Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9606

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
200.128.918-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen onderzoeksplicht verzaakt bij (particuliere) aankoop tweedehands auto, waarvan later is gebleken dat deze was gestolen en dat het chassisnummer en het kentekenbewijs waren vervalst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.128.918/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/92703/ HA ZA 12-122)

arrest van de eerste kamer van 9 december 2014

in de zaak van

[appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in vrijwaring,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. L.H. Haarsma, kantoorhoudend te Paterswolde,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 1],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in vrijwaring,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. Th. Martens, kantoorhoudend te Assen.

Het hof acht het tussen partijen gewezen tussenarrest van 15 juli 2014 als hier herhaald en ingelast.

Het verdere verloop van de procedure

1.1 Nadat het hof bij voormeld tussenarrest [appellante] in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de door [geïntimeerde] bij antwoordakte overgelegde producties, heeft [appellante] zich daarover bij akte uitgelaten.

1.2 Nadien heeft [geïntimeerde] een antwoordakte na tussenarrest genomen.

1.3 Ten slotte hebben partijen wederom de stukken overgelegd voor arrest en heeft het hof arrest bepaald.

De nadere beoordeling

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet (voldoende) gemotiveerd weersproken en op grond van de overgelegde stukken, voor zover niet weersproken, staan de volgende feiten tussen partijen vast.

2.1

[geïntimeerde], die naast zijn reguliere baan bij [werkgever] sinds 10 juli 2001 als eenmanszaak “[geïntimeerde] Auto’s” met als activiteiten handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s staat ingeschreven in het handelsregister, heeft op

7 november 2009 een VW Transporter 2.5 TDI met het kenteken [kenteken 1] (hierna: VW) van een zekere [X] gekocht en geleverd gekregen, en wel tegen een kooprijs van € 13.000,-.

2.2

Deze auto stond daarvoor sinds 3 november 2009 op Markplaats.nl te koop. Op de auto zijn in ieder geval zes biedingen gedaan.

2.3

Voor deze aankoop heeft [geïntimeerde] het kenteken van deze auto op de website van RDW gecontroleerd. Daarbij bleek uit de historie van deze auto dat deze auto, sinds deze in het verkeer was gebracht, één eigenaar had en dat deze niet als gestolen geregistreerd stond.

2.4

Bij de levering heeft [X] daarbij aan [geïntimeerde] het op [X] naam gestelde kentekenbewijs overhandigd, terwijl de VW met dit kentekenbewijs is overgeschreven naar [geïntimeerde]. Voorts heeft [geïntimeerde] voorafgaande aan deze levering, gecontroleerd of het chassisnummer overeenkwam met dat op de kentekenbewijzen en heeft hij vastgesteld dat dit het geval was. Verder heeft hij de auto gecontroleerd op (braak)schade - die er niet was - , terwijl de twee aan hem overhandigde sleutels pasten op de sloten.

2.5

[geïntimeerde] heeft op 4 januari 2010 van [appellante] een Audi A4 gekocht tegen inruil van de VW en bijbetaling van € 3.000,-.

2.6

[appellante] heeft op 13 januari 2010 de VW verkocht aan [Y] (hierna: [Y]). De auto is vervolgens op 16 januari 2010 aan [Y] geleverd.

2.7

Op 1 maart 2010 is de politie Brabant Noord gebleken dat de VW is s 'omgekat' en dus gestolen is. Van deze diefstal is op 2 november 2009 aangifte gedaan door de toenmalige eigenaar van deze VW, [Z]. Deze VW had toen het kenteken [kenteken 2].

Op 3 maart 2010 is de VW bij [Y] (strafrechtelijk) in beslag genomen.

2.8

Blijkens het proces-verbaal voertuig identificatie BVH nummer [nummer] is het Voertuig Identificatie Nummer (V.I.N.), ook wel chassisnummer genoemd, [chassisnummer 1] vals. Er is een metalen plaatje van 15 cm bij 4 cm met voormeld (vals) V.I.N. over het van fabriekswege ingeslagen V.I.N. aangebracht. Na verwijdering van dit metalen plaatje is gebleken dat daaronder in het schutbord het juiste V.I.N. was te lezen, te weten: [chassisnummer 2].

