwen vakantiedagen ook tijdens de non-actiefstelling op te nemen.

[appellant] heeft daarop per e-mailbericht van 14 september 2010 laten weten:

“Mijn allereerste keuze is om gewoon aan het werk te blijven. Daartoe ben ik bereid en in staat. Maar zo langzamerhand begrijp ik wel, dat het Juridisch loket mij niet meer wil zien. Ik accepteer daarom de op non-actiefstelling tot 13-6-2011.

Maar, omdat ik bereid en in staat ben om mijn werk te doen, heb ik er recht op, dat mijn arbeidsovereenkomst voor het overige volledig nageleefd wordt, dat je mij mijn salaris volledig voor 100% doorbetaalt tot het einde van het dienstverband en dat de opbouw van mijn vakantiedagen volledig blijft doorgaan. Tevens moet de Cao volledig op mij worden toegepast.”

De gemachtigde van HJL heeft daarop bij brief van 30 september 2010 als volgt gereageerd:

“(…) uit de beschikbare informatie volgt dat u geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt bent. Cliënt handhaaft derhalve de aan u meegedeelde uitbetaling van salaris conform artikel 14 CAO in geval van arbeidsongeschiktheid met gedeeltelijke arbeidsparticipatie. Dat is gezien de situatie van de laatste maanden waarin u volledig arbeidsongeschikt bent zònder arbeidsparticipatie, reeds een zeer gunstige regeling. Verder geeft u aan niet akkoord te gaan met de mededeling van cliënte dat u geacht wordt tijdens de non-actiefstelling de

tijdens de non-actiefstelling opgebouwde vakantiedagen op te nemen. Derhalve gaat cliënte er toe over conform de wet en art 12 lid 5 van de CAO de opname van uw vakantiedagen vast te stellen. Zijdens cliënte stel ik u hierbij in de gelegenheid uiterlijk per 15 oktober a.s. aan te geven welke dagen u tijdens de non-actiefstelling op te bouwen vakantiedagen tijdens de non-actiefstelling wilt opnemen. Na die datum zal cliënte de tijdstippen van opnamen van de vakantiedagen vaststellen en wordt u hierover bericht.”

3.9

Op 15 september 2010, tijdens de non actiefstelling, heeft [appellant] een deskundigenadvies van UWV gevraagd. Op 4 oktober 2010 heeft UWV geoordeeld dat [appellant] zijn eigen werk op 7 september 2010 kon doen.

3.10

In juli 2011 heeft HJL een eindafrekening naar [appellant] gestuurd en in augustus 2011, op verzoek van [appellant], een berekening van de uitbetaalde niet-genoten vakantie-uren, die waren opgebouwd voor de non-actiefstelling. Tegen die berekening heeft [appellant] tot het moment waarop hij zijn memorie van grieven indiende geen bezwaar gemaakt.

4 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, na vermindering van eis bij repliek betaling gevorderd van € 5.893,63 bruto voor opgebouwde vakantie-uren tijdens de non actiefstelling die zonder overleg van zijn tegoed zijn afgeschreven en voorts immateriële schadevergoeding, op te maken bij staat, wegens -kort gezegd- slecht werkgeverschap.

4.2

De kantonrechter heeft met betrekking tot de vergoeding voor vakantiedagen overwogen dat HJL op grond van de wet en art. 12 van de cao de vakantiedagen mocht vaststellen nadat [appellant] geen gebruik had gemaakt van de geboden gelegenheid zelf aan te geven wanneer hij die dagen voor het einde van de arbeidsovereenkomst wilde opnemen.

4.3

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de kantonrechter overwogen dat in de gedingstukken geen bevestiging is gevonden voor de aan HJL gemaakte verwijten, dat niet is gebleken dat [appellant] is belemmerd in zijn re-integratie of arbeidsongeschikt is gehouden tegen de adviezen van de bedrijfsarts in. Naar aanleiding van het verwijt dat HJL [appellant] enige tijd niet heeft willen belasten met zijn seniortaken heeft de kantonrechter overwogen dat HJL niet alleen rekening moest houden met de beperkingen van [appellant] vanwege diens chronische ziekte met frequent langdurige uitval, maar ook met de goede bedrijfsvoering en continuïteit. Voor de seniortaken is het essentieel om volledig op de hoogte te zijn van de laatste ontwikkelingen op juridisch gebied, alsmede binnen het bedrijf, de vestiging en met betrekking tot de persoonlijke ontwikkeling van de medewerkers op de vestiging, aldus de kantonrechter. Mede om die reden was het volgens de kantonrechter niet reëel van [appellant] dat hij voor september 2009 zijn seniortaken opeiste.

Daarbij kreeg [appellant] zijn salaris als senior juridisch medewerker onverkort uitbetaald, aldus de kantonrechter.

