Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:972

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
200.079.281-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:936, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Beroep op vernietiging ex art. 1:89 BW door echtgenote. Verjaring? Bewijsopdrachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.079.281/01

(zaaknummer rechtbank Assen 235824/CV EXPL 08-3963)

arrest van de tweede kamer van 11 februari 2014

in de zaak van

Varde Investments (Ireland) Limited,

gevestigd te Dublin, Ierland,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Varde,

advocaat: mr. P.C.M. Ouwens, kantoorhoudend te Spijkenisse,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

in eerste aanleg: gedaagde,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het (voorwaardelijk) incidenteel appel,

hierna: [geïntimeerde 1],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudend te Bleiswijk,

2 [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

in eerste aanleg: gevoegde partij aan de zijde van gedaagde, tevens voorwaardelijk eiseres in reconventie na tussenkomst,

geïntimeerde in het principaal appel,

hierna: [geïntimeerde 2],

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
2 september 2009 en 1 september 2010 van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 30 november 2010,

- tegen [geïntimeerde 2] is verstek verleend,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van Varde luidt:

"het vonnis van de Rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen van 1 september 2010 onder nummer 235824/CV EXPL 08-3963 tussen partijen gewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van Varde alsnog (geheel) toe te wijzen, met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties."

2.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde 1] gevorderd:

" bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:
- te bekrachtigen het vonnis van de Kantonrechter d.d. 1 september 2010, voor zoveel nodig met verbetering van de gronden waarop dat berust;

- appellante in principaal beroep/geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel beroep te veroordelen in de kosten van het principaal en het voorwaardelijk incidenteel beroep."

3 Verstek

3.1

Mr. Maliepaard heeft bij H2 formulier van 5 december 2013, ingekomen ter griffie op 6 december 2013, aangegeven dat hij zich stelt voor geïntimeerde sub 1, derhalve voor [geïntimeerde 1]. Om die reden heeft het hof tegen [geïntimeerde 2] verstek verleend. Weliswaar noemt mr. Maliepaard [geïntimeerde 2] in zijn memorie van antwoord in een adem met [geïntimeerde 1], maar het is het hof niet gebleken dat hij zich na 5 december 2013 alsnog voor [geïntimeerde 2] heeft gesteld. De door in eerste aanleg door [geïntimeerde 2] (voorwaardelijk) ingestelde vordering ligt dientengevolge in dit hoger beroep niet ter beoordeling voor.

4 De feiten

4.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten op pagina 2 van het vonnis van
1 september 2010 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, behoudens tegen de vaststelling dat [geïntimeerde 2] op 28 augustus 2004 schriftelijk jegens Dexia de vernietiging ex art. 1:88 BW heeft ingeroepen. Het hof zal dat laatste niet als vaststaand aannemen, maar voor het overige ook in hoger beroep van de door de kantonrechter vastgestelde feiten uitgaan.

Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

4.2

[geïntimeerde 1] heeft op of omstreeks 13 mei 1998, 12 oktober 1999, 23 juni 2000,
25 oktober 2000 en 15 november 2000 effectenleaseovereenkomsten gesloten onder de nummers: [nummer] (Feestplan II), [nummer] (Korting Kado), [nummer] (WinstVerDriedubbelaar), [nummer] (Feestplan) en [nummer] (WinstVer10Dubbelaar) met respectievelijk Legio Lease B.V. en Bank Labouchere N.V. Laatstgenoemde overeenkomst (WinstVer10Dubbelaar) heeft een looptijd van 10 jaar. De overige overeenkomsten hebben een looptijd van 3 jaar. [geïntimeerde 2], de echtgenote van [geïntimeerde 1], heeft deze overeenkomsten niet mede ondertekend.

4.3

De in rechtsoverweging 3.2 genoemde effectenleaseovereenkomsten zijn geëindigd. De opbrengst van de verkoop van de aandelen was ontoereikend om de leningen af te lossen, zodat sprake is van een restschuld.

4.4

Dexia Bank Nederland N.V. (hierna: Dexia) is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. die op haar beurt rechtsopvolgster is van Legio Lease B.V.

