Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9646

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
200.151.321-01 en 200.152.507-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling. Kinderen schade opgelopen door heftige echtscheidingsstrijd. De kinderehn hebben belang bij duidelijkheid, rust, stabiliteit en structuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.151.321/01 en 200.152.507/01

(zaaknummers rechtbank Overijssel C/08/149429/ FA RK 13-2733 en C/08/141484/ FA RK 13-1352)

beschikking van de familiekamer van 9 december 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in het principaal hoger beroep in beide zaken,

verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in beide zaken,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer, kantoorhoudend te Wierden,

tegen

[verweerder],

wonende te [B],

verweerder in het principaal hoger beroep in beide zaken,

verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in beide zaken,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. I.H. Grandjean, kantoorhoudend te Wijhe.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Bureau Jeugdzorg Overijssel,

kantoorhoudend te Zwolle,

hierna te noemen: BJZ.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 14 mei 2014 en 21 mei 2014, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

200.151.321/01

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 juni 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 14 mei 2014.

De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende alsnog te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [de minderjarige1] (hierna te noemen [de minderjarige1]), geboren [in] 2003, [de minderjarige2] (hierna te noemen [de minderjarige2]), geboren [in] 2004, [de minderjarige3] (hierna te noemen [de minderjarige3]), geboren [in] 2005 en [de minderjarige4] (hierna te noemen [de minderjarige4]), geboren [in] 2007, bij de moeder zal zijn.

Indien en voor zover het hof van oordeel is dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader dient te blijven, verzoekt de moeder de volgende zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vast te stellen:

- ieder weekend van vrijdag na schooltijd tot zondag 17.00 uur;

- daarnaast voor wat betreft [de minderjarige2] iedere woensdag na schooltijd tot donderdagochtend;

- de schoolvakanties bij de moeder, met uitzondering van de zomervakanties, die bij helfte dienen te worden verdeeld.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 augustus 2014, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. Daarbij heeft de vader tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De vader verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de moeder in het door haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoek(en) als zijnde ongegrond en onbewezen af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding.

In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzoekt de vader

primair: de beschikking van 14 mei 2014 te bevestigen, al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding;

subsidiair: die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de moeder de hoofdverblijfplaats van de kinderen beperkt tot een straal van 11 tot 15 km te rekenen van de woonplaats van de vader;

meer subsidiair: te bepalen dat een hoofdverblijfwijziging naar [A] pas na de beëindiging van de basisschool van alle kinderen ingaat, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie wenselijk acht.

2.3

Daarop heeft de moeder in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 4 september 2014, waarin zij het hof verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem gestelde incidenteel beroep, althans zijn primaire, subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken als zijnde ongegrond af te wijzen, alsmede de proceskosten tussen partijen te compenseren.

200.152.507/01

2.4

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 juli 2014 is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 21 mei 2014.

De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende alsnog aan haar vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing met de minderjarigen [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4] naar [A], alsmede tot inschrijving van de minderjarigen op een basisschool in [A].

2.5

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 augustus 2014, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. Daarbij heeft de vader tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De vader verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de moeder in het door haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoek(en) als zijnde ongegrond en onbewezen af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding.

In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzoekt de vader

primair: de beschikking van 21 mei 2014 te bevestigen, al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding;

subsidiair: die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat een schoolwijziging (naar [A]) pas na de basisschoolbeëindiging van alle kinderen ingaat;

althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie wenselijk acht.

2.6

Daarop heeft de moeder in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 4 september 2014, waarin zij het hof verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem gestelde incidenteel beroep, althans zijn verzoeken als zijnde ongegrond af te wijzen, alsmede de proceskosten tussen partijen te compenseren.

2.7

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken in beide zaken.

