Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9503

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
200.149.370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Draagkracht conform de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen. Eigen woonlasten en netto hypotheeklasten van de man t.a.v. de voormalige echtelijke woning. Geldlening in verband met de restschuld (ontstaan na verkoop van de voormalige echtelijke woning) zijdens de man niet vermijdbaar en niet verwijtbaar, rekenen onder de woonlasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.149.370

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 248781)

beschikking van de familiekamer van 9 december 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.W. Koekebakker te Ede,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. K.J.M. Slangen te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 februari 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de vrouw met producties 8 tot en met 13,

ingekomen op 22 mei 2014;

- het verweerschrift van de man, tevens houdende incidenteel hoger beroep, met producties

1 tot en met 6, ingekomen op 17 juli 2014;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, zonder bijlagen, ingekomen op

28 augustus 2014.

2.2

De na te noemen minderjarige [kind 2] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek en heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij een brief, die op 8 oktober 2014 bij het hof is ingekomen.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 7 oktober 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze inmiddels verbroken relatie zijn de navolgende kinderen geboren:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1991 te Ede,

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1998 te Ede, en

- [kind 3], geboren op [geboortedatum] 2001 te Ede.

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [kind 2] en [kind 3]. De kinderen wonen bij de vrouw.

3.2

Bij beschikking van 27 oktober 2011 heeft de rechtbank Arnhem bepaald dat de man met ingang van 1 augustus 2011 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie en in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen € 138,- per kind per maand zal voldoen.

3.3

De man, geboren op [geboortedatum] 1964, woont samen. Het belastbaar inkomen van de man in 2013 bedraagt blijkens de jaaropgave van dat jaar € 36.306,-.

3.4

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1964, vormt met de kinderen van partijen een gezin. Het inkomen van de vrouw bedraagt blijkens de salarisspecificatie van maart 2013 bruto € 1.656,85 per maand, te vermeerderen met vakantiegeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3]. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft in haar beschikking van 24 februari 2014 de beschikking van de rechtbank Arnhem van 27 oktober 2011 gewijzigd in die zin, dat de bedoelde bijdrage met ingang van 2 september 2013 nader is vastgesteld op € 92,- per kind per maand en heeft die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De vrouw is van de beschikking van 24 februari 2014 in hoger beroep gekomen. De gronden van haar beroep zien op de behoefte, de ingangsdatum van de gewijzigde bijdrage en de draagkracht van de man. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende haar verzoek toe te wijzen en de onderhoudsbijdrage van de man met ingang van 1 maart 2013, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, te bepalen op € 207,- per kind per maand, te indexeren met ingang van 1 januari 2014 en het verzoek van de man tot vermindering dan wel nihilstelling af te wijzen.

4.3

De man is op zijn beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. De man stelt daarin het niet eens te zijn met de beslissing van de rechtbank voor zover het betreft de vaststelling van de kinderalimentatie op een hoger bedrag dan de verzochte € 63,- per kind per maand. Hij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep dan wel deze verzoeken af te wijzen, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de beschikking van de rechtbank Arnhem van 27 oktober 2011 te wijzigen in die zin dat de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] nader wordt vastgesteld op € 63,- per kind per maand met ingang van 2 september 2013, kosten rechtens.

4.4

Het hof zal de grieven in het principaal en in het incidenteel hoger beroep daar waar mogelijk gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In de eerste plaats is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). De door de vrouw in eerste aanleg aangevoerde wijzigingen, te weten de wegens het bereiken van de 21-jarige leeftijd van [kind 1] door de man per november 2012 beëindigde onderhoudsbijdrage en de verkoop van de echtelijke woning in september 2013, zijn door de man ook in hoger beroep niet betwist en zijn naar het oordeel van het hof relevante wijzigingen van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de kinderalimentatie rechtvaardigen.

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen, berekend op basis van de tabel kosten kinderen, per 1 januari 2013 € 261,45 per kind per maand is. Wel verschillen partijen van mening of op deze behoefte een bedrag wegens kindgebonden budget in mindering dient te worden gebracht. De vrouw stelt dat zij in 2013 feitelijk geen, althans minder, kindgebonden budget heeft ontvangen, omdat de in 2011 teveel ontvangen kindertoeslag hiermee wordt verrekend door de fiscus. Zij berekent daarom de behoefte vanaf 1 maart 2013 op € 219,78 per kind per maand. De man stelt dat het de keuze van de vrouw is geweest om deze bedragen met elkaar te laten verrekenen. Het kindgebonden budget dient volgens hem dan ook in mindering te worden gebracht op de volgens de tabel berekende behoefte en hij berekent de behoefte van de kinderen in 2013 op € 178,- per kind per maand.