4.5

Op 22 maart 2003 heeft [geïntimeerde 1] met Dexia een zogenoemde Overeenkomst Dexia Aanbod gesloten (hierna: het Dexia Aanbod). [geïntimeerde 2] heeft deze overeenkomst niet mede ondertekend.

4.6

Dexia heeft de vordering die zij op [geïntimeerde 1] had, aan Varde geleverd middels een akte van cessie, van welke cessie [geïntimeerde 1] mededeling in de zin van art 3:94 BW is gedaan bij brieven van 10 januari 2008.

5 Het geschil en de beslissing van de kantonrechter

5.1

Varde heeft een bedrag van € 4.220,55 vermeerderd met rente en kosten van
[geïntimeerde 1] gevorderd. Daartoe heeft Varde het volgende aangevoerd. De met [geïntimeerde 1] gesloten effectenleaseovereenkomsten zijn geëindigd. De opbrengst van de verkoop van de aandelen was ontoereikend om de leningen te voldoen zodat sprake is van een restschuld.
Tussen partijen is een minnelijke regeling getroffen; het Dexia Aanbod. [geïntimeerde 1] heeft niet aan zijn uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen voldaan. Subsidiair stelt Varde dat [geïntimeerde 1] is gebonden aan de Duisenbergregeling.

5.2

[geïntimeerde 1] heeft tal van verweren gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat zijn echtgenote de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten heeft ingeroepen, bij brieven van
29 december 2002, 28 augustus 2004 en medio 2006. Voorts heeft [geïntimeerde 1] erkend dat hij het Dexia Aanbod heeft aanvaard, maar hij stelt dat deze overeenkomst vernietigbaar is nu deze onder invloed van dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Voorts stelt hij dat aan het Dexia aanbod geen betekenis toekomt omdat de effectenleaseovereenkomsten tussentijds zijn geëindigd. Aan de Duisenbergregeling is hij niet gebonden omdat hij het Dexia Aanbod heeft aanvaard. Bovendien heeft hij tijdig een opt-out verklaring afgelegd.

5.3

[geïntimeerde 2] heeft zich gevoegd aan de zijde van [geïntimeerde 1] en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen die Varde tegen [geïntimeerde 1] heeft ingesteld, om reden dat zij op grond van artikel 1:88 BW jo 1:89 BW de vernietiging van de leaseovereenkomsten heeft ingeroepen. Voorts heeft [geïntimeerde 2] als tussenkomende partij (voorwaardelijk) gevorderd om Varde te veroordelen tot - kort samengevat - terugbetaling van al hetgeen in het kader van de onderhavige contracten door [geïntimeerde 1] aan Varde moet worden betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling.

5.4

De kantonrechter heeft de vorderingen van Varde afgewezen. Daartoe heeft hij het volgende overwogen. [geïntimeerde 2] heeft de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten ingeroepen bij brief van 28 augustus 2004. Varde heeft niet gemotiveerd betwist dat Dexia die brief heeft ontvangen. Vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten betekent dat het Dexia Aanbod zonder betekenis is geworden, zodat de daarop gebaseerde vordering van Varde dient te worden afgewezen. [geïntimeerde 1] kan immers geen afstand doen van de rechten van zijn echtgenote ex artikel 1:89 BW. De vordering van Varde kan ook niet slagen voor zover die is gebaseerd op de Duisenbergregeling, nu [geïntimeerde 1], wegens het accepteren van het Dexia Aanbod geen gerechtigde in de zin van de WCAM-overeenkomst was. Daarbij is niet van belang dat die minnelijke regeling niet meer bestaat, maar wel of zij ooit heeft bestaan.

5.5

Ook de vorderingen van [geïntimeerde 2] zijn afgewezen. Dienaangaande heeft de kantonrechter overwogen dat niet valt in te zien welk belang [geïntimeerde 2] bij die vorderingen heeft nu de vordering van Varde jegens [geïntimeerde 1] wordt afgewezen.

6 Bespreking van de grieven

6.1

Varde heeft in het principaal appel vijf grieven geformuleerd. [geïntimeerde 1] heeft - uitsluitend voor het geval de grieven van Varde tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter zouden leiden - drie grieven geformuleerd in het (voorwaardelijk) incidenteel appel.

