Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:976

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
200.109.869-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling vrije gemeenschap tussen ex echtlieden waarbij er meer schulden dan baten zijn. De man wil een voorschotbetaling door de vrouw m.b.t. schulden waarvoor partijen jegens de schuldeisers hoofdelijk verbonden zijn. Moment waarop de vordering uit onderbedeling ontstaat en verschuldigdheid van wettelijke rente over die vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.109.869/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 86231/HA ZA 11-283)

arrest van de tweede kamer van 11 februari 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. C.C.N. Brens-Cats, kantoorhoudend te Emmen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. Sinnema, kantoorhoudend te Emmen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 20 juli 2011 en 25 april 2012 van de rechtbank Assen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 juli 2012;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord tevens van grieven in incidenteel hoger beroep;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

"Om bij arrest, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 25 april 2012 (zaaknummer/ rolnummer 86231 / HA ZA 11-283), gewezen tussen rekwirante als eiseres en gerekwireerde als gedaagde te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van rekwirante in conventie zoals bij dagvaarding geformuleerd, alsnog toe te wijzen en de vorderingen van gerekwireerde in reconventie, zoals bij de conclusie van antwoord geformuleerd, af te wijzen althans hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van gerekwireerde in de kosten van het geding in beide instanties."

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"In Incidenteel Appel:

Dat het uw Gerechtshof Leeuwarden moge behagen om bij arrest, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 25 april 2012 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen:

  • -

    dat de beleggingsverzekering bij Nationale Nederlanden onder polisnummer [nummer] aan de man wordt toebedeeld;

  • -

    dat de man de schulden bij Interbank, Visa en de belastingdienst als zijn eigen schulden voldoet, onder vrijwaring van de vrouw voor de aansprakelijkheid voor deze schulden;

  • -

    de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 22.687,01, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

  • -

    de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

In Principaal Appel:

De vordering van de vrouw in Hoger beroep af te wijzen."

3 De beoordeling

3.1

De feiten

3.1.1

De rechtbank heeft onder 2 (2.1. t/m 2.5. en 4.7) van het bestreden vonnis van 25 april 2012 een aantal feiten vastgesteld waartegen geen grief is gericht en die ook niet anderszins opnieuw ter discussie zijn gekomen. Samen met hetgeen verder is komen vast te staan gaat het om het volgende.

3.1.2

Partijen zijn [in 2002] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

3.1.3

Bij beschikking van 24 juni 2009 van de rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3.1.4

Op 22 juli 2009 is het huwelijk door inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van [de gemeente] ontbonden.

3.1.5

Het Gerechtshof Leeuwarden heeft, beslissend op een hoger beroep van de vrouw tegen een beschikking van de Rechtbank Assen van 29 september 2010, in zijn beschikking van 6 september 2011 het bedrag vastgesteld dat de man vanaf 29 september 2010 per maand aan de vrouw moet betalen aan kinderalimentatie.

3.1.6

Partijen zijn er niet in geslaagd tot volledige overeenstemming te komen omtrent de scheiding en verdeling van de voormalige huwelijksgemeenschap.

3.1.7

De ontbonden huwelijksgoederengemeenschap omvat de volgende goederen en schulden:


Goederen
a. woning te[plaats]
b. leensverzekering Reaal SNS Bank, polisnummer[nummer]
c. beleggingsverzekering Nationale Nederlanden polisnr [nummer]
d. auto Renault Megane, kenteken [nummer]
e. motor Suzuki, kenteken [nummer]


Schulden
f. lening onder hypotheek bij Bank of Scotland € 196.500,-
g. lening bij Interbank
h. schuld aan Visacard
i. schuld aan Comfort Card
j. schulden aan de belastingdienst

3.2

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.2.1

Partijen hebben in eerste aanleg beiden verzocht hun huwelijksgoederengemeenschap te scheiden en delen op de door hen gevorderde wijze. Daarnaast hebben zij toe- dan wel afwijzing bepleit van andere vorderingen die zij over en weer dan wel jegens de gemeenschap menen te hebben.

3.2.2

De rechtbank heeft als volgt beslist inzake de tussen partijen in conventie en reconventie gerezen geschillen:

1. bepaalt dat de beleggingsverzekering bij Nationale Nederlanden onder polisnummer [nummer] aan de man wordt toegedeeld,


2. bepaalt dat de man de schulden bij Interbank, Visa en de belastingdienst als zijn eigen schulden voldoet, onder vrijwaring van de vrouw voor de aansprakelijkheid voor deze schulden,

3. veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 23.937,01 (drieëntwintig duizendnegenhonderdzevenendertig euro en één eurocent),

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6. wijst het meer of anders gevorderde af.

3.3

De grieven

3.3.1

In het principaal appel zijn twee grieven en in het incidenteel appel is één grief opgeworpen.

3.3.2

In grief 1 in het principaal appel betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de motor bij de verdeling een waarde heeft van € 2.500,- terwijl dit € 5.000,- dient te zijn. De motor is aan [geïntimeerde] toegedeeld zodat [appellante] recht heeft op de helft van € 5.000,-, te weten € 2.500,-. [geïntimeerde] heeft daarop geantwoord dat de grief terecht is opgeworpen en dat [appellante] recht heeft op de helft van € 5.000,-. Grief 1 slaagt.