4.4

De kantonrechter heeft alle vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

Tegen de wijziging van eis bij memorie van grieven heeft HJL geen bezwaar gemaakt. Het hof heeft ook ambtshalve geen reden om deze wijziging ontoelaatbaar te achten, nu zij tijdig is gedaan en er geen reden is om deze wijziging in strijd met de goede procesorde te achten.

Er zal daarom recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

5.2

Het hof ziet aanleiding eerst grief IV te behandelen. Deze richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat HJL de vanaf 7 september 2010 tot de pensioenleeftijd op te bouwen vakantiedagen mocht vaststellen.

In de toelichting op zijn grief voert [appellant] aan dat HJL op grond van art. 12 lid 5 van de toepasselijke cao eerst na overleg met hem de vakantieperiodes mocht vaststellen, en dat niet is gebleken dat dit overleg heeft plaatsgevonden.

Het hof verwerpt deze grief. In de onder 3.8 geciteerde brief aan [appellant] van 30 september 2010 is [appellant] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 15 oktober van dat jaar op te geven wanneer hij vakantie zou willen opnemen, bij gebreke waarvan HJL de vakantiedagen zou vaststellen. [appellant] heeft van de geboden gelegenheid om zijn voorkeur op te geven kennelijk geen gebruik gemaakt. Daarmee heeft hij van zijn kant geen invulling gegeven aan het overleg dat vooraf moet gaan aan de eenzijdige vaststelling door de werkgever en dat komt voor zijn rekening.

[appellant] heeft voorts nog aangevoerd dat HJL niet tot eenzijdige vaststelling mocht overgaan omdat hij op non-actief was gesteld, waarvoor hij ter onderbouwing heeft gewezen op het in JAR 2003/91 gepubliceerde arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2003: AF3057). Dit arrest gaat evenwel over de vraag of een op non-actief gestelde of geschorste werknemer recht heeft op loon, welke vraag hier niet aan de orde is.

In zoverre is de grief ongegrond.

In het slot van zijn toelichting op deze grief voert [appellant] nog aan dat de berekening van vakantiedagen over 2010 niet correct is geweest, zodat hij, zo begrijpt het hof, per saldo nog recht heeft op nabetaling over 8,7 uur niet-genoten vakantie. Volgens HJL is die berekening niet juist en zij verwijst naar haar in eerste aanleg overgelegde overzicht van openstaande vakantiedagen vóór de periode van non-activiteit. Het hof ziet daarin een overzicht tot en met 31 augustus 2010 en niet tot 7 september 2010. Omdat HJL aldus de stelling van [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zal het hof [appellant] op dit punt in het gelijk stellen.

Dat betekent, volgens de eigen opgave van [appellant], dat hij recht heeft op nabetaling van 7,9 maal het bruto uurloon van € 28,21 ofwel € 222,86 bruto. Het hof zal dit bedrag toewijzen. Voor wettelijke verhoging over dit bedrag ziet het hof, mede gelet op het feit dat [appellant] pas in hoger beroep is opgekomen tegen de eindafrekening op dit punt, geen reden.

De wettelijke rente over genoemd bedrag zal worden toegewezen vanaf de datum waarop de memorie van grieven is genomen, nu van eerdere ingebrekestelling, laat staan van verzuim, niet is gebleken.

5.3

Met grief III komt [appellant] op tegen de afwijzing van zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade, welke schade hij thans heeft gesteld op € 2.500,- en grondt op schending van art. 7:658a en art. 7:611 BW. Met de grieven I en II komt hij op tegen overwegingen waarmee de kantonrechter tot afwijzing van immateriële schadevergoeding is gekomen. Het hof zal deze grieven tezamen bespreken.

5.4

[appellant] heeft de klachten over de wijze waarop hij door HJL is behandeld, en die zijns inziens een vergoeding rechtvaardigen, in hoger beroep opgesomd onder randnummer 4.3.2 in zijn memorie van grieven. Het hof groepeert deze klachten als volgt:

a. a) ten onrechte werd [appellant] niet al begin 2009 in staat gesteld de seniortaken uit te voeren;

b) ten onrechte werd [appellant] pas per 1 september 2009 hersteld gemeld en werd geen gebruik gemaakt van mediation;

c) HJL had na de ziekmelding op 27 april 2010 de bedrijfsarts moeten inschakelen en is ten onrechte geen re-integratietraject gestart;

d) HJL heeft [appellant] op 7 september 2010 ten onrechte geschorst en niet voor een passend afscheid althans een mogelijkheid tot afscheid nemen van collega’s gezorgd.