6.2

Geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat indien komt vast te staan dat [geïntimeerde 2] tijdig de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten heeft ingeroepen, het Dexia Aanbod zonder betekenis is geworden en de daarop gebaseerde vordering van Varde dient te worden afgewezen (rechtsoverweging 2 van het vonnis).
Evenmin is een grief geformuleerd tegen het oordeel dat [geïntimeerde 1] niet als gerechtigde in de zin van de WCAM-regeling is aan te merken, zodat de vordering van Varde voor zover die is gegrond op de zogenoemde Duisenbergregeling niet voor toewijzing in aanmerking komt.

6.3

De grieven I tot en met IV van Varde zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen
4 tot en met 7 van het vonnis van de kantonrechter. Varde betwist dat Dexia of haar rechtsvoorgangster Legio Lease de brieven van [geïntimeerde 2] van 29 december 2002 en
28 augustus 2004 heeft ontvangen en voert het volgende aan.
Het ligt op de weg van [geïntimeerde 1] om te bewijzen dat één van deze brieven Dexia en/of haar rechtsvoorgangster heeft bereikt. De enige brief die door Dexia werd ontvangen dateert van juli 2006. Op dat moment was het recht van [geïntimeerde 2] om de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten in te roepen reeds verjaard. [geïntimeerde 2] heeft immers zelf aangegeven op 29 december 2002 met het bestaan van die overeenkomsten bekend te zijn geraakt. Varde stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde 2] van meet af aan met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend moet worden verondersteld omdat [geïntimeerde 1] in vijf opeenvolgende jaren jaarlijks een effectenleaseovereenkomst heeft gesloten, de betalingen zijn gedaan vanaf een mede aan [geïntimeerde 2] toebehorende en/of rekening en het in de Nederlandse samenleving een feit van algemene bekendheid is dat overeenkomsten met een belang als de onderhavige effectenleaseovereenkomsten onderwerp zijn van overleg tussen beide echtgenoten.

6.4

[geïntimeerde 1] voert aan dat [geïntimeerde 2] vanaf 29 december 2002 de door de Stichting Eegalease tegen Dexia gevoerde procedure volgde. Toen in die zaak op 25 augustus 2004 uitspraak werd gedaan, heeft [geïntimeerde 2], gesterkt in haar mening, nogmaals een vernietigingsbrief aan Dexia gestuurd. [geïntimeerde 1] stelt zich op het standpunt dat de door de Stichting Eegalease gevoerde rechtszaak voor alle eega's van afnemers van effectenleaseovereenkomsten alle mogelijke vorderingen in verband met die overeenkomsten op de voet van artikel 3:316 BW de eventuele verjaring heeft gestuit en geschorst tot de dag na de dag waarop de laatste uitspraak in die zaak onherroepelijk is geworden. Op die dag begint een nieuwe verjaringstermijn van drie jaar, zodat de verjaring op zijn vroegst kan zijn voltooid na
25 augustus 2007, zo stelt [geïntimeerde 1].

6.5

Het hof verwerpt dit standpunt van [geïntimeerde 1]. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde 2] één van de echtgenoten of geregistreerde partners was die zich bij de Stichting Eegalease had aangesloten. De door deze stichting gevoerde procedure heeft dan ook geen stuitende werking gehad ten aanzien van de verjaring van de mogelijkheid die [geïntimeerde 2] had om de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten in te roepen. Nu [geïntimeerde 2] volgens [geïntimeerde 1] op 29 december 2002 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend was, stond de mogelijkheid om de vernietiging van die overeenkomsten in te roepen in juli 2006 niet meer voor haar open. Immers op grond van artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW verjaart de rechtsvordering tot vernietiging op grond van artikel 1:89 jo. artikel 1:88 BW drie jaar nadat die mogelijkheid aan [geïntimeerde 2] ten dienste kwam te staan, derhalve drie jaar na 29 december 2002. De brief van [geïntimeerde 2] die in juli 2006 door Dexia werd ontvangen kon dan ook niet meer tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten leiden.