5.3

Het hof stelt de behoefte van de kinderen, gelijk de rechtbank heeft gedaan, per

1 januari 2013 vast op € 178,- per kind per maand, te weten de niet in geschil zijnde geïndexeerde behoefte van € 261,45 per kind per maand minus het kindgebonden budget van € 83,50 per kind per maand. Verrekening van teveel ontvangen kindertoeslag met het kindgebonden budget door de vrouw doet niet af aan de behoefte van de kinderen, zodat het hof de vrouw niet volgt in haar stelling.

5.4

De vrouw stelt dat zij niet geheel kan voorzien in de behoefte van [kind 2] en [kind 3] en derhalve behoefte heeft aan een bijdrage van de man.

5.5

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de door de vrouw verzochte en evenmin de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] te betalen. De vrouw betwist dat.

5.6

Het hof volgt de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Op 1 april 2013 is de nieuwe richtlijn voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen in werking getreden. De aanbevelingen die dientengevolge gelden, zullen worden toegepast bij wijzigingen in de behoefte die zich na 1 januari 2013 hebben voorgedaan en bij wijzigingen in de draagkracht die zich na 1 april 2013 hebben voorgedaan dan wel bij bijdragen die nadien voor het eerst worden vastgesteld. Alvorens het hof de draagkracht zal beoordelen dient eerst de ingangsdatum van de wijziging te worden bepaald met het oog op voormelde nieuwe richtlijn.

5.7

Ten aanzien van de ingangsdatum stelt de vrouw dat de rechtbank deze ten onrechte op 1 mei 2013 heeft bepaald. Volgens de vrouw kon de man – gelet op de door haar op

7 februari 2013 aan hem gezonden brief naar aanleiding van het beëindigen van de bijdrage aan [kind 1] – reeds per medio februari 2013 rekening houden met een hogere bijdrage met ingang van 1 maart 2013. Derhalve dient voor toepassing van de draagkrachtberekening worden gerekend met de richtlijnen welke na 1 januari 2013 doch voor 1 april 2013 golden. De man voert daartegen het volgende aan. De man heeft begin 2013 de vrouw verzocht een bijdrage te leveren in de lasten van de voormalig echtelijke woning. De vrouw heeft de man te kennen gegeven hiertoe alleen bereid te zijn als de alimentatie verhoogd zou worden. Daarop heeft de vrouw op 7 februari 2013 per brief een voorstel tot verhoging van de alimentatie gedaan, zonder daarbij inzage te geven in haar financiële gegevens. Namens de man is verzocht om deze stukken, welke hij per brief gedateerd 15 april 2013 heeft ontvangen. De man is naar aanleiding van die stukken niet akkoord gegaan met de verhoging. Op 6 augustus 2013 heeft de vrouw vervolgens ter griffie van de rechtbank een verzoek tot wijziging van de alimentatie ingediend. Kort daarna, op 2 september 2013 is de voormalig echtelijke woning geleverd, hetgeen een relevante wijziging van omstandigheden is. Daarom acht de man een wijziging van de bijdrage per 2 september 2013, dan wel per datum indiening verzoekschrift (6 augustus 2013) redelijk.

5.8

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het partijen eerst halverwege april 2013 duidelijk is geworden dat zij geen overeenstemming zouden bereiken over een eventuele aanpassing van de door de man te betalen bijdrage in de kosten verzorging en opvoeding van de kinderen. Met ingang van 7 februari 2013 kon de man daarmee nog geen rekening houden, nu de vrouw in haar brief van die datum nog geen concreet voorstel ten aanzien van de hoogte of de ingangsdatum had gedaan. Bovendien beschikte de man toen nog niet over de financiële gegevens van de vrouw om tot een herbeoordeling van de door hem te betalen bijdrage te kunnen komen. Deze gegevens ontving de man eerst bij gemelde brief van 15 april 2013, zodat eerst toen een inhoudelijke beoordeling door de man mogelijk was. Daarom acht ook het hof het redelijk dat als ingangsdatum van een eventuele wijziging 1 mei 2013 heeft te gelden.