5.5

ad a) Herstel en de seniortaken begin 2009

In zijn toelichting op grief I wijst [appellant] erop dat de voor de seniortaken noodzakelijke kennis van de laatste ontwikkelingen (welk argument de kantonrechter gebruikte bij de weging van het door HJL ingeroepen belang bij continuïteit) ook het belang onderstreept van [appellant] bij een zo kort mogelijke onderbreking in de uitoefening van deze taken.

Op zichzelf is dit argument juist. Daarmee is echter niet gegeven dat het belang van [appellant] bij ogenblikkelijke hervatting van de seniortaken na een korte of langere periode van ziekte zwaarder weegt dan het bedrijfsbelang van HJL in het algemeen en haar taak om als goed werkgeefster te handelen. Zowel het bedrijfsbelang als die taak kunnen meebrengen dat [appellant] juist niet (terstond) belast wordt met die seniortaken na een periode van arbeidsongeschiktheid.

Het hof is, ook als veronderstellenderwijze zou worden uitgegaan van een volledig herstel van [appellant] begin 2009, van oordeel dat HJL tegen de achtergrond van de feiten in de overwegingen 3.4 tot en met 3.6, waaronder de volledige arbeidsongeschiktheid gedurende vrijwel het gehele jaar 2008, alsmede gelet op de door bedrijfsarts [Z] geuite twijfel over de duurzaamheid van het herstel (zie overweging 3.7), als goed werkgeefster heeft gehandeld door [appellant] niet begin 2009 de seniortaken te laten verrichten. Een na langdurige ziekte terugkerende werknemer behoort niet meteen ten volle belast te worden, en gesteld noch gebleken is dat [appellant] de kennis- en informatieachterstand, die hij tijdens zijn langdurige afwezigheid op het werk moet hebben opgelopen, in zeer korte tijd weer kon inlopen zonder noemenswaardige inspanningen.

Los van het voorgaande is het hof van oordeel dat ook het bedrijfsbelang van HJL bij handhaving van de status quo voor wat betreft de uitvoering van de seniortaken begin 2009 zwaarder mocht wegen dan het belang van [appellant] bij ogenblikkelijke toelating tot zijn deeltaak als senior, zulks gedurende de tijd die redelijkerwijze nodig was om te bezien of de gezondheidssituatie van [appellant], gelet op zijn chronische ziekte, stabiel genoeg was om te kunnen vertrouwen op een adequate uitvoering van die taken. De kantonrechter heeft er in zijn vonnis ook, en naar het oordeel van het hof terecht, op gewezen dat HJL genoodzaakt is geweest steeds vervanging voor de functie van [appellant] te regelen om de continuïteit op de vestiging [plaats] te waarborgen.

5.6

ad b) Te late melding van herstel in 2009, geen mediation

[appellant] voert aan dat hij volgens het UWV en aanvankelijk ook bedrijfsarts [Y] per 29 december 2008 volledig geschikt was voor zijn eigen werk, dat hij volgens de Arbo Unie in ieder geval 3 maanden na 2 februari 2009 volledig hersteld gemeld had moeten worden en dat HJL hem eerst na interventie van zijn advocaat per 1 september 2009 hersteld heeft gemeld.

HJL heeft hier, naar het oordeel van het hof: terecht, tegenover gesteld dat het advies van UWV niet bindend is, zoals daarin ook staat, dat [Y] de eigen bedrijfsarts tijdens de kerstperiode verving en dat diens oordeel kort daarna werd genuanceerd, waarna bedrijfsarts [Z] een geleidelijke opbouw adviseerde. Volgens HJL heeft zij als werkgeefster een eigen verantwoordelijkheid bij re-integratie.

[appellant] heeft niet toegelicht waarom HJL tot inschakeling van een mediator had moeten overgaan.

Het hof constateert dat onduidelijk is gebleven waarom HJL [appellant] niet, in lijn met het advies van [Z], per 2 mei 2009 hersteld heeft gemeld. De kantonrechter heeft HJL gevolgd in haar stelling dat er een andersluidende afspraak was gemaakt tussen partijen, maar [appellant] heeft dat in eerste aanleg betwist, hetgeen hij ook nogal impliciet doet onder punt 3.8 van zijn memorie van grieven (en wel zo verdekt dat het hof daarin geen grief heeft gelezen). Anders echter dan [appellant] lijkt te veronderstellen, behoefde een melding van zijn herstel in de omstandigheden van dit geval niet zonder meer tot gevolg te hebben dat [appellant] dan weer terstond aanspraak kon maken op zijn seniortaken gedurende vier uur per week. Het feit dat hij tussen zijn ziekteperiode in 2007 en de aanvang van het ziektejaar in 2008 binnen enkele maanden geheel en voor lange tijd uitviel, gaf HJL alle aanleiding voor voorzichtigheid, zulks in beider belang.

