Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:981

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
200.120.976-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vakbond wenst uitleg van een door haar gesloten principeakkoord waarbij wordt afgeweken van een CAO-bepaling. Vraag of die afwijking is overeengekomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/83
AR-Updates.nl 2014-0149
NJF 2014/79
JAR 2014/83

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.120.976/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 385396/CV EXPL 12-1204)

arrest van de eerste kamer van 11 februari 2014

in de zaak van

FNV Bondgenoten,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: FNV Bondgenoten,

advocaat: mr. M.A.C. Vijn, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

Van Nelle Tabak Nederland B.V., h.o.d.n. Imperial Tobacco Joure,

gevestigd te Joure,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ITG,

advocaat: mr.drs. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 8 oktober 2013 hier over, met dien verstande dat in de kop ITJ gelezen moet worden als ITG.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

FNV Bondgenoten heeft zich bij akte na tussenarrest uitgelaten over de aan haar gestelde vraag en ITG heeft daarop bij antwoordakte gereageerd.

1.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De ontvankelijkheid

2.1

FNV Bondgenoten heeft bij akte toegelicht dat zij nog steeds belang heeft bij de gevorderde beslissingen. Weliswaar heeft ITG gedurende de looptijd van de CAO 2010-2013, tot en met maart 2013, de werknemers met een IT-toeslag jaarlijks met een bedrag ineens gecompenseerd voor de verrekening, maar vanaf april 2013 wordt deze compensatie niet meer voldaan. Er is nog geen nieuwe CAO rond, omdat op onderdelen discussie plaatsvindt. In het nieuwe principeakkoord over een CAO voor de periode van 1 april 2013 tot 1 april 2014 is het onderhavige geschilpunt buiten de besprekingen gebleven in afwachting van de uitspraak van de rechter.

2.2

In haar antwoordakte heeft ITG zulks niet weersproken. Zij heeft volstaan met herhaling van haar, ook bij memorie van antwoord gevoerde, verweer dat FNV Bondgenoten geen belang heeft in de zin van art. 3:302 en 303 BW.

2.3

Het hof is van oordeel dat FNV Bondgenoten voldoende heeft onderbouwd dat zij nog steeds belang heeft bij haar vorderingen. Voorts ziet het hof niet in waarom FNV Bondgenoten, nota bene contractspartij bij de principeakkoorden en de CAO, ter zake van de uitleg van die overeenkomsten -hetgeen overigens een inhoudelijke beoordeling vergt-geen onmiddellijk belanghebbende zou zijn, zoals ITG beweert.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.

3 De beoordeling van het inhoudelijke geschil

3.1

Vordering sub II luidt:

"te verklaren voor recht dat in elk geval in de bepaling in het Principeakkoord onder 2, onder het kopje loonsverhoging, is overeengekomen dat zowel de verhoging van de salarisschalen met een % per de verschillende data, als de verhoging van de salarisschalen

1 t/m 6 met een extra periodiek als ook de verhoging van het schaalmaximum voor de salarisschalen 7 t/m 12 voor iedereen is overeengekomen zonder dat afbouw/verrekening van de persoonlijke en of individuele toeslagen met de extra periodiek en of de verhoging van het maximum schaalsalaris plaats zal vinden".

3.2

Volgens FNV Bondgenoten heeft de kantonrechter ten onrechte deze vordering, en in het kielzog daarvan de vorderingen sub IV en V afgewezen. Het gaat haar daarbij niet om de gefaseerde loonsverhoging (die niet wordt verrekend), maar om de periodieke ophoging van de salarisschalen 1 tot en met 6 en de periodieke verhoging van het maximum schaalsalaris in de schalen 7 tot en met 12, aldus FNV Bondgenoten in haar inleiding op haar grieven.

Het hof begrijpt dat met de woorden "de verhoging van de salarisschalen met een % per de verschillende data" in vordering sub II bedoeld is: de gefaseerde loonsverhoging, en dat partijen op dat punt geen geschil hebben, nu deze algemene loonsverhoging niet tot afbouw van toeslagen leidt. In zoverre heeft FNV Bondgenoten dan ook geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht.

3.3

FNV Bondgenoten legt zich neer bij het oordeel van de kantonrechter dat de toevoeging van een extra periodiek aan de eerste zes salarisschalen en de ophoging van het salarismaximum in de schalen 7 tot en met 12 gekwalificeerd moet worden als een structuurwijziging van een salarisschaal, zoals bedoeld in art. 16 B onder 4.3 van de CAO. Dat betekent dat ITG in beginsel, in voorkomende gevallen, op grond van de tekst van de CAO gerechtigd is zowel de individuele als de persoonlijke toeslagen (IT respectievelijk PT) met deze verhoging te verrekenen. Hoewel FNV Bondgenoten in haar onder 2.1 bedoelde akte alleen melding maakt van de tijdelijke coulance van ITG ten aanzien van de IT, is in het tussenarrest onder 3.10 als feit vastgesteld dat die tijdelijke coulance ook betracht is ten aanzien van de PT.