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) respectievelijk d.d. 7 juli 2014 en d.d. 31 juli 2014 met als bijlage het raadsrapport van 31 december 2013;

- een journaalbericht van 16 juli 2014 van mr. Eshuis-Nijmeijer, waarbij zij het hof bericht dat het proces-verbaal van 17 april 2014 als dit gereed is zal worden nagezonden;

- een journaalbericht van 18 augustus 2014 van mr. Eshuis-Nijmeijer met als bijlage het proces-verbaal van 17 april 2014;

- een journaalbericht van 4 september 2014 van mr. Eshuis-Nijmeijer met als bijlage het proces-verbaal van 14 oktober 2013 en het proces-verbaal van 17 april 2014;

- een journaalbericht van 10 oktober 2014 van mr. Eshuis-Nijmeijer, waarbij zij het hof verzoekt de gezinsvoogd, mevrouw [C], toe te laten om aanwezig te zijn ter zitting van 10 november 2014;

- een brief van 17 oktober 2014 van mevrouw [C] (gezinsvoogd);

- een journaalbericht van 31 oktober 2014 van mr. Grandjean met als bijlagen recente stukken van BJZ betreffende de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4].

2.8

Ter zitting van 10 november 2014 zijn beide zaken gezamenlijk behandeld.

Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

Namens BJZ is verschenen mevrouw [C] (gezinsvoogd).

Mr. Grandjean heeft pleitnotities overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2002 in de gemeente [D] met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn vier kinderen geboren, de thans nog minderjarigen [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4].

3.2

Partijen zijn [in] 2012 feitelijk uiteengegaan.

De vader is in de voormalig echtelijke woning, een boerderij in [B], blijven wonen.

De moeder woonde tot december 2013 samen met de minderjarigen en haar nieuwe partner in een huurwoning in [E]. Er was sprake van co-ouderschap. De minderjarigen verbleven per veertien dagen zes dagen bij de vader en acht dagen bij de moeder.

De moeder was voornemens eind 2013 te verhuizen naar [A] en heeft op 17 juli 2013 aan de rechtbank vervangende toestemming verzocht tot verhuizing en inschrijving van de minderjarigen op een andere school. Op 28 oktober 2013 heeft de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, de beslissing in die zaak aangehouden en de raad verzocht rapport en advies in deze zaak uit te brengen.

3.3

Voor zover hier van belang heeft de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, bij beschikking van 31 oktober 2013 -onder andere- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag welke hoofdverblijfplaats en welke zorgregeling in het belang van de minderjarigen [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4] te achten zijn.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat, voor de periode gedurende welke de raad zijn rapport en advies nog niet heeft uitgebracht, het de rechtbank in het belang van de minderjarigen lijkt te zijn dat de huidige zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen (de ene week van donderdag uit school tot zondag 17.00 uur en de andere week van donderdag uit school tot vrijdagmorgen), wordt gehandhaafd.

De moeder is begin december 2013 zonder toestemming van de rechtbank verhuisd naar [A].

3.4

De raad heeft op 31 december 2013 een rapport uitgebracht. De raad adviseert in dit rapport om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder te bepalen, met dien verstande dat de verhuizing van de kinderen pas plaatsvindt in de zomer van 2014.

3.5

Bij beschikking van 31 december 2013 heeft de rechtbank Overijssel op verzoek van de raad de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van BJZ met ingang van 31 december 2013 tot 14 januari 2014 en BJZ een machtiging verleend om de kinderen met ingang van 31 december 2013 tot 14 januari 2014 uit huis te plaatsen bij de vader.

3.6

Bij beschikking van 13 januari 2014 heeft de kinderrechter van de rechtbank Overijssel de minderjarigen definitief onder toezicht gesteld van BJZ tot 31 december 2014.

Tevens is bij die beschikking BJZ gemachtigd de minderjarigen uit huis te plaatsen bij de vader tot 31 maart 2014. Bij beschikking van 26 maart 2014 is deze machtiging verlengd tot 15 mei 2014.

3.7

Bij beschikking van 14 mei 2014 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - bepaald dat de minderjarigen [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4] hun hoofdverblijf bij de vader hebben en een zorgregeling vastgesteld tussen de moeder en de kinderen. De moeder is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld (200.151.321/01).

3.8

Bij beschikking van 21 mei 2014 heeft de rechtbank - gelet op voornoemde beslissing van 14 mei 2014 - het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4] naar [A] te verhuizen en om de minderjarigen op een basisschool daar in te schrijven, afgewezen.

Ook tegen deze, met het vorengaande samenhangende beslissing heeft de moeder hoger beroep ingesteld (200.152.507/01).