Van het tijdsverloop tussen 16 juli 2009 en de melding van herstel kan HJL geen ernstig verwijt worden gemaakt, nu partijen op initiatief van [appellant] na de brief van die 16e juli zijn gaan onderhandelen over een afkoop van het dienstverband. Eerst na het mislukken daarvan kwam het voortzetten van de arbeidsovereenkomst, en daarmee het herstel en de inhoud van het werk van [appellant] weer in beeld.

5.7

ad c) Bedrijfsarts noch re-integratie in ziekteperiode 2010

Het hof kan het verwijt van [appellant] niet plaatsen. HJL heeft zijn ziekmelding geaccepteerd en hem, zoals uit de vaststaande feiten blijkt, gedurende de paar weken dat hij daartoe in staat was, re-integratiewerkzaamheden laten verrichten. [appellant] heeft niet aangevoerd dat hij behoefte had aan (nader) overleg met de bedrijfsarts maar daartoe geen gelegenheid kreeg.

Vast staat ook dat partijen weer zijn gaan onderhandelen over een regeling waarbij [appellant] van werk zou worden vrijgesteld tot zijn pensioendatum, een klein jaar later. Het hof is van oordeel dat het in die situatie begrijpelijk is dat geen van beide partijen belang leek te hechten aan een strak gecontroleerd re-integratieplan.

5.8

ad d) Schorsing en afscheid van collega’s

Het hof stelt voorop dat [appellant] niet is geschorst, maar op non-actief is gesteld nadat zowel medio 2009 als medio 2010 vergeefs is onderhandeld over de voorwaarden waaronder [appellant] zijn werkzaamheden zou beëindigen. Van een disciplinaire maatregel was geen sprake. [appellant] heeft de op non-actiefstelling ook geaccepteerd.

In eerste aanleg heeft HJL als reden voor deze maatregel opgegeven dat inmiddels een onwerkbare situatie was ontstaan omdat [appellant] steeds na langdurige uitval zijn seniortaken opeiste, terwijl de voor die taken noodzakelijke consistentie niet kon worden gewaarborgd. Bovendien kon [appellant] zich ook regelmatig niet vinden in het beleid van de vestigingsmanager, hetgeen voor spanningen op de vestiging zorgde. [appellant] herkent zich niet in de beschuldigingen en verwijt de vestigingsmanager dat deze voor spanningen zorgde, zo liet hij bij repliek in eerste aanleg weten.

Wat van het voorgaande ook zij, het hof kan billijken dat HJL aan de spanningen een einde heeft gemaakt door de op non-actiefstelling waarbij [appellant], zoals de kantonrechter heeft geconstateerd, tot aan zijn pensionering zijn (hogere) salaris als senior juridisch medewerker is blijven ontvangen. Het is het hof niet gebleken dat HJL aldus in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen als goed werkgever.

Met zijn weigering om mee te werken aan het inplannen van zijn nog op te bouwen vakantiedagen en met de eis dat deze vakantiedagen zouden worden uitbetaald na zijn pensionering, heeft [appellant] in het laatste jaar voor zijn pensionering stof voor een nieuw conflict met zijn werkgeefster opgeworpen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet aan HJL worden verweten dat zij niet spontaan, eigener beweging, een afscheidsbijeenkomst voor [appellant] heeft georganiseerd. [appellant] heeft voorts niet aangevoerd dat hij daar wel om heeft gevraagd.

5.9

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is [appellant] er niet in geslaagd duidelijk te maken dat HJL verplichtingen van goed werkgeverschap, ook in het kader van re-integratie, heeft geschonden. De grieven I tot en met III worden verworpen.

5.10

Nu alleen grief IV op een uiterst gering onderdeel tot een ander oordeel dan dat van de kantonrechter leidt, is [appellant] terecht als de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Grief V, gericht tegen die proceskostenveroordeling, is ongegrond.

Het hof zal het vonnis van de kantonrechter vernietigen behoudens voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, alsnog € 222,86 bruto toewijzen voor te weinig uitbetaalde vakantiedagen en de vorderingen voor het overige afwijzen, met veroordeling van [appellant], als grotendeels in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het hoger beroep (salaris advocaat volgens liquidatietarief 1 punt, tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Emmen van 8 augustus 2012, behoudens voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld in de proceskosten, en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt HJL tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 222,86 bruto wegens te weinig betaalde vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen over 2010, met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 januari 2014 tot voldoening;

wijst de vorderingen van [appellant] af voor het overige;

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Emmen van 8 augustus 2012 ten aanzien van de proceskostenveroordeling;

veroordeelt [appellant] in de kosten van hoger beroep, vastgesteld op € 984,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 666,- voor verschotten;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. L. Groefsema en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 16 december 2014.