2.9

Blijkens een brief van RDW aan Haarsma Advocaten van 14 november 2012 (productie 4 bij memorie van grieven) stond het kentekenbewijs voorafgaand aan de overdracht van de VW aan [geïntimeerde] in werkelijkheid op naam van [Q], wonende te [woonplaats 2].

2.10

[Y] heeft [appellante] tot schadevergoeding aangesproken, terwijl [appellante] bij vonnis in het incident van de rechtbank Assen van 1 juni 2011 in dit geding is toegestaan [geïntimeerde] in vrijwaring op te roepen. [appellante] is vervolgens bij vonnis van de rechtbank Assen van 29 februari 2012 in het hoofdgeding veroordeeld tot vergoeding aan

[Y] van een bedrag van € 15.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en in de proceskosten.

3 Het geschil en de beslissing van de rechtbank

3.1

In het onderhavige geschil heeft [appellante] in vrijwaring veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd om aan [appellante] te betalen al datgene waartoe [appellante] in de hoofdzaak bij vonnis jegens [Y] mocht worden veroordeeld met veroordeling in de kosten van het geding in de hoofdzaak en in vrijwaring (bij vonnis van de rechtbank Assen van

29 februari 2012 is [appellante] in de hoofdzaak veroordeeld tot vergoeding aan [Y] van een bedrag van € 15.000,- , vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten). Daartoe heeft [appellante] - kort gezegd - aangevoerd dat [geïntimeerde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld dan wel is tekortgeschoten in de nakoming jegens hem van zijn verplichtingen door de van diefstal afkomstige VW bij hem in te ruilen, hetgeen [geïntimeerde] is te verwijten.

3.2

Na verweer van [geïntimeerde], heeft de rechtbank bij vonnis van 6 februari 2013 de vordering afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Het hof stelt bij de bespreking van de grieven voorop dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat de vordering van [appellante] alleen toewijsbaar is indien [geïntimeerde] bij de aankoop van de VW is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht. De rechtbank is vervolgens nagegaan of hem op dit punt "een verwijt" kan worden gemaakt. Dit uitgangspunt wordt door de grieven niet ter discussie gesteld. In hoger beroep staat dan ook slechts ter discussie of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] bij de aankoop van de VW niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht.

4.2

Grief I is gericht tegen het oordeel (onder 5.3) van het bestreden vonnis, inhoudend dat aan [geïntimeerde] niet kan worden tegengeworpen het feit dat uit de historie van de (gestolen) VW blijkt dat niet [X] - waarvan [geïntimeerde] de VW heeft gekocht - maar Holten de laatste eigenaar van de VW was, alsmede tegen het uitgagspunt van de rechtbank dat [geïntimeerde] als particulier heeft gehandeld. Met grief II komt [appellante] op tegen het oordeel in het bestreden vonnis (onder 5.3) dat [geïntimeerde] een plausibele verklaring heeft gegeven voor het kortdurende bezit van de VW van [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] daarom ter zake geen verwijt valt te maken.

4.3

Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] als professional de VW van [X] gekocht en deze iets meer dan twee maanden later bij [appellante] ingeruild. [geïntimeerde] stelt zich evenwel op het standpunt dat hij bij de aankoop van deze auto als particulier heeft gehandeld. Hij heeft de auto immers voor zijn vrouw gekocht, terwijl de auto tevens makkelijk was in verband met zijn verbouwingsplannen. Nadat was gebleken dat zijn vrouw met de auto niet goed overweg kon, heeft hij besloten de auto weer van de hand te doen, aldus [geïntimeerde].

Dat [geïntimeerde] de VW van [X] voor zijn vrouw heeft gekocht, is niet voldoende gemotiveerd door [appellante] weersproken. Daarmee is deze aankoop te kwalificeren als een particuliere transactie. In zoverre slaagt grief I (zonder dat dit tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden). Aangezien vast staat dat [geïntimeerde] sinds 10 juli 2001 daadwerkelijk de eenmanszaak “[geïntimeerde] Auto’s” met als activiteiten handel in en reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s voert, heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof ook bij particuliere transacties wel een meer dan gemiddelde deskundigheid ter zake van kwaliteit van tweedehandsauto’s. Dit brengt mee dat op hem bij de aankoop van de VW van [X] een zwaarwegender onderzoeksplicht rustte dan op een gemiddelde leek.

