Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9734

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
TBS P14/0145
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het voor de tweede achtereenvolgende keer niet tijdig indienen van vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling niet relevant voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Dragend voor de beslissing van de rechtbank is evenwel dat, hoewel de vordering nog wel binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering is ingediend, géén sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, ondanks het belang van de terbeschikkinggestelde, verlenging van de termijn eist. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de stukken blijkt dat sprake is van een zodanig laag recidiverisico dat deze bijzondere omstandigheden niet aanwezig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

TBS P14/0145

Beslissing d.d. 3 juli 2014

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende te [woonplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland van 7 februari 2014, houdende de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van officier van justitie van 13 februari 2014;

- de appelschriftuur van de officier van justitie, gedateerd 21 februari 2014;

- de aanvullende informatie van Reclassering Nederland van 17 juni 2014.

Het hof heeft ter zitting van 19 juni 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr W. Anker, advocaat te Leeuwarden, en de advocaat-generaal mr G.J. de Haas.

Overwegingen:

Het advies van de reclassering

De reclassering adviseert in het aanvullende advies om de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van één jaar, met wijziging van de voorwaarden. De verplichting tot het innemen van libidoremmende medicatie en de verplichting om zich te houden aan behandelvoorschriften van de behandelaars komen te vervallen. Verder dient de terbeschikkinggestelde mee te werken aan controles van de PC en/of de telefoon en dient de terbeschikkinggestelde een behandeling bij FPP Kairos of een soortgelijke instelling te volgen, ook als dat inhoudt een groepsbehandeling voor zedendaders, een en ander indien, en voor zover en zolang, de reclassering dat nodig acht. Met verlenging van de maatregel kan er verder gewerkt worden aan vermindering van het recidiverisico.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De terbeschikkinggestelde heeft zich ter zitting van het hof op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling kan worden beëindigd. Hij heeft een goede behandeling gehad, intensieve therapieën gevolgd en beschikt thans over veel vrijheden. Er is geen sprake van incidenten en er is slechts zeer beperkt contact met de reclassering. Hij heeft veel aan zijn behandeling gehad en kan zich zelfstandig handhaven in de maatschappij. Dit heeft hij al een geruime tijd laten zien. De terbeschikkinggestelde heeft opgemerkt dat het hem bevreemdt dat zijn handtekening onder het recente reclasseringsadvies staat, terwijl hij het advies pas de ochtend van de zitting gezien heeft en het nooit heeft ondertekend.

De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, nu op de appelschriftuur het voor bepaling van de datum van inkomst leidende rechtbankstempel ontbreekt.

Subsidiair heeft de raadsman man bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling, omdat deze vordering niet binnen de wettelijke termijn van artikel 509o, eerste lid van het wetboek van Strafvordering ( Sv.) is ingediend, en geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 509oa, eerste lid Sv. De rechtbank heeft volgens de raadsman juist geoordeeld.

In het geval het hof de zaak inhoudelijk zal beoordelen heeft de raadsman bepleit dat de terbeschikkingstelling kan worden beëindigd. De recente risicotaxatie is gunstig, zijn cliënt beschikt over veel vrijheden en het contact de reclassering zeer beperkt. In de afgelopen periode zijn er geen signalen ontvangen die duiden op een verhoogd risico. De maatregel heeft zijn werk gedaan.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd de beslissing van de rechtbank te vernietigen en het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De rechtbank heeft een onjuiste maatstaf gehanteerd door te overwegen dat het openbaar ministerie voor een tweede maal de vordering niet tijdig heeft ingediend. De tardieve indiening van de vordering is te wijten aan de veranderingen binnen de organisatie van het openbaar ministerie. Gelet op de aard van de indexdelicten, het feit dat de terbeschikkingstelling pas in 2011 is aangevangen, en de omstandigheid dat er geen sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling, kon bij de terbeschikkinggestelde niet het vertrouwen ontstaan dat geen verlengingsvordering zou worden ingediend. Nu daarnaast ook slechts sprake is van een zeer geringe overschrijding van de termijn en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling eist, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vordering. Het ontbreken van een stempel met de datum waarop de schriftuur bij de rechtbank is ingekomen leidt op zichzelf ook niet tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep.

De advocaat-generaal heeft, verwijzende naar het advies van de reclassering, gevorderd de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar onder wijziging van de voorwaarden.

Het oordeel van het hof

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Appelschriftuur

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu op de appelschriftuur het dagstempel van de rechtbank ontbreekt en ook overigens niet duidelijk is wanneer de schriftuur is ingekomen.

Het hof stelt vast dat zich in het dossier een op 21 februari 2014 gedateerde appelschriftuur van de officier van justitie bevindt. Niet is vast te stellen wanneer en waar de officier van justitie deze schriftuur heeft ingediend nu een stempel ter zake van datum en locatie ontbreekt. Het dossier is op 6 maart 2014 - na controle op volledigheid daarvan - ingekomen bij het hof. De schriftuur was in ieder geval op dat moment ingediend.

Gelet op artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het niet (tijdig) indienen van een appelschriftuur tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden. Hetzelfde geldt als de appelschriftuur niet op de wettelijk voorgeschreven wijze is ingediend. De wet verbindt echter aan een tardief en/of niet op de wettelijke wijze ingediende appelschriftuur niet dwingend de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn hoger beroep. Aldus is de appelrechter de discretionaire bevoegdheid en ruimte gegeven om anders te beslissen.

Het hof is van oordeel dat, mede gezien de aard en de beperkte ernst van de verzuimen, het maatschappelijke belang van het in hoger beroep kunnen geven van een inhoudelijk oordeel over de vraag of de aan de terbeschikkinggestelde opgelegde maatregel al dan niet moet worden verlengd in dit geval zwaarder dient te wegen dan het belang van de terbeschikkinggestelde bij niet ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het hof zal derhalve het openbaar ministerie ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat het openbaar ministerie thans voor de tweede (achtereenvolgende) keer de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling niet tijdig heeft ingediend niet relevant voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn voorliggende vordering.

Dragend voor de beslissing van de rechtbank is evenwel dat, hoewel de vordering nog wel binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering is ingediend, géén sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, ondanks het belang van de terbeschikkinggestelde, verlenging van de termijn eist. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de stukken blijkt dat sprake is van een zodanig laag recidiverisico dat deze bijzondere omstandigheden niet aanwezig zijn.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank met inachtneming van het voorgaande overigens op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met verbetering van de gronden worden bevestigd.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt de beslissing van de rechtbank Gelderland van 7 februari 2014 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr A.J. Smit en mr J.W. Rijkers als raadsheren,

en dr. W. van Kordelaar en dr.W.J. Canton als raden,

in tegenwoordigheid van mr B.T.H. Janssen als griffier,

en op 3 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.