3.9

Nu het hoofdverblijf van de minderjarigen bij beschikking van 14 mei 2014 bij de vader is bepaald, is het verzoek van BJZ tot verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de vader bij beschikking van 21 mei 2014 door de kinderrechter afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4], en de daarmee samenhangende eventuele vervangende toestemming tot inschrijving van hen op een basisschool te [A], alsmede de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende de kinderen.

4.2

De ouders oefenen samen het gezag uit over de kinderen. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

4.3

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

DE HOOFDVERBLIJFPLAATS

4.4

De moeder verzoekt het hof om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4] bij haar (in [A]) is.

Volgens de moeder is haar rol als moeder onder de huidige omstandigheden te beperkt, hetgeen niet in het belang van de kinderen kan worden geacht. Zij wijst erop dat zij gedurende het huwelijk de volledige zorg had voor de kinderen en de vader op de boerderij werkzaam was.

De vader stelt weliswaar dat hij inmiddels meer werkzaamheden op de boerderij heeft uitbesteed dan wel zal uitbesteden, maar de moeder heeft daar geen zicht op. Zij vermoedt dat de zorg voor de kinderen voornamelijk gedragen wordt door de nieuwe partner van de man, die samen met de vader op de boerderij woont. De moeder heeft daar grote moeite mee. In het bijzonder nu zij zelf -zoals zij stelt - haar werk, beter dan de vader, kan aanpassen aan de schooltijden van de kinderen, en mede daardoor meer beschikbaar is voor hen. Daarbij komt dat de moeder zich ernstige zorgen maakt over de opvoedingscapaciteiten van de partner van de man. Zij verwijst in deze naar de rapportage van de raad.

Daarnaast stelt de moeder dat zij goed in staat is de vader toe te laten in het leven van de kinderen, in tegenstelling tot de vader, die haar alleen maar uitsluit. De moeder zegt te weten hoe belangrijk het is voor de kinderen om [B] te blijven en wat het leven op de boerderij voor hen betekent. Zij wil hen dit ook nooit onthouden. Ze wijst erop dat de afstand tussen [A] en [B] niet onoverbrugbaar is. Ter zitting heeft de moeder verklaard bereid te zijn, mochten de kinderen in [B] willen spelen, hen dit altijd ook mogelijk te maken. Het is een kleine gemeenschap en als er een feest is, of als er wordt gehooid, horen de kinderen volgens de moeder daar. Broeklander blijven ze altijd. Ze betreurt echter dat de kinderen onder de huidige regeling geen mogelijkheid hebben (gehad) om ook bij haar in [A] iets op te bouwen. De moeder merkt op dat nu de kinderen enkel in de weekenden in [A] verblijven, het lastig is om contacten te leggen, omdat zij ook hun sport hoofdzakelijk in de omgeving van [B] uitoefenen. Dit klemt temeer nu de vader naar de mening van de moeder er alles aan doet om de kinderen zo weinig mogelijk in [A] te laten zijn. Het gezinsleven voor de moeder wordt daardoor op dit moment onmogelijk gemaakt. Zij wijst erop dat zij meerdere malen heeft aangegeven dat zij met [de minderjarige2], die meer bij haar moeder wil zijn, gezamenlijk wil paardrijden, maar dat de vader dat niet toelaat.

Het is volgens de moeder in het belang van de kinderen dat indien het hoofdverblijf bij haar wordt vastgesteld, de kinderen -naar het hof begrijpt- uitgezonderd [de minderjarige2], die naar het speciaal onderwijs in [F]-ook in [A] naar school gaan, zodat zij in [A] kunnen aarden en aldaar vrienden kunnen maken. Op de momenten dat zij bij de vader op de boerderij verblijven kunnen zij spelen met hun huidige vriendjes en vriendinnetjes. Aldus ontstaat de evenwichtige situatie dat de kinderen zowel bij de vader als de moeder een vertrouwde plek hebben met volwaardige sociale netwerken.

De woning in [A] staat weliswaar te koop, maar de moeder en haar partner zijn doende om de ex-partner te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en de woning over te nemen en hun leven zo in te richten dat zij in [A] kunnen blijven wonen. Zij hebben wel degelijk de intentie om daar te blijven wonen.