4.4

Gelet op de hiervoor onder 3 vaststaande feiten staat evenwel vast dat [geïntimeerde] voor de aankoop van de VW van [X] het kenteken van deze auto op de website van RDW heeft gecontroleerd en dat daarbij uit de historie van deze auto bleek dat deze auto, sinds deze in het verkeer was gebracht, één eigenaar had en dat deze niet als gestolen geregistreerd stond. Voorts staat vast dat [geïntimeerde], voorafgaande aan de koop van de VW van [X], heeft gecontroleerd of het chassisnummer overeenkwam met dat op de kentekenbewijzen en heeft vastgesteld dat dit het geval was. Verder staat vast dat ten tijde van de aankoop van de VW door [geïntimeerde] van [X] het aan [geïntimeerde] overhandigde kentekenbewijs op naam van deze [X] stond, terwijl de VW met dit kentekenbewijs is overgeschreven naar [geïntimeerde]. Niet gebleken is dat eenvoudig kenbaar was dat het kentekenbewijs was vervalst. Ten slotte staat niet ter discussie dat de twee autosleutels voorhanden waren. [appellante] verwijt (klaarblijkelijk) weliswaar [geïntimeerde] ook dat hij geen aanvullend onderzoek heeft verricht bij de RDW om de juiste historie van de tenaamstelling van het kentekenbewijs van de VW te achterhalen, maar hij voert geen bijzondere redenen aan waarom [geïntimeerde] dit aanvullend onderzoek had behoren te verrichten. Voor zover [appellante], mede gelet op grief II, als reden mocht hebben bedoeld dat [geïntimeerde] de VW gedurende slechts korte tijd in bezit heeft gehad, acht het hof dit onvoldoende grond om voormeld aanvullend onderzoek (bij RDW) te verrichten. Aldus gaat het hof aan voormelde stelling voorbij.

4.5

Aldus heeft [geïntimeerde], ook uitgaande van zijn meer dan gemiddelde deskundigheid, naar het oordeel van het hof bij de aankoop van de VW van [X] geen onderzoeksplicht verzaakt en kan hem niet worden verweten niet te hebben ontdekt dat het chassisnummer genoemd, [chassisnummer 1] vals was en dat er een metalen plaatje van 15 cm bij 4 cm met voormeld (vals) V.I.N. over het van fabriekswijze ingeslagen V.I.N. was aangebracht. Daarbij komt dat de rechtbank voorts het volgende onder 5.3 van het bestreden vonnis heeft overwogen: “Bovendien merkt gedaagde in vrijwaring ([geïntimeerde], toevoeging hof) terecht op, dat eiseres in vrijwaring ([appellante], toevoeging hof), die een professioneel autohandelaar is, bij de inruil van de VW zelf niet heeft gecontroleerd dat er met het chassisnummer was geknoeid.” Daartegen is niet gegriefd, noch zijn daartegen anderszins bezwaren geuit. Dit brengt mee dat ook het hof daarvan uitgaat. Welnu, indien [appellante] zelf - als professioneel autohandelaar - dit niet heeft gecontroleerd, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat [geïntimeerde] in zijn zorgplicht is tekortgeschoten door niet te controleren of onder het chassisplaatje een ander plaatje aanwezig was. Dat dit bij een inspectie van het chassisplaatje zichtbaar was, heeft [appellante] niet gesteld. Dit betekent dat grief I niet gegrond is.

4.6

[geïntimeerde] heeft naar voren gebracht dat hij, nadat was gebleken dat zijn vrouw niet goed met de VW overweg kon, iets meer dan twee maanden na de aankoop heeft besloten deze auto weer van de hand te doen. Het hof acht deze verklaring voldoende plausibel. Afgezien daarvan is de korte tijd dat van de VW gebruik is gemaakt (door de vrouw van [geïntimeerde]) hoe dan ook onvoldoende om het handelen van [geïntimeerde] als onzorgvuldig te kwalificeren. Daarmee is ook grief II ongegrond.

4.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. [appellante] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten (tarief II, 1,5 punt).

Beslissing

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 6 februari 2013 van de rechtbank Noord-Nederland. locatie Assen;

veroordeelt [appellante], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.341,- voor geliquideerd salaris van de advocaat en € 299,- voor verschotten.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Groefsema, mr. H. de Hek en mr. A.K. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

9 december 2014.