Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9511

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
05-03-2015
Zaaknummer
200.133.753
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

3:61, 3:170, 3:217, 7:311 en 7:317 BW

Vordering tot schriftelijke vastlegging van pachtovereenkomst. Gemeenschap. Totstandkoming van pachtovereenkomst met alle deelgenoten of met één van hen?

Tot het verpachten van het aan hen toebehorende perceel waren de deelgenoten uitsluitend tezamen bevoegd. Dat het perceel door een van hen werd beheerd maakt dat niet anders. Dat geldt ook voor zover deze deelgenoot met betrekking tot het perceel een persoonlijk recht van vruchtgenot had. Van vruchtgebruik is geen sprake.

Geen schijn van volmacht. De enkele omstandigheid dat appellant de grond gebruikte, behoefde voor de andere deelgenoten geen aanleiding te zijn om te begrijpen dat mede namens hen een pachtovereenkomst zou zijn gesloten. Dat gebruik kon immers ook om niet plaatsvinden, zoals dat zeker in de verhouding tussen buren en vrienden niet ongebruikelijk is. Het verrichten van allerlei diensten, hebben de overige deelgenoten kunnen en mogen opvatten als vrienden- en burendienst. Ook beweerde investering in nieuwe drainage geen kenbare tegenprestatie. Onderzoeksplicht. Volgt afwijzing van vordering tot vastlegging van pachtovereenkomst met alle deelgenoten.

Bewijsopdracht met betrekking tot de beweerde totstandkoming van pachtovereenkomst met één deelgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 3, p. 150
annotatie in TvAR 2015/5817, UDH:TvAR/12527
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.133.753

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, zittingsplaats Middelburg, 251042)

arrest van de pachtkamer van 9 december 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. W.M. Bijloo,

tegen:

1 [Deelgenoot 1],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

2. [Deelgenoot 2],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

3. [Deelgenoot 3],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

4. [Deelgenoot 4],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

5. [Deelgenoot 5],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. H.M. Den Hollander,

6. [Deelgenoot 6],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J.T. Fuller,

7. [Deelgenoot 7],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

8. [Deelgenoot 8],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

geïntimeerden in het principaal beroep,

[Deelgenoot 6] tevens appellante in het voorwaardelijk incidenteel beroep;

hierna gezamenlijk: [Deelgenoten]

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 26 juli 2013, dat de pachtkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, zittingsplaats Middelburg, tussen [appellant] als eiser en [Deelgenoten] als gedaagden heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaarding in hoger beroep van 23 augustus 2013, tevens houdende eiswijziging;

■ het anticipatie-exploot en de oproepingen van 6 en 9 september 2013;

■ de memorie van grieven;

■ de memorie van antwoord van [Deelgenoot 5];

■ de memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in (voorwaardelijk) incidenteel appel van [Deelgenoot 6];

■ de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van de advocaten van [appellant] en [Deelgenoot 5] en overigens overeenkomstig de aantekeningen van de griffier.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

3 De vaststaande feiten

3.1

[Deelgenoten] zijn de kinderen van [A], overleden op 22 augustus 1979, en [B], overleden op 30 januari 1983. Zij zijn erfgenamen van [B]. Tot haar nalatenschap behoort een perceel aan de [straat] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie H nummer 528, groot 4.99.05 hectare, bestaande uit akkerbouwland en gebouwen (hierna: het perceel). Het perceel is onverdeeld in eigendom van [Deelgenoten]

3.2

[Deelgenoot 3] woonde tot 2010 in de woning op het perceel, tot hun overlijden met zijn ouders. Hem is door zijn ouders een (persoonlijk) recht van vruchtgenot verschaft met betrekking tot in ieder geval de woning en de landbouwinspan.

3.3

Op 11 november 2010, na zijn verhuizing naar een verzorgingshuis in [plaats], ondertekende [Deelgenoot 3] een verklaring. Die komt erop neer dat hij met goedvinden van al zijn broers en zussen (die dit ook alle jaren hebben gezien) vanaf 29 februari 1990 aan [appellant] het perceel met uitzondering van het erf en de gebouwen heeft verpacht met als tegenprestatie een jaarlijkse contante betaling van eerst ƒ 1.000,— en later € 500,— en zijn verzorging, bestaande uit het doen van boodschappen, een dagelijkse warme maaltijd, reparaties aan het huis, transport naar bijvoorbeeld het ziekenhuis en het draineren van het perceel.

