Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9642

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
200.156.074-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Aanhoudende verwaarlozing van de kinderen heeft geleid tot aanzienlijke gedragsproblemen bij hen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.156.074/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/136005/ FJ RK 14-779)

beschikking van de familiekamer van 9 december 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.W. de Jong, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de stichting.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de vader],

wonende te [B],

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.M. van der Zee, kantoorhoudend te Leeuwarden,

2 [de pleegouders1],

wonende te [C],

hierna te noemen: de pleegouders van [de minderjarige1],

3 [de pleegouders2],

wonende te [D],

hierna te noemen: de pleegouders van [de minderjarige2] en [de minderjarige3].

1 Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 13 augustus 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, is de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1]), geboren [in] 2009, [de minderjarige2] (hierna; [de minderjarige2]), geboren [in] 2010, en [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3]), geboren [in] 2010, allen in de gemeente [E], in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de periode van 15 augustus 2014 tot 15 augustus 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 september 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de stichting tot verlenging van de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1], [de minderjarige2] en [de minderjarige3]

in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van 15 augustus 2014 tot 15 augustus 2015, alsnog af te wijzen, althans zodanig te beslissen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 oktober 2014, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.3

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 oktober 2014, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.4

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- een brief van 19 september 2014 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) met de mededeling dat de raad niet over relevante rapportage /adviezen beschikt;

- een journaalbericht van 9 oktober 2014 van mr. De Jong met bijlage (prod. 12: beschikking ondertoezichtstelling d.d. 9 augustus 2013);

- een journaalbericht van 6 november 2014 van mr. De Jong met bijlagen ( prod 13 en 14: het proces-verbaal d.d. 6 augustus 2014 en Evaluatie zorgplan Leger des Heils Noord d.d. 29 oktober 2014);

- een brief van 7 november 2014 van de stichting met als bijlage Evaluatie zorgplan Leger des Heils Noord d.d. 29 oktober 2014.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 17 november 2014 plaatsgevonden.

De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Namens de stichting zijn verschenen mr. [F], [G] (gezinsvoogd) en mevrouw [H]. De vader is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Zee.

Ook zijn verschenen mevrouw [I] (pleegmoeder van [de minderjarige1]) en de heer en mevrouw [de pleegouders2] (pleegouders van [de minderjarige2] en [de minderjarige3]).

Mr. Lautenbach heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities.

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder heeft zeven kinderen waarvan de oudste twee inmiddels meerderjarig zijn.

3.2

[de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2] staan sinds 15 augustus 2012 onder toezicht van de stichting. Deze maatregel is telkens verlengd; laatstelijk bij beschikking van 13 augustus 2014, voor de duur van 15 augustus 2014 tot 15 augustus 2015.

3.3

De moeder heeft een gezinscoach. De in maart 2013 door het Leger des Heils ingezette hulpverlening Tien voor Toekomst is met ingang van februari 2014 omgezet naar hulpverlening Stabiel, wat meer drang en dwang inhoudt. Zowel [de minderjarige1] als [de minderjarige3] en [de minderjarige2] gaan (tot juli 2014) eens in de twee weken naar een weekendpleeggezin.

3.4

De stichting heeft op 6 juni 2014 indicatiebesluiten genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”).

3.5

Om een eventuele uithuisplaatsing te voorkomen is de moeder op 3 juli 2014 met de kinderen gevlucht naar Zweden dan wel België. De stichting heeft aangifte gedaan en er is gedurende de zomer geen contact geweest tussen de moeder en de stichting, Jeugdhulp Friesland of het Leger des Heils. Op 17 augustus 2014 is de moeder weer teruggekeerd naar Nederland.

3.6

Bij beschikking van 16 juli 2014 heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2] dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de termijn van 16 juli 2014 tot 15 augustus 2014.

3.7

Bij afzonderlijke verzoekschriften van 21 juli 2014 heeft de stichting de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.8

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 13 augustus 2014 heeft de kinderrechter deze machtiging verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde met ingang van 15 augustus 2014 tot 15 augustus 2015.

