Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9641

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
200.143.326-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Behoefte, behoeftigheid, draagkracht en jusvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.143.326/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/98400/FA RK 13-955 en
C/19/100997/FA RK 13-2476)

beschikking van de familiekamer van 2 december 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat voorheen: mr. K.I.M. Bos,

advocaat thans: mr. Y. Schippers, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [A],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. T. Meier, kantoorhoudend te Assen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 11 december 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 7 maart 2014;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 29 april 2014;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 20 juni 2014;

- een journaalbericht van mr. Schippers van 25 september 2014 met bijlage, ingekomen op 26 september 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 6 oktober 2014 plaatsgevonden. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. Schippers, en de vrouw, bijgestaan door mr. Meier.
Mr. Schippers heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1990 te [B] met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk

[in] 1990 te [B] [de meerderjarige1] (verder te noemen: [de meerderjarige1]), [in]
1993 te [B] [de meerderjarige2] (verder te noemen: [de meerderjarige2]) en [in] 1997 te [B] [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1]) zijn geboren.

3.2

Bij inleidend verzoekschrift van 29 maart 2013, ingediend ter griffie van de rechtbank op 4 april 2013, heeft de man de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De man heeft daarbij tevens nevenvoorzieningen verzocht.

3.3

De vrouw heeft zich tegen het inleidende verzoek van de man verweerd en heeft daarbij tevens een zelfstandig verzoek gedaan, inhoudende dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw een bedrag van € 1.250,- bruto per maand dient te voldoen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank redelijk acht, zulks met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk. De man heeft zich hiertegen verweerd.

3.4

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking waarvan beroep heeft
de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de man vanaf de dag van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van
€ 790,- bruto per maand dient te betalen. Bij deze beschikking, die op 31 maart 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is tevens de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3.5

Bij beroepschrift heeft de man het hof verzocht het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud af te wijzen, althans het te betalen bedrag op nihil te stellen.

3.6

Bij verweerschrift, tevens incidenteel appelschrift, heeft de vrouw het verzoek van
de man bestreden en het hof verzocht te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan haar een bedrag van € 1.250,- bruto per maand, althans een bedrag van € 1.028,- bruto per maand, althans een zodanig bedrag als het hof redelijk acht, dient te voldoen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.2

De man is met zes grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank van 11 december 2013. De grieven zien op de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man en meer specifiek op zijn woonlasten en de door hem betaalde bijdrage in de kosten voor [de meerderjarige1], [de meerderjarige2] en [de minderjarige1].

4.3

De vrouw is op haar beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen.
De grieven zien op de draagkracht van de man en meer specifiek op zijn ziektekosten, de door de man te betalen bijdrage voor de kinderen en de jusvergelijking.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

De behoefte van de vrouw

5.1

Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de onderhoudsgerechtigde wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de alimentatiebehoefte dient volgens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven in de laatste periode van het huwelijk, en daarnaast dient de behoefte zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde te worden bepaald. Hiertoe kan door de onderhoudsgerechtigde een gespecificeerde behoeftelijst worden opgesteld.

5.2

Indien geen gespecificeerde behoeftelijst voorhanden is of kan worden vastgesteld, wordt de behoefte doorgaans, indien daartegen van de zijde van de onderhoudsplichtige geen bezwaren naar voren zijn gebracht, gelijkgesteld aan 60% van het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, verminderd met de (eventuele) kosten van de kinderen en zonder overigens rekening te houden met de fiscale voordelen. In casu heeft de man zich echter tegen de toepasselijkheid van de 60%-norm verzet.

5.3

Het hof overweegt als volgt. De man heeft weliswaar de toepasselijkheid van de 60%-norm betwist, maar deze betwisting is naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan te nemen dat de behoefte van de vrouw niet gelijkgesteld kan worden aan 60% van het netto gezinsinkomen van partijen in de laatste periode van het huwelijk. Het hof is van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om gemotiveerd te stellen waarom toepassing van de 60%-norm volgens hem leidt tot een te hoge behoefte van de vrouw. Nu hij dit heeft nagelaten, en het hof overigens geen reden heeft om aan te nemen dat de behoefte in casu niet gelijkgesteld zou kunnen worden aan 60% van het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, zal het hof de 60%-norm toepassen.