3.4

FNV Bondgenoten stelt zich echter op het standpunt dat ITG niet het recht heeft om zich met betrekking tot de extra periodiek of ophoging op de door de CAO toegelaten verrekening te beroepen, omdat partijen anders zijn overeengekomen.

3.5

FNV Bondgenoten stelt daartoe ten eerste dat door de bonden wel naar voren is gebracht dat niet verrekend zou mogen worden (memorie van grieven punt 8), maar zij "kan leven met de conclusie" van de kantonrechter dat verrekening van de extra periodiek geen onderwerp van gesprek met ITG is geweest (punt 9).

Als partijen echter niet met elkaar over verrekening van de periodiek hebben gesproken, ziet het hof niet in op grond waarvan FNV Bondgenoten meent dat tussen partijen is overeengekomen dat ITG geen beroep op art. 16 van de CAO zou doen. Daartoe is immers een wilsverklaring van ITG vereist, waarmee zij afstand deed van haar recht.

Die wilsverklaring kan ook besloten liggen in een gedraging, maar FNV Bondgenoten heeft niet gesteld uit welke concrete gedraging zij heeft afgeleid dat ITG haar recht op verrekening heeft willen prijsgeven en van een zodanige gedraging is ook niet gebleken..

3.6

Het tweede anker waarvoor FNV Bondgenoten is gaan liggen, wordt gevormd door haar stelling dat de bonden zich niet bewust waren van de werking van de bewuste CAO-bepaling (memorie van grieven punt 13), dat ITG hen daarvoor ten onrechte niet heeft gewaarschuwd en dat ITG daarmee haar informatieplicht heeft geschonden (punt 15).

Deze op een beroep op dwaling gebaseerde stellingen worden echter niet gevolgd door een op dwaling toegesneden petitum. FNV Bondgenoten wenst ook geen vernietiging van het akkoord, maar een bepaalde uitleg ervan: toekenning zonder verrekening op basis van art. 16 van de CAO, welke voorwaarde niet in de tekst van het akkoord zelf is opgenomen en waarover partijen, zoals uit het voorgaande volgt, ook niet expliciet hebben onderhandeld.

3.7

De enkele opmerking van vakbondszijde gedurende de onderhandelingen dat alle werknemers de loonsverbetering "in hun portemonnee moeten voelen" en de bevestigende reactie daarop van ITG past bij de uitkomst van de onderhandelingen, waarbij (ook) alle lonen gefaseerd werden verhoogd. Indien FNV Bondgenoten met de aangehaalde opmerking heeft bedoeld dat ook afgezien van die algemene loonsverhoging de "optopping" van het maximum in de hoogste regionen van de schalen geheel en onverkort ten goede zou komen van de werknemers die op enig moment lager zijn ingeschaald met behoud van salaris, dan heeft zij niet duidelijk gemaakt waarom ITG die bedoeling ook heeft moeten begrijpen en waarom zij, FNV Bondgenoten, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ITG geen beroep zou doen op de, voor die bedoeling bedreigende, bepaling in de CAO, waaraan zijzelf, hoewel zij partij is bij die CAO, niet had gedacht. Van FNV Bondgenoten mag worden verwacht dat zij zelf onderzoek doet naar mogelijke obstakels in een eerder door haar met een werkgever afgesloten CAO, wanneer zij met die werkgever gaat onderhandelen over een nieuwe CAO. Op haar wederpartij bij de CAO rust geen "Belehrungspflicht". Anders dan FNV Bondgenoten lijkt te betogen, is er in dit geval ook geen sprake van een voor meer dan één uitleg vatbare bepaling in de principeovereenkomst, die naar partijbedoeling moet worden geduid.

Het onder punt 29 van de memorie van grieven gedane bewijsaanbod "over de door ITG gedane uitlatingen" en "de gang van zaken op 9 juli 2010" ziet niet op concreet te bewijzen stellingen en wordt daarom gepasseerd.

3.8

Uit het voorgaande volgt, dat vordering sub II niet kan worden toegewezen. Daarmee ontvalt ook de grond voor toewijzing van de vordering sub IV en V.

De grieven leiden niet tot vernietiging van het vonnis, voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld. Dat vonnis zal derhalve in zoverre bekrachtigd worden.

3.9

FNV Bondgenoten wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure. Voor afwijking van het liquidatietarief en vergoeding van de werkelijke proceskosten, zoals ITG heeft gevorderd, bestaat naar het oordeel van het hof geen grond. Van misbruik van procesrecht (een evident kansloze procedure) is niet gebleken.

Het hof bepaalt het salaris volgens liquidatietarief op 1 punt, tarief II. Voor de antwoordakte zonder bijzondere inhoud wordt geen half punt toegekend.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, locatie Heerenveen, van 10 oktober 2012 voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld;

veroordeelt FNV Bondgenoten uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ITG vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 683,- voor verschotten;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. M.E.L. Fikkers en mr. L. Groefsema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 februari 2014.