3.9

[de minderjarige1], en de tweeling [de minderjarige3] en [de minderjarige2] zijn op 18 augustus 2014 in twee afzonderlijke pleeggezinnen geplaatst.

3.10

Het verzoek van de stichting tot machtiging tot uithuisplaatsing van de oudere halfzus van [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2], de elfjarige [de minderjarige4] (hierna: [de minderjarige4]), is door de kinderrechter bij beschikking van 29 augustus 2014 afgewezen. Sinds 1 september 2014 verblijft [de minderjarige4] weer thuis in het gezin van de moeder.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.2

De moeder kan zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2] niet verenigen. Zij stelt dat de kinderrechter aan de hand van de ter beschikking staande gegevens niet heeft mogen oordelen dat er gronden waren voor verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2].

De moeder herkent de door de stichting geuite zorgen niet. Deze zorgen betreffen kindermishandeling, het onverzorgd eruit zien van de kinderen en het dragen van te kleine kleding door de kinderen. En, zoals de moeder stelt, ook haar gezinscoach en de scholen herkennen deze zorgen niet. Zij heeft stukken in het geding gebracht waaruit dit zou blijken, waaronder het verslag van de gezinscoach van 8 mei 2014, het schrijven van de school van [de minderjarige1] (de OBS [J]) van 18 augustus 2014 en het schrijven mevrouw [K], de pedagogisch medewerker van de peuterspeelzaal van [de minderjarige3] en [de minderjarige2] van 18 augustus 2014. Volgens haar blijft de stichting hangen in het negatieve - in het verleden - en kijkt de stichting niet naar de huidige positieve ontwikkelingen.

Voor de moeder is onbegrijpelijk dat door de stichting in juli is besloten tot uithuisplaatsing over te gaan zonder haar voormalige gezinscoach bij deze beslissing te betrekken. De moeder voelt zich niet gehoord en niet serieus genomen. De moeder houdt zich aan alle afspraken en wil overal aan meewerken. De moeder erkent dat niet alles perfect was, maar zij was volgens haar (samen met haar gezinscoach) op de goede weg. Voor de moeder kwam de beslissing van de stichting om over te gaan tot indiening van het verzoek tot uithuisplaatsing van de kinderen dan ook als een verrassing. De moeder zegt enkel in paniek te zijn gevlucht voor de uithuisplaatsing.

Daarnaast stelt de moeder dat zij tijdens de vakantie in België behoorlijk is aangesterkt en zich zelf momenteel stabiel en in staat acht om de positieve lijn door te zetten en aan de te behalen doelen te werken. Zij wijst erop dat [de minderjarige4] inmiddels weer thuis woont en dat het goed gaat. Het huis is opgeruimd en schoon, er zijn nieuwe bedden voor de kinderen, er is rust gekomen en zij en [de minderjarige4] bouwen samen een band op. Ook met haar nieuwe gezinscoach klikt het goed. Er zijn nieuwe doelen opgesteld. De intensieve begeleiding door Tien voor Toekomst is volgens de moeder voldoende om de positieve lijn door te trekken en te werken aan de gestelde doelen. De moeder is van mening dat zij in samenwerking met weekendpleeggezinnen alle kinderen kan bieden wat ze nodig hebben.

De vader hoeft zich volgens de moeder geen zorgen te maken over haar oudste zoon [L]. Ten aanzien van het seksualiserende gedrag van de kinderen heeft de moeder ter zitting verklaard dat dit waarschijnlijk komt doordat de moeder de tweeling de afgelopen zomervakantie zindelijk heeft gemaakt, hetgeen volgens haar begrijpelijk maakt dat zij zich nu meer bewust zijn van hun onderlichaam.