5.4

Vast staat dat partijen hun gemeenschappelijke huishouding in maart 2012 hebben beëindigd. Tussen partijen is niet in geschil dat het netto maandinkomen van de man op dat moment € 4.461,- per maand bedroeg. De vrouw heeft haar netto inkomen in de laatste periode van het huwelijk in de door haar in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening (genaamd: behoefteberekening) becijferd op € 2.277,- per maand, welke berekening door de man niet is betwist, en heeft zich ook ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat dit de hoogte van haar netto inkomen was. Het hof zal de berekening van de vrouw echter in zoverre ambtshalve corrigeren, dat geen rekening wordt gehouden met de door haar opgevoerde alleenstaande-ouderkorting en aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Op deze bedragen hadden de man en de vrouw in de laatste periode van hun huwelijk immers geen recht. Het netto maandinkomen van de vrouw bedroeg aldus € 2.088,-. Voor de berekening van de behoefte van de vrouw dient derhalve te worden uitgegaan van een netto gezinsinkomen van € 6.549,- per maand.

5.5

Dit inkomen dient te worden verminderd met de kosten van de kinderen. Vast staat dat partijen in de laatste periode van het huwelijk onderhoudsplichtig waren voor hun minderjarige dochter [de minderjarige1]. Het hof is van oordeel dat naast [de minderjarige1] ook de (jong)meerderjarige [de meerderjarige2] ten laste van het gezinsinkomen van partijen is gekomen, nu vast staat dat [de meerderjarige2] evenals [de minderjarige1] studeerde, thuis woonde en daarvoor geen kostgeld betaalde. Het hof ziet aanleiding om ook de kosten van [de meerderjarige2] te berekenen aan de hand van de 'tabel eigen aandeel kosten van kinderen', behorend bij het Trema-rapport. Uit deze tabel volgt dat bij een netto gezinsinkomen van € 6.549,- per maand de kosten van twee kinderen € 1.155,-, oftewel € 577,50 per kind per maand bedragen. Daarnaast zal het hof rekening houden met een bedrag van € 300,- per maand ter zake van de kosten van [de meerderjarige1]. Hoewel [de meerderjarige1] in de laatste periode van het huwelijk van partijen reeds meerderjarig was, is uit de overgelegde stukken - met name het in concept opgestelde, maar uiteindelijk niet ondertekende ouderschapsplan - en het verhandelde ter zitting, gebleken dat de ouders het er over eens waren dat hij op dat moment financieel niet onafhankelijk was. In dat kader hebben zij de kosten van zijn levensonderhoud begroot op circa € 300,- per maand. Het hof zal dit bedrag eveneens ten laste te brengen van het netto gezinsinkomen van partijen in de laatste periode van hun huwelijk.

5.6

Op grond van het vorenstaande kan de behoefte van de vrouw worden becijferd op 60% van € 5.094,- (€ 6.549,- minus € 1.155,- minus € 300,-) = € 3.056,- netto per maand in 2012. Geïndexeerd naar 2014 is dat (afgerond) € 3.136,- netto per maand.

De behoeftigheid van de vrouw

5.7

Werkelijke of redelijkerwijs te verwerven eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de alimentatiebehoefte. Voor het bepalen van de behoeftigheid wordt daarom rekening gehouden met de inkomsten dan wel de redelijkerwijs te verwerven inkomsten van de onderhoudsgerechtigde.

5.8

Uitgaande van de tarieven 2014-1 en met inachtneming van de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2014 € 2.310,- per maand.

5.9

De man heeft een beroep gedaan op de verdiencapaciteit van de vrouw. Hij is van mening dat zij geheel in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien door ofwel haar huidige dienstbetrekking uit te breiden naar een fulltime dienstverband ofwel een andere fulltime dienstbetrekking te aanvaarden.

5.10

Naar het oordeel van het hof kan de vrouw thans in redelijkheid niet in staat worden geacht meer inkomsten uit arbeid te genereren dan zij al doet. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de vrouw ook tijdens het huwelijk parttime werkte. Daar komt bij dat de vrouw thans nachtdiensten draait en daar extra toeslagen voor ontvangt. Niet aannemelijk is dat zij door fulltime dagdiensten te gaan draaien - het draaien van fulltime nachtdiensten kan naar het oordeel van het hof niet van de vrouw worden verlangd - een hoger inkomen zal kunnen genereren. Of al dan niet sprake is van een vacaturestop kan dan ook in het midden blijven. Voorts kan naar het oordeel van het hof, gelet op de huidige economische situatie en de hoge werkloosheid, van de vrouw niet verwacht worden dat zij het vaste contract bij haar huidige werkgever opzegt om op basis van een tijdelijk contract elders werkzaamheden te gaan verrichten. Het vorenstaande in aanmerking genomen, heeft de vrouw nog steeds behoefte aan een (aanvullende) bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.