3.3.3

In grief 2 heeft [appellante] zich verzet tegen de toedeling aan [geïntimeerde] van de schuld aan Interbank onder vrijwaring van [appellante]. Uit de toelichting op de grief volgt dat [appellante] bezwaar heeft tegen de verplichting aan [geïntimeerde] reeds thans het bedrag waarvoor zij draagplichtig is van € 23.937,01 te betalen, daar zij ook na betaling daarvan aan [geïntimeerde] jegens de schuldeisers voor het volle pond aansprakelijk blijft. Daarnaast stelt [appellante] dat zij het genoemde bedrag niet kan betalen of lenen bij gebreke van voldoende inkomsten.

3.3.4

Volgens [geïntimeerde] behoort het "habe nichts"-verweer van [appellante] niet te slagen. Interbank is bereid na betaling van € 23.937,01 [geïntimeerde] als enige schuldenaar aan te merken.

3.3.5

Het hof overweegt het volgende. [appellante] betoogt dat zij niet kan voldoen aan haar betalingsverplichting. Die omstandigheid is echter op zich onvoldoende om de vermogensrechtelijke verhouding tussen partijen anders vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan.

3.3.6

Voorts betoogt [appellante] dat zij na betaling van € 23.937,01 aan [geïntimeerde], jegens de schuldeisers voor het volle bedrag aansprakelijk blijft en (zo begrijpt het hof), het risico loopt nogmaals aan die schuldeisers te moeten betalen.

3.3.7

Het hof overweegt het volgende. Het bedrag van € 23.937,01 is als volgt samengesteld:

a. schuld aan Interbank (€ 56.500,-) € 28.250,-
b. schuld aan Visacard (€ 5.279,01) € 2.639,50
c. schuld aan Comfort Card voldaan €        90,22

€ 30.979,72

toebedeling aan [geïntimeerde] van
beleggingsverzekering, auto en motor €    8.090,76 -/-
€ 22.888,96


d. gemeentelijke belastingen voldaan €       241,27
e. OZB en rioolheffing voldaan €       426,09
f. Lococensus voldaan €         26,34
g. Univé verzekeringen voldaan €       354,31

€  1.048,01

totaal €  23.936,97

De rechtbank noemt door een kennelijke rekenfout een totaal bedrag van € 23.937,01.

3.3.8

Het door [appellante] gevoerde verweer dat zij niet het risico wil lopen nogmaals aan de crediteuren te moeten betalen, snijdt geen hout voor de posten c t/m g nu daarvoor geen sprake meer is van een schuldeiser jegens wie [appellante] na betaling aan [geïntimeerde] aansprakelijk is, in het totaal een bedrag van € 1.138,23. In zoverre faalt grief 2.

3.3.9

Voor wat betreft de schulden aan Interbank en Visacard bestaat inderdaad het risico dat [appellante], nadat zij de helft van die schulden aan [geïntimeerde] heeft betaald, nogmaals tot betaling wordt aangesproken door Interbank en/of Visacard zelf, namelijk als dezen van [geïntimeerde] geen betaling ontvangen. [appellante] is en blijft immers jegens de schuldeisers voor de gehele schuld aansprakelijk. Hoewel [appellante] daarmee een vordering tot terugbetaling jegens [geïntimeerde] zou verkrijgen, schuilt het risico daarin dat [geïntimeerde] niet tot die terugbetaling in staat zou zijn. Aangaande dat laatste heeft [appellante] echter niets gesteld.

3.3.10

Bij hoofdelijk schuldenaren is het risico van betalingsonmacht van één van hen primair bij de andere schuldenaar en niet bij de schuldeiser gelegd. Een “verdeling” van die schuld onder de medeschuldenaren tast die positie van de schuldeiser niet aan maar ziet slechts op de interne draagplicht van de hoofdelijke schuldenaren. [appellante] kan het daaraan verbonden risico van dubbele betaling slechts ondervangen door pas aan [geïntimeerde] te betalen als deze meer dan het deel van de schuld dat hem (in zijn onderlinge verhouding met [appellante]) aangaat aan de schuldeiser heeft betaald.

3.3.11

Het hof gaat uit van een gelijke draagplicht van partijen. Ieder van hen is gehouden voor de helft bij te dragen in de voldoening van de schulden aan Interbank en Visacard. In die zin krijgt ieder van hen de helft van die schulden “toebedeeld”. Indien en zodra een van hen meer dan de helft voldoet aan Interbank en/of Visacard verkrijgt deze op grond van artikel 6:10 BW een regresvordering op de andere schuldenaar (HR 6 april 2012, RvdW 2012, 534, ECLI:NL:HR:2012:BU3784).

3.3.12

Daarop dient, in een situatie als de onderhavige waarin de schulden van de te verdelen gemeenschap per saldo groter zijn dan de baten, niet te worden vooruit gelopen door een van partijen te verplichten het deel waarvoor zij draagplichtig is vóór het ontstaan van diens regresvordering aan de andere partij te betalen, met de afspraak dat laatst genoemde in haar geheel met de schuldeiser afrekent. In zoverre slaagt grief 2.