De moeder maakt zich ook zorgen. Het gaat nu goed met de kinderen in de huidige pleeggezinnen, de moeder heeft gezien waar ze leven en heeft fijn contact met de pleegouders. Zij vindt het echter niet in hun belang dat zij, omdat zij niet langer in deze pleeggezinnen kunnen blijven, naar een andere plek moeten gaan verhuizen.

4.3

De stichting heeft de visie van de moeder ten aanzien van de verlenging van de uithuisplaatsing gemotiveerd bestreden en acht de uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg noodzakelijk in het belang van [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2].

Ondanks jarenlange hulpverlening is de moeder er niet in geslaagd om het patroon van verwaarlozing te doorbreken. Grote zorg is dat de moeder alle zorgen over de kinderen, hun gedrag en hetgeen zij over de thuissituatie vertellen geheel bagatelliseert. Daarbij ontbreekt in de visie van BJZ motivatie om de zaken structureel aan te pakken en te veranderen. Het perspectief van [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2] ligt volgens de stichting in de pleeggezinnen.

4.4

De vader maakt zich ernstige zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van zijn kinderen indien zij weer bij de moeder zouden gaan wonen. De vader is ervan overtuigd dat de moeder erg veel van de kinderen houdt, maar dat zij door overbelasting niet meer in staat is om goed voor de kinderen te zorgen.

De vader stelt dat de moeder met haar onaangekondigde vertrek naar het buitenland zeer veel onrust heeft gecreëerd bij de kinderen. De vader bestrijdt dat de moeder in deze in paniek heeft gehandeld. Hij wijst erop dat de moeder hem en de betrokken hulpinstanties maar liefst zes weken lang in het ongewisse heeft gelaten en hem ieder contact met zijn kinderen heeft onthouden. Volgens de vader is de moeder niet in staat om het belang van de kinderen voor ogen te houden.

De vader wijst tevens op de nieuwe, in de pleeggezinnen geconstateerde, zorgen ten aanzien van het seksueel grensoverschrijdend gedrag van de kinderen en de zorgelijke verhalen die daarmee samenhangen. Extra zorgelijk is dat de moeder die zorgen niet ziet en volledig wegwuift. Ook maakt de vader zich zorgen over het gedrag van de oudste kinderen van de moeder, en dan met name over het gedrag van de oudste zoon [L], zijn voorkeur voor extreem radicalisme, en de invloed die dat zou (kunnen) hebben op de andere kinderen.

Gelet op de recente ontwikkelingen acht de vader het in het belang van de kinderen dat zij de komende tijd tot rust komen in de pleeggezinnen waar zij thans verblijven. Tussen de vader en zijn kinderen vindt geregeld contact plaats en de vader ziet dat het verblijf in het pleeggezin zijn kinderen erg goed doet. Zij voelen zich volgens de vader veilig, weten waar zij aan toe zijn en zien er uitgerust uit.

4.5

Uit het beroepschrift, de overige stukken van het geding en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt naar het oordeel van het hof niet van andere omstandigheden dan die bij de rechtbank hebben geleid tot de (verlenging) van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2]. Op grond van die omstandigheden acht ook het hof een uithuisplaatsing aangewezen. De enkele omstandigheid dat de oudere dochter [de minderjarige4] weer in het gezin van de moeder woont en dat de moeder thans beter dan voorheen in staat blijkt te zijn [de minderjarige4] te bieden wat zij nodig heeft voor haar ontwikkeling, maakt dit niet anders. Samen met de stichting is het hof van oordeel dat bij dit gegeven de omstandigheid dat de jongens niet meer thuis wonen een belangrijke rol speelt, nu de moeder daardoor, met voortzetting van de hulpverlening, meer energie en draagkracht heeft om het huishouden op orde te houden en [de minderjarige4] thans, als enig thuiswonend kind, de aandacht te geven die zij verdient.