5.11

De aanvullende behoefte van de vrouw kan op grond van het vorenstaande worden becijferd op (afgerond) € 826,- netto per maand (€ 3.136,- minus € 2.310,-). Rekening houdend met de belasting die de vrouw over de door de man te betalen bijdrage verschuldigd is, heeft zij behoefte aan een bruto bijdrage van de man van afgerond € 1.717,- per maand.

De draagkracht van de man

* Te onderscheiden perioden

5.12

Het hof zal bij de vaststelling van de door de man te betalen onderhoudsbijdragen twee perioden onderscheiden. De eerste periode betreft de periode van de ingangsdatum van 31 maart 2014 tot 1 oktober 2014. Met ingang van 1 oktober 2014 zal geen rekening meer worden gehouden met de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [de meerderjarige2], nu [de meerderjarige2] per die datum haar opleiding heeft afgerond en een betaalde baan heeft gevonden, waarmee zij zelf in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien.

* De woonlasten

5.13

De man heeft betoogd dat rekening dient te worden gehouden met een bedrag van
€ 1.507,- netto per maand ter zake van zijn woonlasten. Volgens de man zullen zijn hypotheeklasten stijgen doordat hij de voormalige echtelijke woning overneemt.

5.14

Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende inzichtelijk gemaakt in hoeverre zijn hypotheeklasten als gevolg van de overname van de voormalige echtelijke woning zullen stijgen. De door de man overgelegde hypotheekopstelling van de [C-bank] is daartoe onvoldoende. De hypotheek van partijen bestaat thans uit vier leningdelen: een spaarhypotheek, een aflossingsvrij leningdeel en twee meegroei-leningdelen. De man stelt dat hij vanwege strengere hypotheekregels gehouden is al deze leningdelen om te zetten naar leningdelen met een annuïtaire aflossingsvorm en dat hij daardoor een hoger maandbedrag zal moeten betalen. Naar het oordeel van het hof krijgt de man echter slechts met deze strengere hypotheekregels te maken ten aanzien van het deel van de lening dat hij overneemt van de vrouw en ontbreekt in zoverre de noodzaak tot het aangaan van deze hogere woonlasten. Het hof is gelet op het vorenstaande met de vrouw van oordeel dat geen rekening kan worden gehouden met een stijging van de hypotheeklasten van de man en zal, gelijk de rechtbank, rekening houden met zijn huidige hypotheeklasten.

* De ziektekosten

5.15

Hoewel de vrouw betwist dat de man ook de premie zorgverzekering voor [de meerderjarige1] en [de meerderjarige2] betaalt, acht het hof het op grond van de overgelegde stukken aannemelijk dat de man deze premie wel betaalt. Het hof acht het redelijk om, gelijk de rechtbank, rekening te houden met een bedrag van € 250,- per maand ter zake van de premie zorgverzekering.

* Tussenconclusie

5.16

Het voorgaande en mede in aanmerking genomen de niet betwiste posten in de draagkrachtberekeningen van de rechtbank in eerste aanleg, leidt tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier van het hof gewaarmerkte draagkrachtberekeningen. Het hof tekent daarbij het volgende aan. Het hof heeft gelet op de ingangsdatum van de onderhoudsverplichting, anders dan de rechtbank, de tarieven 2014-1 gehanteerd.
Er is sprake van een miniem verschil tussen het bruto jaarinkomen dat de rechtbank in aanmerking heeft genomen (€ 83.000,-) en het bruto jaarinkomen dat de man in zijn in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening in aanmerking heeft genomen (€ 82.957,-). Het hof zal het door de rechtbank gehanteerde bruto jaarinkomen tot uitgangspunt nemen. Voorts zal het hof, anders dan de man in zijn in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening heeft gedaan, "boven de streep" het eigenwoningforfait en de bruto verschuldigde hypotheekrente in aanmerking nemen.

5.17

Uit de draagkrachtberekeningen blijkt dat de draagkrachtruimte van de man € 2.257,- per maand bedraagt. Van deze draagkrachtruimte is in beginsel 60%, oftewel € 1.354,- beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de vrouw.

* De bijdrage van de man in de kosten van de kinderen

5.18

Deze voor partneralimentatie beschikbare draagkrachtruimte dient evenwel te worden verminderd met de kosten van de kinderen.

5.19

Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.5 overwogen, bedroegen de kosten van [de meerderjarige2] en [de minderjarige1] in 2012 € 577,50 per kind per maand, hetgeen geïndexeerd naar 2014 overeenkomt met een bedrag van € 592,61 per kind per maand.

5.20

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de man € 210,- per kind per maand voldoet voor [de meerderjarige2] en [de minderjarige1] en dat dit de verblijfsoverstijgende kosten betreffen. De vrouw voldoet in dat kader € 40,- per maand ten behoeve van [de minderjarige1].