3.4

Op 2 november 2013 heeft [Deelgenoot 3] een nieuwe verklaring ondertekend. Deze verklaring komt erop neer dat hij namens zichzelf en de overige erven [Deelgenoten] het bouwland en weiland aan de [straat] te [plaats] al meer dan 20 jaar lang verpacht aan [appellant] en dat hij daarvoor als tegenprestatie jaarlijks € 500,— ontvangt en persoonlijke verzorging. Volgens de verklaring neemt [appellant] ook het onderhoud voor zijn rekening.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

In dit geding heeft [appellant] primair vastlegging gevorderd van een pachtovereenkomst met [Deelgenoten] en subsidiair vastlegging van een pachtovereenkomst met [Deelgenoot 3]. Beide vorderingen zijn door de pachtkamer in eerste aanleg afgewezen. Bij appeldagvaarding heeft [appellant] zijn eis vermeerderd met een meer subsidiaire vordering tot schadevergoeding ex artikel 3:70 BW jegens [Deelgenoot 3].

4.2

Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

4.3

Grief I in het principaal beroep heeft betrekking op de feitenvaststelling door de rechtbank. De grief gaat er ten onrechte van uit dat de pachtkamer in eerste aanleg gehouden was tot een volledige weergave van de feiten. Voor zover [appellant] aanvoert dat de feiten onjuist door de pachtkamer in eerste aanleg zijn weergegeven, is zijn grief onvoldoende gemotiveerd. De grief faalt dus.

4.4

Met de grieven II en III in het principaal beroep stelt [appellant] zich op het standpunt dat [Deelgenoot 3] als “vruchtgebruiker”, mede-eigenaar, erfgenaam, gebruiker en beheerder van het perceel bevoegd was tot het aangaan van een pachtovereenkomst namens [Deelgenoten]

4.5

Deze grieven falen. Van vruchtgebruik is geen sprake, maar in plaats daarvan van een persoonlijk recht van vruchtgenot. Artikel 3:217 Burgerlijk Wetboek vindt dus geen toepassing. Tot het verpachten van het perceel waren [Deelgenoten] op grond van artikel 3:170 lid 3 BW als deelgenoten uitsluitend tezamen bevoegd. Dat [Deelgenoot 3] het perceel met toestemming van de andere deelgenoten gebruikte en beheerde, maakt dat niet anders. Dat geldt ook indien het persoonlijk recht van vruchtgenot naar de bedoeling van [Deelgenoten] mede zag op het perceel. Ook het bedoelde vruchtgenot ziet immers naar zijn aard op het gebruik van het perceel en niet op het verrichten van rechtshandelingen met betrekking tot het perceel.

4.6

De grieven IV tot en met VII in het principaal beroep hebben betrekking op de vraag of [appellant] gerechtvaardigd heeft kunnen vertrouwen op het bestaan van een door de overige deelgenoten aan [Deelgenoot 3] verstrekte volmacht, althans – zo begrijpt het hof de stellingen van [appellant] mede – op bekrachtiging door deze deelgenoten van een onbevoegdelijk door [Deelgenoot 3] namens alle deelgenoten gesloten pachtovereenkomst.

4.7

Het hof stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat [appellant] met toestemming van [Deelgenoot 3] de grond gebruikte, voor de andere deelgenoten geen aanleiding hoefde te zijn om te begrijpen dat mede namens hen met [appellant] een pachtovereenkomst zou zijn gesloten. Vast staat dat [appellant] in het verleden de grond heeft bewerkt en daarvoor betaald heeft gekregen (‘labeur”). Dat gebruik kon daarnaast ook om niet plaatsvinden, zoals dat zeker in de verhouding tussen buren en vrienden niet ongebruikelijk is. In dit verband is het veelzeggend dat zich in het dossier diverse schriftelijke verklaringen van [Deelgenoot 3] en [appellant] bevinden volgens welke sprake is van gebruik om niet. Er bestond zo bezien dus ook geen aanleiding voor de andere deelgenoten om [appellant] te wijzen op de onbevoegdheid van [Deelgenoot 3] om mede namens de andere deelgenoten een pachtovereenkomst aan te gaan. Uit de omstandigheid dat de andere deelgenoten geen bezwaar hebben gemaakt tegen het door [Deelgenoot 3] toegestane gebruik van de grond door [appellant], mocht [appellant] dus niet zonder meer afleiden dat er mede namens hen een pachtovereenkomst was gesloten. De omstandigheid dat [appellant] veel voor [Deelgenoot 3] deed (onder meer noodreparaties aan de woning, rijden naar de supermarkt voor boodschappen) maakt dat niet anders, omdat de overige deelgenoten dat hebben kunnen en mogen opvatten als een vrienden- en burendienst. Ook de beweerde investering in nieuwe drainage leidt niet tot een andere beslissing. In de eerste plaats heeft [appellant] niet toegelicht waarom die investering voor de overige deelgenoten kenbaar is geweest en in de tweede plaats kan ook een grondgebruiker om niet uit oogpunt van eigenbelang reden hebben om te investeren in drainage. De betwiste stelling dat de andere deelgenoten hun aandeel in de gestelde tegenprestaties zouden hebben genoten, heeft [appellant] onvoldoende toegelicht.