3.3.13

In de enige grief in het incidenteel appel betoogt [geïntimeerde] dat de rechtbank de door hem gevorderde wettelijke rente over zijn vordering uit onderbedeling niet heeft "meegenomen" in het vonnis.

3.3.14

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Strikt genomen heeft de rechtbank de wettelijke rente niet buiten beschouwing gelaten maar afgewezen onder 6 in het dictum: "wijst het meer of anders gevorderde af".

3.3.15

Die afwijzing is terecht. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom is in art. 6:119 BW geregeld. Deze vergoeding moet worden berekend over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening in verzuim is geweest. Met dit wettelijk stelsel is onverenigbaar dat een gewezen echtgenoot, zonder in verzuim te zijn geraakt, zou zijn gehouden om aan de andere gewezen echtgenoot een rentevergoeding te betalen over een wegens overbedeling verschuldigde geldsom
(HR 8 februari 2013, LJN: BY4279, NJ 2013, 201).

3.3.16

Nu de verdeling pas heeft plaatsgevonden door het vonnis van de rechtbank, kan de schuld uit overbedeling ook pas op dat moment zijn ontstaan. Uit hetgeen [geïntimeerde] heeft gesteld of uit hetgeen overigens is gebleken volgt niet dat [appellante] met betaling van die vordering in verzuim is geraakt. De Hoge Raad overweegt in het genoemde arrest uitdrukkelijk dat de wettelijke rente ook niet op grond van de redelijkheid en billijkheid is verschuldigd. Voor zover [geïntimeerde] in zijn grief verwijst naar de redelijkheid en billijkheid, slaagt zijn betoog derhalve evenmin. Voor toewijzing van de gevorderde wettelijke rente is geen plaats. De grief faalt.

Slotsom

De grieven in het principaal appel slagen en de grief in het incidenteel appel faalt. Om redenen van doelmatigheid zal het hof het bestreden vonnis in zijn geheel vernietigen, zodat in één arrest de gehele verdeling wordt vastgesteld. Die verdeling is als volgt:

a. de echtelijke woning en de bijbehorende hypothecaire geldlening en de levensverzekering bij Reaal SNS Bank blijven buiten de verdeling;


b. de beleggingsverzekering bij Nationale Nederlanden (waarde: 2.681,52), de auto (waarde: € 11.000,-) en de motor (waarde: € 5.000,-) met een totale waarde van € 19.681,52, worden toebedeeld aan [geïntimeerde]. De auto en de motor zijn door de [geïntimeerde] reeds verkocht aan derden;


c. de helft van de onder b. genoemde waarde komt toe aan [appellante], zodat [geïntimeerde] aan [appellante] een bedrag van € 9.840,50 dient te voldoen;


d. voor de schuld aan Interbank (€ 56.500,-) en aan VisaCard ((€ 5.279,01) is ieder der partijen voor de helft draagplichtig;


e. [appellante] is gehouden aan [geïntimeerde] te betalen de helft van de door deze reeds gedane betalingen aan ComfortCard (90,22), voor gemeentelijke belastingen (€ 241,27), OZB en rioolheffing (€ 426,09), loon Census (€ 26,34) en Univé verzekeringen (€ 354,31). Dat is de helft van € 1.048,01, te weten € 524,01. Daarnaast staat in hoger beroep onbestreden vast dat [appellante] aan [geïntimeerde] voor door deze gedane betalingen aan ComfortCard nog een bedrag van € 90,22 verschuldigd is. In totaal dient [appellante] aan [geïntimeerde] daarmee een bedrag van € 614,23 te voldoen.

f. Per saldo dient daarom [geïntimeerde] aan [appellante] een bedrag te betalen van € € 9.840,50 minus € 614,23, te weten € 9.226,27.

Nu het gaat om een geschil tussen voormalig echtgenoten zullen de kosten ook in het hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het bestreden vonnis van 25 april 2012 en opnieuw rechtdoende:

- bepaalt dat de beleggingsverzekering bij Nationale Nederlanden onder polisnummer [nummer] wordt toegedeeld aan [geïntimeerde];


bepaalt dat [geïntimeerde] de schuld bij de belastingdienst als zijn eigen schuld voldoet, onder vrijwaring van de vrouw voor de aansprakelijkheid voor deze schulden;

- bepaalt dat partijen voor de schuld bij Interbank ieder voor de helft, te weten ieder voor een bedrag € 2.639,51 draagplichtig zijn;

- bepaalt dat partijen voor de schuld bij Visacard ieder voor de helft, te weten ieder voor een bedrag € 28.250,- draagplichtig zijn;

- veroordeelt [geïntimeerde] om aan de [appellante] te betalen een bedrag van € 9.226,27 (negen duizendtweehonderdzesentwintig euro en zevenentwintig eurocent);

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten in beide instanties tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.A. Zandbergen, mr. G van Rijssen en A.W. Beversluis en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 februari 2014.