6.6

[geïntimeerde 1] heeft evenwel aangevoerd dat [geïntimeerde 2] ook al eerder, namelijk bij brief van 29 december 2002 aan Legio Lease, de rechtsvoorgangster van Dexia, en bij brief van
28 augustus 2004 aan Dexia, een beroep heeft gedaan op vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten. Afschriften van genoemde brieven zijn tijdens de procedure in eerste aanleg bij conclusie na voeging en tussenkomst in het geding gebracht.

6.7

Varde heeft de ontvangst van deze brieven door Dexia en haar rechtsvoorgangster betwist. Varde heeft bovendien aangevoerd dat [geïntimeerde 2] de vernietiging hoe dan ook te laat heeft ingeroepen omdat [geïntimeerde 2] volgens Varde reeds voor 29 december 2002 en wel van meet af aan bekend is geweest met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten. Varde heeft aangevoerd dat zulks reeds noodzakelijkerwijs volgt uit de enkele omstandigheid dat er ten behoeve van de effectenleaseovereenkomsten betalingen zijn gedaan vanaf een
en/of-rekening die mede aan [geïntimeerde 2] toebehoorde.

6.8

Zoals Varde naar het oordeel van het hof terecht heeft aangevoerd, ligt het op de weg van [geïntimeerde 1] - die zich op de vernietiging van de overeenkomsten beroept - om te bewijzen dat één van de genoemde brieven Dexia of haar rechtsvoorgangster heeft bereikt. Het hof zal [geïntimeerde 1] in de gelegenheid stellen dat bewijs te leveren. Slaagt hij daarin niet, dan komt niet vast te staan dat [geïntimeerde 2] tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van de effectenleaseovereenkomsten.

6.9

Het hof overweegt dat op Varde, die zich op verjaring beroept, de bewijslast van die stelling rust. Het hof ziet geen aanleiding dat bewijs (voorshands) geleverd te achten op basis van het enkele feit dat ter zake van de effectenleaseovereenkomsten betalingen zijn gedaan vanaf een en/of-rekening die mede aan [geïntimeerde 2] toebehoort, zoals Varde stelt en [geïntimeerde 1] niet gemotiveerd heeft betwist. [geïntimeerde 1] heeft immers wel gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde 2] daardoor al voor 29 december 2002 van het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten op de hoogte is geraakt. [geïntimeerde 1] heeft namelijk aangevoerd dat [geïntimeerde 2] een rekenstoornis heeft waardoor zij niet de aangewezen persoon is om zich met de financiën bezig te houden en dat zij dat om die reden ook aan [geïntimeerde 1] overlaat. [geïntimeerde 1] heeft [geïntimeerde 2] niet eerder dan in december 2002 ingelicht over het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten.

6.10

Dit verjaringsverweer is eerst relevent wanneer [geïntimeerde 1] slaagt in zijn hiervoor bedoelde bewijsopdracht. Om proceseconomische redenen zal het hof Varde evenwel reeds nu toelaten tot het bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde 2] op enig moment vóór 29 december 2002 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten op de hoogte was.

6.11

Zo partijen bewijs willen bijbrengen middels het horen van getuigen, komt het het hof wenselijk voor dat de voor te brengen getuigen gelijktijdig worden gehoord over zowel de aan [geïntimeerde 1] te verstrekken bewijsopdracht als over de aan Varde te verstrekken bewijsopdracht.

Slotsom

6.12

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het opgeven van verhinderdata.

De beslissing

Het gerechtshof:

draagt [geïntimeerde 1] op te bewijzen dat de brief van [geïntimeerde 2] van 29 december 2002 of haar brief van 28 augustus 2004 Dexia of haar rechtsvoorgangster hebben bereikt;

draagt Varde op te bewijzen dat [geïntimeerde 2] reeds van de aanvang af althans op enig moment voor 29 december 2002 op de hoogte was van het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten;

bepaalt dat, indien partijen dat bewijs (ook) door middel van getuigen wensen te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.M.A. Wind, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zullen opgeven op de roldatum van dinsdag 25 februari 2014, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;

bepaalt dat partijen overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dienen op te geven;

Verstaat dat de advocaat van Varde uiterlijk twee weken voor de verschijning zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van [geïntimeerde 1] alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.M.A. Wind en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014.