4.8

Volgens de eigen stellingen van [appellant] kwamen de overige deelgenoten niet of nauwelijks bij [Deelgenoot 3] over de vloer. Dat had voor hem te meer reden moeten zijn om bij de overige deelgenoten te verifiëren of de beweerdelijk door [Deelgenoot 3] mede namens hen gesloten pachtovereenkomst inderdaad hun instemming had.

4.9

De grieven IV tot en met VII falen derhalve. Dat geldt ook voor grief VIII in het principaal beroep, dat op die grieven voortbouwt.

4.10

Uit het voorgaande volgt dat de primaire vordering van [appellant] niet toewijsbaar is.

4.11

De subsidiaire en meer subsidiaire vordering van [appellant] richten zich tegen [Deelgenoot 3], die niet in dit geding is verschenen. Die vorderingen kunnen niet worden toegewezen voor zover zij onrechtmatig of ongegrond voorkomen. In de bijzonderheden van de onderhavige zaak – onder meer de aanwezigheid in het dossier van diverse mede door [appellant] ondertekende verklaringen volgens welke sprake was van gebruik om niet en van tegenstrijdige door [Deelgenoot 3] ondertekende verklaringen – ziet het hof aanleiding om aan [appellant] bewijs op te dragen van:

  1. de totstandkoming van een pachtovereenkomst tussen [Deelgenoot 3] als verpachter en [appellant] als pachter met betrekking tot het perceel, ingegaan op de 19e januari 1990, althans oogstseizoen 1990, voor onbepaalde tijd en met als tegenprestatie een pachtprijs van aanvankelijk f 1.000,— en later € 500,— per jaar, verzorging van [Deelgenoot 3] en incidenteel groot onderhoud aan het gepachte;

  2. de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [Deelgenoot 3] zich heeft voorgedaan als gevolmachtigde van de overige deelgenoten en in die hoedanigheid een pachtovereenkomst namens alle deelgenoten met [appellant] is aangegaan.

4.12

Zoals ter gelegenheid van de pleitzitting reeds is besproken, zal bewijslevering in ieder geval plaatsvinden door het horen van [Deelgenoot 3]. Volgens de bij dezelfde gelegenheid gemaakte afspraak, zullen partijen bij dat getuigenverhoor niet in persoon verschijnen opdat de getuige zijn verklaring in alle vrijheid zal kunnen afleggen. De hierna vermelde datum voor het horen van de getuige [Deelgenoot 3] is vooraf met de advocaten van partijen afgestemd. Omdat het hoger beroep tegen de erven, met uitzondering van [Deelgenoot 3], geen doel treft en het bestreden vonnis in zoverre zal worden bekrachtigd, is er voor de in deze procedure vertegenwoordigde partijen [Deelgenoot 5] en [Deelgenoot 6] geen gehoudenheid ter gelegenheid van de getuigenverhoren te verschijnen.

4.13

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe tot het onder 4.11 bedoelde bewijs;

bepaalt dat de getuige [Deelgenoot 3] zal worden gehoord door het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.L. Valk en het deskundige lid mr. ing. H.J. Vinke op het adres [adres], locatie [locatie], [straat], 4511 HH [plaats], op 17 december 2014 te 15.00 uur;

bepaalt dat de overige getuigen zullen worden gehoord in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door de raadsheer-commissaris vast te stellen dag en tijdstip, na opgave van de te horen getuigen door partijen, met opgave van verhinderdata;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, Th.C.M. Willemse en F.J.P. Lock en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 december 2014.