De moeder beseft dat zij een groot risico heeft genomen door, zonder de aan de rechtbank verzochte toestemming af te wachten, te verhuizen, maar stelt dat het voor haar, zowel financieel als emotioneel, niet haalbaar was om in [E] en/of de omgeving van [B] te blijven wonen. De moeder stelt dat zij ook in deze het belang van de kinderen voorop heeft gesteld. Zij heeft de verhuizing goed voorbereid en wist dat de plek in [A] de nodige rust zou brengen.

De moeder is blij dat het nu na de roerige echtscheidingsperiode beter gaat met de kinderen, maar betwist dat er gesproken kan worden van een zodanig positieve ontwikkeling van de kinderen dat die ertoe zou moeten leiden dat zij bij de vader blijven wonen.

4.5

De vader stelt dat de kinderen alweer geruime tijd gezamenlijk bij hem wonen en dat ze vrolijk en levenslustig zijn. Door het wonen bij de vader hebben ze structuur, duidelijkheid en rust gekregen, waarbij zij het goed doen. De zichtbare groeilijn van de kinderen wordt ook door leerkrachten en anderen bevestigd. De kinderen hebben steun aan elkaar en het is in hun belang dat zij gezamenlijk kunnen opgroeien in de voor hen vertrouwde en overzichtelijke woon-, vriendjes- en schoolomgeving van [B].

De vader betwist dat hij onvoldoende beschikbaar zou zijn voor de kinderen.

Hij is bezig zijn werk nog verder flexibel te maken. Zijn werktijden zijn momenteel afgestemd op het (school)leven van de kinderen. Hij is er naar zijn zeggen altijd als ze uit school komen en hij brengt ze naar allerlei (sport)activiteiten. De vader wijst erop dat hij in de weekenden 300 km reist om het sporten voor hen mogelijk te maken. De vader vraagt zich af hoe de moeder dat wil gaan faciliteren indien de kinderen hun hoofdverblijf bij haar krijgen. De vader wijst erop dat hij naast zijn flexibiliteit, anders dan de moeder, van wie de partner wegens zijn werkzaamheden als internationaal chauffeur niet altijd thuis is, ook ondersteuning heeft van zijn - niet buitenshuis werkende- levenspartner en dat er geen reden is te twijfelen aan haar opvoedcapaciteiten.

De kinderen hebben veel doorstaan de afgelopen tijd en de vader acht het niet in hun belang dat er een nieuwe wijziging komt in hun leven en dat zij van school moeten veranderen.

De vader erkent dat [de minderjarige2] op bepaalde momenten haar moeder mist en heeft begrip voor de wens van de moeder om met [de minderjarige2] te gaan paardrijden, maar hij is van mening dat de wensen van de moeder in deze niet aansluiten bij hetgeen [de minderjarige2] nodig heeft. [de minderjarige2] zit sinds twee jaar op het speciaal onderwijs en heeft naar zeggen van de vader, ondanks het feit dat zij goed begrijpt waarom, veel verdriet gehad van het feit dat ze van de school in [B] af moest. Zij heeft thans aansluiting bij haar oude vriendinnen op de ponyclub in [B] waar zij lid van is. Volgens de vader is voor [de minderjarige2] van belang dat zij in haar sociale omgeving en haar netwerk met haar oude schoolvriendinnen kan blijven en dat dit niet van haar wordt afgenomen. De vader acht het wenselijk dat de moeder uit [A] komt, eventueel met haar eigen pony, om met [de minderjarige2] in de vereniging in [B] te rijden, in plaats van andersom. Hij wijst erop dat hij vanuit dit perspectief een aantal serieuze en goede voorstellen heeft gedaan aan de moeder, maar dat de moeder daar niet op ingaat.

4.6

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft bepaald dat het hoofdverblijf van [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4] bij de vader is en neemt deze gronden na eigen onderzoek over. Het hof heeft geen andersluidende informatie die aanleiding geeft om anders te oordelen.

Het hof betrekt bij het bovenstaande dat het er, gelet op de stukken en naar aanleiding van de mondelinge behandeling op 10 november 2014, van overtuigd is geraakt dat het in het belang van [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4] is dat zij hun hoofdverblijf in de hun vertrouwde omgeving in [B] behouden, nu zij daar hun sociale netwerk en contacten hebben.

4.7

Het hof overweegt daarbij het volgende.

