Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9530

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
21-004155-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

Vrijspraak voor in de tenlastelegging genoemde poging diefstal met geweld en poging afpersing. Uit dossier blijkt onvoldoende dat het door verdachte gebruikte geweld gerelateerd was aan een (vooropgezet) plan of bedoeling van verdachte en/of zijn medeverdachte om langs die weg geld te halen bij het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004155-14

Uitspraak d.d.: 11 december 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 7 juli 2014 met parketnummer 16-655074-13 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-066901-13, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 november 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.F. Ronday, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Leusden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk[slachtoffer] van het leven te beroven, althans aan[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) (gezamenlijk)

- naar de woning van die [slachtoffer] gegaan en/of

- met een mes (althans een scherp en/of puntig voorwerp) in de hals en/of keel van die [slachtoffer] gestoken en/of geprikt en/of gesneden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Leusden, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen 30 euro, althans een geldbedrag, in elk geval een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van 30 euro, althans een geldbedrag, in elk geval een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (gezamenlijk)

- naar de woning van die [slachtoffer] gegaan en/of

- om 30 euro, althans een geldbedrag, gevraagd

en/of welke poging diefstal en/of poging afpersing werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde[slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan een of meer mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- met een mes (althans een scherp en/of puntig voorwerp) in de hals en/of keel van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde poging doodslag wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde poging diefstal met geweld en poging afpersing heeft begaan, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Daarbij wordt het volgende overwogen:

Het hof leidt uit het dossier af dat medeverdachte [medeverdachte] naar[slachtoffer] toe ging om geld te halen. Uit het dossier valt echter niet op te maken hoe [medeverdachte] dit geld wilde gaan halen en wat de bedoeling was van de aanwezigheid van verdachte. Vaststaat dat verdachte geweld heeft gebruikt jegens [slachtoffer]. Uit het dossier blijkt echter onvoldoende dat dit geweld gerelateerd was aan een (vooropgezet) plan of bedoeling van verdachte en/of medeverdachte om langs die weg geld te halen bij het slachtoffer. Onvoldoende is gebleken dat er afspraken zijn gemaakt tussen verdachte en [medeverdachte], in welke vorm dan ook. [slachtoffer] heeft weliswaar verklaard dat [medeverdachte] verdachte op enig moment heeft geroepen, maar zijn verklaring wordt op dit onderdeel niet bevestigd door anderen, die zich op gehoorsafstand van [slachtoffer] en [medeverdachte] bevonden en zelfs als het zo zou zijn dat [medeverdachte] iets naar verdachte zou hebben geroepen, staat nog niet vast dat dit was om met geweld of bedreiging met geweld geld van [slachtoffer] te krijgen. Ook is waar dat verdachte [slachtoffer] met een mes heeft gestoken, nadat [slachtoffer] geweigerd had geld te geven aan [medeverdachte], maar onvoldoende staat vast dat verdachte door die weigering en het streven [slachtoffer] alsnog te laten betalen, geweld heeft toegepast. Het hof kan niet uitsluiten dat verdachte heeft gestoken als gevolg van de wijze waarop [slachtoffer] [medeverdachte] bejegende in combinatie met de psychische problematiek van verdachte (onder meer PTSS en ADHD) en het feit dat hij (waarschijnlijk) onder invloed van drugs verkeerde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 september 2013 te Leusden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte,

- naar de woning van die [slachtoffer] gegaan en

- met een mes (althans een scherp en/of puntig voorwerp) in de hals van die [slachtoffer] gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

Doodslag -ook een poging daartoe- wordt algemeen als één van de meest ernstige delicten van het Wetboek van Strafrecht beschouwd. Het hof is dan ook van oordeel dat het door verdachte gepleegde feit een zeer ernstig feit is, waarvoor een forse gevangenisstraf opgelegd dient te worden.

Met zijn handelen heeft verdachte in ernstige mate inbreuk gemaakt op de lichamelijke, maar ook psychische integriteit van de slachtoffers. Naar de ervaring leert zal het slachtoffer nog lange tijd gevolgen ondervinden van wat hem is overkomen.

Het bewezenverklaarde draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt in de samenleving in het algemeen en bij de slachtoffers en diens omgeving en in die van degenen die het gebeurde hebben gezien in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie is verdachte reeds meermalen veroordeeld, hoewel niet voor geweldsdelicten, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Bij de strafbepaling heeft het hof acht geslagen op de verschillende rapportages die omtrent (de persoon van) verdachte zijn opgemaakt. In het bijzonder heeft het hof gelet op het rapport van Victas, centrum voor verslavingszorg, van 27 mei 2014, waarin wordt geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, opname in een zorginstelling en een ambulante behandeling.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een meldplicht, een verplichte klinische opname in een verslavingskliniek en daarop volgend een ambulante behandeling voor zijn middelen- en persoonlijkheidsproblematiek, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij[slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Utrecht van 31 mei 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, parketnummer 16-066901-13. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder toezicht van Victas, centrum voor verslavingszorg, en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen door of namens deze instelling te geven;

- dat verdachte zich (uiterlijk) binnen drie dagen volgend op zijn ontslag uit de penitentiaire inrichting zal melden bij reclassering Victas op het adres ABC-straat 5 te Utrecht, en zich hier gedurende de proeftijd moet blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat verdachte wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich te laten opnemen in een (Forensische) verslavingskliniek of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, gedurende een periode van maximaal 9 maanden, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

- dat verdachte wordt verplicht om zich - na de opnameperiode in een (Forensische) verslavingskliniek - te laten behandelen voor middelen- en persoonlijkheidsproblematiek bij de Forensische Poli van Victas of een soortgelijke forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt voornoemde reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij[slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij[slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000 (duizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd[slachtoffer], een bedrag te betalen van € 1.000 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Utrecht van 31 mei 2013, parketnummer 16-066901-13, te weten van:

- een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Aldus gewezen door

mr. H. Abbink, voorzitter,

mr. J.D. den Hartog en mr. J.P. Bordes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 11 december 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.