4.6

Het hof overweegt voorts dat, ondanks de langdurige intensieve hulpverlening in het gezin van de moeder door onder meer de stichting, de weekendpleegouders, de pleegzorgwerker en de vader, alsmede de voormalige gezinscoach van de moeder, ten aanzien van [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2] veel zorgsignalen naar voren zijn gekomen. Deze zorgsignalen betreffen onder meer -kort weergegeven- de gebleken aanhoudende verwaarlozing van de kinderen, die samenhangt met inadequate, onvoldoende gestructureerde verzorging en een tekort aan aandacht en die voorts nauw verband houdt met de omstandigheid dat bij de moeder sprake is van onvoldoende structuur (en van daardoor veroorzaakte vervuiling en chaos) in huis. Deze omstandigheden hebben geleid tot aanzienlijke gedragsproblemen bij de kinderen.

4.7

Alle drie de kinderen laten in de beide pleeggezinnen opvallend gedrag en onbegrensdheid zien, wat zijn oorzaak lijkt te vinden in de thuissituatie.

Zowel [de minderjarige1] als [de minderjarige3] en [de minderjarige2] hebben continu sturing en begrenzing nodig. Alle drie de kinderen vragen veel van de opvoeders doordat zij constant grenzen opzoeken en te vrij zijn in het aangaan van fysiek contact met zowel bekenden als vreemden. Helder is dat de kinderen thuis weinig structuur en grenzen hebben meegekregen. Zowel [de minderjarige2] als [de minderjarige3] had een compleet verstoord slaapritme. Aan het begin van de uithuisplaatsing vertoonden de kinderen veel agressie in hun spel, iets wat nu afneemt. De kinderen laten zien dat zij leerbaar zijn. Door de consequente benadering die ze thans geboden krijgen, zijn ze inmiddels rustiger geworden in hun gedrag. Ook zijn ze minder vermoeid.

Zorgelijk is dat alle drie de kinderen afzonderlijk van elkaar vertellen dat zij thuis werden geslagen door de moeder. Ook zijn er zorgen over het seksualiserende gedrag van de tweeling [de minderjarige3] en [de minderjarige2] en de zorgwekkende verhalen die zij vertellen over vergaande seksueel grensoverschrijdende handelingen die zouden hebben plaatsgevonden met hun neefje.

4.8

Daarbij komt dat de moeder in juli 2014, ten tijde van de door de rechtbank te nemen beslissing, met de kinderen is gevlucht naar een onbekende plek en zo de kinderen aan het gezag van de stichting heeft onttrokken. De hulpverlening kwam daardoor stil te liggen en er waren zorgen over de veiligheid van de kinderen.

4.9

Naast dat de hulpverlening niet tot resultaat heeft gehad dat de situatie rond de kinderen is verbeterd, heeft de moeder als probleem dat zij alle zorgen over de kinderen ontkent dan wel bagatelliseert en geen intrinsieke motivatie voor hulp heeft. De door de moeder aangehaalde verslagen en brieven waaruit zou moeten blijken dat er geen zorgen over de kinderen zijn overtuigen het hof niet. De rapportage van de voormalig gezinscoach vermeldt zelfs dat de meeste doelen niet gehaald zijn.

4.10

Geconcludeerd moet dan ook worden dat de moeder, ondanks het feit dat zij veel van [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2] houdt en ondanks de intensieve hulpverlening, onvoldoende in staat is om [de minderjarige1], [de minderjarige3] en [de minderjarige2] de stabiele, veilige en gestructureerde leefomgeving te bieden die zij nodig hebben.

4.11

Het hof is dan ook van oordeel dat de uithuisplaatsing gehandhaafd moet blijven, nu de door de rechtbank geconstateerde gronden voor verlenging van de uithuisplaatsing niet alleen nog steeds aanwezig zijn, maar dat na de uithuisplaatsing van de kinderen in de huidige pleeggezinnen de contra indicaties ten aanzien van hun eventuele terugkeer naar de moeder alleen maar sterker zijn geworden.

5 De slotsom

5.1

Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 13 augustus 2014.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.J. Buijs, voorzitter, mr. G.M. van der Meer en mr. J.G. Idsardi, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 december 2014 in bijzijn van de griffier.