Op zichzelf hoeft een verhuizing voor kinderen niet per definitie verstorend te zijn; in dit geval echter oordeelt het hof dat een verhuizing naar [A] voor deze kinderen in deze specifieke situatie niet in hun belang is, nu dit een te drastische wijziging van hun situatie oplevert.

Niet ter discussie staat dat de kinderen hebben geleden onder de onzekerheid over hun hoofdverblijfplaats. Daarom hebben juist zij, nog meer dan enig ander kind, belang bij duidelijkheid, rust, stabiliteit en structuur. Verder is duidelijk dat de kinderen schade hebben opgelopen door de heftige echtscheidingsstrijd tussen partijen en uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat die strijd ook nu nog voortduurt. Er zijn derhalve zorgen, die bevestigd worden door de ter zitting aanwezige gezinsvoogd, met name ten aanzien van de bij de kinderen aanwezige loyaliteitsproblematiek alsmede hun sociaal emotionele ontwikkeling.

Niet is gebleken dat de vader niet in staat is (samen met zijn partner) de kinderen goed op te voeden. De zorgen die de moeder heeft geuit over de opvoedingscapaciteiten van de partner van de man worden niet door derden, zoals de gezinsvoogd van de kinderen -daartoe ter zitting in hoger beroep nadrukkelijk bevraagd- of door hun leerkrachten bevestigd. Integendeel, uit de stukken blijkt dat de kinderen een positieve lijn laten zien in hun ontwikkeling en welzijn. Met name nadat [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in juli 2014, voor de vakantie, geïnformeerd werden over hun door de rechtbank vastgestelde hoofdverblijfplaats en aldus duidelijkheid hebben gekregen over de plek waar zij verder gaan opgroeien en naar school gaan, verloopt hun ontwikkeling positief.

Alles bij elkaar is het hof van oordeel dat het het meest in het belang van de kinderen is wanneer hun hoofdverblijfplaats wordt bepaald bij de vader.

4.8

Nu het hof de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader zal handhaven, is er geen reden meer de verzoeken van de moeder met betrekking tot de vervangende toestemming tot verhuizing en inschrijving van de kinderen op een school in [A] te bespreken.

Deze verzoeken van de moeder worden afgewezen.

DE ZORGREGELING TUSSEN DE MOEDER EN DE KINDEREN

4.9

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen het ene weekend van vrijdag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd bij de moeder verblijven, alsmede het andere weekend van zaterdagmiddag (na de sport) tot zondagavond, en voorts de helft van de schoolvakanties.

4.10

De moeder kan zich niet verenigen met voornoemde zorgregeling. Zij is van mening dat, indien hoofdverblijf bij de vader wordt bepaald, de kinderen de weekenden zoveel mogelijk bij haar dienen door te brengen. De moeder verzoekt het hof dan ook een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen ieder weekend van vrijdag na schooltijd tot zondag 17.00 uur bij haar verblijven. Om ook het gezamenlijke paardrijden mogelijk te maken verzoekt de moeder ten aanzien van [de minderjarige2] een extra uitbreiding vast te stellen in die zin dat [de minderjarige2] daarnaast iedere woensdag na schooltijd tot donderdagochtend bij haar verblijft. Ook wenst de moeder dat de kinderen alle schoolvakanties bij haar doorbrengen, met uitzondering van de zomervakantie, die bij helfte dient te worden verdeeld.

4.11

De vader verzet zich tegen de door de moeder verzochte zorgregeling. Hij voert aan dat deze niet in het belang van de kinderen is omdat zij in de weekenden sporten, spelen en/of logeren met/bij hun school- en buurtvrienden. De vader wijst erop dat de kinderen met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling iedere weekend bij de moeder verblijven, waardoor zij een substantiële zorgrol heeft en behoudt. De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder - gelet op haar eigen keuze om op afstand van de huidige sportverenigingen van de kinderen te gaan wonen - zich ook dient in te spannen om de sportuitoefening van de kinderen mogelijk te maken.

Het paardrijden van [de minderjarige2] op woensdagavond kan de moeder verzorgen bij de huidige ruiterclub. Voor [de minderjarige2] is de [B] ruiterclub haar verbinding met de voormalige school- paardrij- en buurtvriendinnetjes. Vanwege de ADHD/autisme spectrum problematiek van [de minderjarige2] is het van belang dat de duidelijkheid en structuur voor haar gewaarborgd blijft.