5.21

Door de man wordt derhalve ten aanzien van [de meerderjarige2] in het kader van de verblijfskosten in haar behoefte voorzien met een bedrag van € 592,- minus € 210,- =
€ 382,61 x 50% = (afgerond) € 191,- per maand. De man draagt dus kosten voor [de meerderjarige2] van € 210,- + € 191,- = € 401,- per maand. Met betrekking tot [de minderjarige1] is dit een bedrag van
€ 210,- + (afgerond) € 171,- per maand = € 381,- per maand.

5.22

In verband met de bijzondere omstandigheden van [de meerderjarige1] zijn beide partijen het erover eens dat hij - ondanks zijn leeftijd - financieel ondersteund dient te worden. De man doet dat met € 300,- per maand.

5.23

Op grond van het vorenstaande zal het hof in het kader van de berekening van de hoogte van de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw in de periode tot 1 oktober 2014 rekening houden met een bedrag van € 1.082,- per maand ter zake van de kosten van de kinderen. Voor de vrouw resteert dan een draagkracht van € 272,- per maand (€ 1.354,- minus € 1.082,-). Gelet op het door de man te genieten fiscaal voordeel wegens de mogelijkheid om betaalde partneralimentatie van zijn inkomen af te trekken, kan de man ten behoeve van de vrouw maandelijks een bedrag van € 566,- voldoen.

5.24

Vanaf 1 oktober 2014 vervallen de kosten voor [de meerderjarige2] in verband met het feit dat zij vanaf die datum in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. In de periode vanaf 1 oktober 2014 zal het hof daarom in het kader van de berekening van de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw rekening houden met een bedrag van
€ 681,- per maand ter zake van de kosten van de kinderen. Voor de vrouw resteert dan een draagkracht van € 673,- per maand (€ 1.354,- minus € 681,-). Gelet op het door de man te genieten fiscaal voordeel wegens de mogelijkheid om betaalde partneralimentatie van zijn inkomen af te trekken, kan de man ten behoeve van de vrouw maandelijks een bedrag van
€ 1.402,- voldoen. De op te leggen bijdrage wordt evenwel begrensd door de door de vrouw verzochte bijdrage van € 1.250,- bruto per maand.

* Jusvergelijkingen

5.25

Het hof heeft zogenaamde jusvergelijkingen gemaakt. Daarin heeft het hof rekening gehouden met de hiervoor vermelde financiële gegevens van partijen en aan beide zijden de norm voor een alleenstaande in aanmerking genomen.

5.26

Uit de jusvergelijking betreffende de periode tot 1 oktober 2014 blijkt dat de vrouw bij een partneralimentatie van € 566,- bruto per maand meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Bij een alimentatie van € 285,- per maand hebben partijen een gelijke vrije ruimte. Het hof zal daarom dit bedrag vaststellen.

5.27

Uit de jusvergelijking betreffende de periode vanaf 1 oktober 2014 blijkt dat de vrouw bij een partneralimentatie van € 1.250,- bruto per maand meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Bij een alimentatie van € 684,- per maand hebben partijen een gelijke vrije ruimte. Het hof zal daarom dit bedrag vaststellen.

* Verzoek tot limitering

5.28

Met betrekking tot het verzoek van de man om de duur van de onderhoudsverplichting te limiteren, overweegt het hof als volgt.

5.29

Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW is uitgangspunt dat de onderhavige onderhoudsverplichting van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van dat artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren.

5.30

Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde - behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval - definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Om die reden worden er hoge eisen gesteld aan de motivering van zo'n (verzoek tot) limitering. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor hem passende wijze in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

5.31

In het onderhavige geval ziet het hof geen aanleiding de duur van de onderhouds-verplichting te limiteren als door de man bepleit. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd waarom na vijf jaren een definitief einde dient te worden gemaakt aan het recht op levensonderhoud van de vrouw. Ook overigens ziet het hof in de feiten en omstandigheden van het geval geen grond voor limitering van de onderhoudsverplichting.

Conclusie

5.32

Op grond van het vorenstaande zal het hof, onder vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, bepalen dat de man met ingang van 31 maart 2014 tot 1 oktober 2014 dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van
€ 285,- per maand en met ingang van 1 oktober 2014 met een bedrag van € 684,- per maand.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 11 december 2013, voor zover het de daarbij vastgestelde bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 31 maart 2014 tot 1 oktober 2014 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 285,- per maand en vanaf 1 oktober 2014
€ 684,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. A.H. Garos en mr. D.J. Buijs, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 december 2014 in bijzijn van de griffier.