Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9712

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
200.115.670
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag aan Hoge Raad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.115.670/02

(zaaknummer rechtbank Arnhem, burgerlijk recht, sector kanton, locatie Tiel 823908)

beschikking van de derde civiele kamer van 25 februari 2014

inzake


[verzoeker],

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. J.P. Snoek,


tegen:


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Tiels Schoonmaakbedrijf B.V.,
gevestigd te Tiel,

verweerster,

hierna: TSB,

advocaat: mr. J.L.J.J. Nelissen.

1 Het verloop van de procedure


1.1 Bij verzoekschrift van 30 september 2014, ingekomen ter griffie van dit hof op diezelfde datum, heeft [verzoeker] verzocht dat het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de door de kantonrechter te Tiel gegeven bestreden beschikking van 14 september 2012 en/of de beschikking van dit hof van 24 september 2013 (200.115.6701/01) zal herroepen en het geding geheel, dan wel subsidiair gedeeltelijk, zal herroepen, waarbij partijen de gelegenheid krijgen hun stellingen en verweren te wijzigen en aan te vullen (overeenkomstig artikel 387 jo. 391 Rv) en nadien alsnog, opnieuw rechtdoende, de verzoeken tot ontbinding zal toewijzen op grond van een verandering van omstandigheden met een ontbinding per 31 december 2012, althans per een door het hof in goede justitie te bepalen datum, onder toekenning van een vergoeding van € 1.040.000,- bruto en € 30.000,- bruto ten titel van immateriële schadevergoeding dan wel een in goede justitie te bepalen vergoeding aan [verzoeker], met veroordeling van TSB in de proceskosten van de reeds eerder gevoerde ontbindingsprocedure, alsmede de kosten van deze procedure.

1.2

Bij verweerschrift van 11 november 2013, ingekomen ter griffie van dit hof op diezelfde datum, heeft TSB verweer gevoerd. Zij heeft verzocht dat het hof bij beschikking, indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I primair
[verzoeker] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn herroepingsverzoek;
II subsidiair
het verzoek van [verzoeker] tot herroeping zal afwijzen;
III meer subsidiair
de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van gewichtige redenen zal ontbinden
per een zodanig spoedige datum als (het hof begrijpt:) het hof in goede justitie zal
menen te behoren, zonder daarbij aan [verzoeker] een vergoeding toe te kennen;
IV primair, subsidiair en meer subsidiair
[verzoeker] zal veroordelen in de kosten van dit geding.

2 De motivering van de beslissing


2.1 Bij beschikking van 14 september 2012 heeft de kantonrechter (rechtbank Arnhem, burgerlijk recht, sector kanton, locatie Tiel 823908) op verzoek van TSB de arbeidsovereenkomst tussen TSB en [verzoeker] op de voet van artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ontbonden met ingang van 14 september 2012. De kantonrechter heeft daarbij geen ontslagvergoeding aan [verzoeker] toegekend. Bij beschikking van 24 september 2013 (zaaknummer 200.115.670/01) heeft het hof het hoger beroep dat [verzoeker] tegen deze beschikking heeft gericht verworpen, omdat [verzoeker] naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft onderbouwd dat het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

2.2

[verzoeker] heeft aan zijn hiervoor onder 1.1 vermelde verzoek tot herroeping ten grondslag gelegd dat de beschikking van 14 september 2012 berust op bedrog van TSB in de zin van artikel 390 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) jo. artikel 382 sub a Rv en dat hij, [verzoeker], na het wijzen van die beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van TSB zijn achtergehouden zoals is bedoeld in artikel 390 Rv jo. artikel 382 sub c Rv.

2.3

Het hof ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of het bevoegd is van het verzoek tot herroeping kennis te nemen. Of dat zo is, hangt af van de vraag of dit hof moet worden beschouwd als de laatste feitelijke instantie die in de ontbindingsprocedure over de zaak heeft geoordeeld in de zin van art. 384 Rv. Over die vraag valt verschillend te denken.

2.4

Voor het standpunt dat het hof bevoegd is, pleit dat [verzoeker] ontvankelijk was in zijn hoger beroep van de ontbindingsbeschikking en dat het hof – een feitelijke instantie – heeft beoordeeld of er grond was voor doorbreking van het appelverbod. Voorts is deze opvatting (te weten dat het hof bevoegd is ten aanzien van een verzoek tot herroeping indien de verzoeker in de ontbindingsprocedure eenmaal ontvankelijk was in hoger beroep en het hof heeft beoordeeld of er grond was voor doorbreking van het appelverbod) eenvoudig toepasbaar. Er ontstaat geen onderscheid tussen de gevallen waarin het beroep op de doorbrekingsgrond terecht was en die waarin dat niet terecht was. Ook ontstaat er geen onderscheid tussen de gevallen waarin het gestelde bedrog ziet op de feiten rond het beroep op de doorbrekingsgrond en de gevallen waarin het gestelde bedrog ziet op de feiten van het achterliggende materiële geschil. Ten slotte is het dan niet aan de kantonrechter om te oordelen over eventuele herroeping van de beschikking van het hof.

2.5

Voor het standpunt dat de kantonrechter bevoegd is, pleit dat het hof niet heeft geoordeeld over het materiële geschil tussen de partijen, aangezien het van oordeel was dat er geen grond bestond voor doorbreking van het appelverbod. Als zou worden aangenomen dat niet de kantonrechter maar het hof bevoegd is, betekent dit dat het hof als tweede feitelijke instantie over de zaak zou oordelen. Dat lijkt nu juist in strijd met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om in ontbindingsprocedures geen hoger beroep open te stellen, terwijl er ook geen grond was voor doorbreking van het appelverbod.

2.6

Alvorens over de absolute bevoegdheid te oordelen, zal het hof de partijen in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten, aangezien hierover nog geen debat heeft plaatsgevonden. Het hof overweegt over deze kwestie een prejudiciële vraag op grond van art. 392 Rv te stellen aan de Hoge Raad der Nederlanden. Bij het hof zijn meer zaken aanhangig waarin dezelfde rechtsvraag van belang is, zodat de praktijk gediend is met duidelijkheid hierover. Voorshands denkt het hof aan de navolgende vraag:

Dient in een situatie waarin sprake is van een appelverbod, als appel is ingesteld met een beroep op een zogenoemde ‘doorbrekingsgrond’ en vervolgens het beroep op de doorbrekingsgrond ongegrond is geoordeeld, de appelinstantie te worden beschouwd als ‘de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld’ als bedoeld in artikel 384 Rv?

De partijen zullen zich ook mogen uitlaten over het voornemen een prejudiciële vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vraag. Zij zullen in de gelegenheid worden gesteld op uiterlijk 1 april 2014 schriftelijk daaromtrent een standpunt in te nemen, dan wel schriftelijk aan het hof kenbaar te maken dat zij de mondelinge behandeling van 25 april 2014 daarvoor wensen aan te wenden.

2.7

Verder zal iedere beslissing worden aangehouden.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bepaalt dat de partijen uiterlijk op 1 april 2014 zich schriftelijk uitlaten over hetgeen in rechtsoverweging 2.6 inhoudelijk is overwogen, dan wel schriftelijk aan het hof kenbaar maken dat zij de mondelinge behandeling van 25 april 2014 daarvoor wensen aan te wenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, M.F.J.N. van Osch en
W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2014.