De vakanties dienen volgens de vader op de gebruikelijke wijze bij helfte te worden verdeeld, anders kunnen de kinderen met de vader en zijn partner geen uitjes ondernemen. De vader verzoekt daarbij om vast te leggen dat partijen beurtelings de eerste helft van de zomervakantie en de overige vakanties hebben, zodat daarover geen discussies meer kunnen ontstaan.

4.12

Het hof is van oordeel dat een uitbreiding van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling naar een zorgregeling zoals door de moeder verzocht niet in het belang van de kinderen is. Het hof acht het voor de kinderen van belang dat zij hun huidige sociale netwerk zoveel mogelijk behouden en dat zij in verband daarmee ook voldoende de mogelijkheid krijgen om de activiteiten die zij op dit moment in de weekenden hebben te kunnen voortzetten. Hoewel het hof de indruk heeft dat [de minderjarige2] vaker contact met haar moeder wil, ziet het hof onvoldoende aanleiding om de bestaande regeling tussen de moeder en [de minderjarige2] thans bij beschikking uit te breiden. Het hof overweegt in dat verband dat het op dit moment te weinig zicht heeft op wat [de minderjarige2], gelet op de bij haar geconstateerde problematiek, daarbij aankan. Nader onderzoek naar haar problematiek kan, zoals de gezinsvoogd heeft aangegeven, nog niet plaatsvinden omdat de strijd tussen de ouders op dit moment een contra-indicatie voor onderzoek oplevert. Het hof gaat er echter van uit dat -nu er duidelijkheid is omtrent het hoofdverblijf van [de minderjarige2]- er aan beide zijden meer ruimte kan ontstaan om, onder regie van de gezinsvoogd, in het belang van [de minderjarige2] nadere afspraken te maken.

4.13

Het hof stelt vast dat de bestaande, door de rechtbank vastgestelde zorgregeling in onderling overleg door partijen is aangepast, in die zin dat de kinderen ieder weekend tot zondag 17.00 uur bij de moeder verblijven, in plaats van (eens per twee weken) tot maandagochtend voor schooltijd. Ter zitting van het hof hebben zij beiden verklaard het belangrijk te vinden dat de kinderen slapen op een plek waar ze de volgende ochtend naar school gaan, zodat ze kunnen acclimatiseren. Dit brengt meer rust voor de kinderen omdat ze maandagochtend dan niet ver hoeven te reizen.

Gelet hierop zal het hof zal de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling in die zin aanpassen.

4.14

Voorts is ter zitting van het hof gebleken dat de ouders moeite hebben om de vakanties te verdelen, in het bijzonder is er discussie over de op de vakanties en feestdagen aansluitende weekenden.

Het hof ziet hierin een aanleiding om ten aanzien van de verdeling van de vakanties een meer gedetailleerde regeling op te nemen, zoals hierna bij de beslissing weergegeven. Daarbij merkt het hof op dat Goede Vrijdag in deze regeling niet wordt beschouwd als deel uitmakend van het paasweekend.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking van 21 mei 2014 bekrachtigen. Voorts zal het hof de bestreden beschikking van 14 mei 2014 bekrachtigen voor zover het betreft de beslissing omtrent het hoofdverblijf van de kinderen en vernietigen voor zover het betreft de beslissing omtrent de zorgregeling.

5.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 21 mei 2014;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 14 mei 2014, voor zover het de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4] betreft;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 14 mei 2014, voor zover het betreft de beslissing omtrent de zorgregeling, en in zoverre opnieuw beslissende:

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder aldus dat de minderjarigen [de minderjarige1], [de minderjarige2], [de minderjarige3] en [de minderjarige4] bij de moeder verblijven

- het ene weekend van vrijdag na schooltijd tot zondagavond 17.00 uur;

- het andere weekend van zaterdagmiddag (na de sport) tot zondagavond 17.00 uur;

- de helft van de schoolvakanties, te weten in de even jaren de eerste helft van de schoolvakanties en in de oneven jaren de tweede helft van de schoolvakanties, waarbij geldt dat het weekend voorafgaand aan een vakantieweek telkens daarbij aansluit;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. J.G. Idsardi en mr. S. Rezel,

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 december 2014 in het bijzijn van de griffier.