5.9

Het voorgaande heeft tot gevolg dat voor de vaststelling van de draagkracht het hof zal rekenen met de formule zoals opgenomen in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen zoals deze geldt vanaf 1 april 2013. Het hof onderscheidt daarbij twee periodes, te weten de periode dat de voormalig echtelijke woning nog niet was overgedragen en de periode daarna. Derhalve zal het hof de draagkracht bepalen voor de periode van

1 mei 2013 tot (gemakshalve) 1 september 2013 en voor de periode vanaf 1 september 2013.

5.10

Voor het berekenen van de draagkracht dient allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen ten tijde van het huwelijk/de relatie te worden bepaald, waarvan bij het bepalen van het eigen aandeel van partijen in de kosten van de kinderen moet worden uitgegaan. Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhoudsgerechtigde daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente, de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Het bedrag aan draagkracht wordt vervolgens vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

5.11

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het NBI van de man

€ 2.106,- per maand is en dat van de vrouw € 1.606,- per maand, zodat het hof van deze bedragen zal uitgaan.

5.12

Tussen partijen is evenmin in geschil dat de man de hypotheeklasten ten aanzien van de gezamenlijke woning van partijen, waarin de vrouw woonde, betaalde in de eerste periode (1 mei 2013 tot 1 september 2013). De man verzoekt het hof daarmee rekening te houden in de berekening van zijn draagkracht. Het hof zal met deze lasten rekening houden, in die zin dat het hof in de rekenformule rekening zal houden met de eigen woonlasten van de man en de nettolasten ten aanzien van de gezamenlijke woning van partijen, mits deze gezamenlijk meer zijn dan het forfaitaire bedrag aan woonlasten (0,3 NBI) uit de formule. Ten aanzien van de vrouw zal het hof eveneens rekenen met de werkelijke woonlasten, indien en voor zover deze meer zijn dan het forfaitaire bedrag aan woonlasten uit de formule.

5.13

Ten aanzien van de eigen woonlast voert de man aan dat hij € 420,- per maand aan zijn huidige vriendin betaalt, bij wie hij inwoont, als bijdrage in de woonlasten. Ter onderbouwing daarvan heeft de man een overzicht van zijn betaalrekening overgelegd over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. De man stelt dat de woonlasten zijn opgebouwd als volgt: een bedrag van € 510,25 aan hypotheekrente, een bedrag van € 98,78 aan premie verzekering, een bedrag van € 229,16 aan kosten ten behoeve van de vereniging van eigenaren en een bedrag van € 95,- aan overige (forfaitaire) eigenaarslasten en hij verwijst daarbij naar door hem in eerste aanleg overgelegde bankafschriften van zijn vriendin (productie 3 in eerste aanleg). Rekening houdende met de aftrekbaarheid van de hypotheekrente van zijn vriendin, becijfert de man de nettolasten op € 763,- per maand, waarvan volgens de man de helft, derhalve € 381,- per maand, aan hem kan worden toegerekend.

5.14

De vrouw betwijfelt of de door de man betaalde € 420,- woonlasten zijn, nu dit volgens de vrouw onvoldoende is aangetoond. Bovendien stelt de vrouw ter discussie of de man moet bijdragen in de woonlasten van zijn vriendin.

5.15

Het hof volgt de rechtbank ten aanzien van deze woonlasten en maakt de overwegingen van de rechtbank dienaangaande tot de zijne, waarbij het hof opmerkt dat de man ook in het hoger beroep de samenstelling van de bijdrage aan de vereniging van eigenaren niet heeft onderbouwd. Op grond hiervan zal het hof, evenals de rechtbank, rekening houden met een eigen woonlast van € 267,- aan de zijde van de man.

5.16

Ten aanzien van de door de man betaalde lasten voor de gezamenlijke woning van partijen overweegt het hof als volgt.

De rechtbank is in de bestreden beschikking uitgegaan van door de man betaalde lasten van

€ 735,- per maand ten aanzien van de voormalige echtelijke woning. In dit maandbedrag is blijkens de beschikking van de rechtbank van 27 oktober 2011 begrepen een bedrag van

€ 570,- aan hypotheekrente, € 70,17 aan premie levensverzekering en € 95,- aan overige eigenaarslasten. Het hof gaat ervan uit dat de hypotheekrente voor de man in 2013 voor de helft aftrekbaar is, gelet op de niet, althans onvoldoende, weersproken stelling dienaangaande van de vrouw ter mondelinge behandeling. Uitgaande daarbij van een percentage inkomstenbelasting van 42 procent, berekent het hof de netto lasten op (afgerond) € 615,- per maand. Overigens is gesteld noch gebleken dat de door de man betaalde hypotheeklasten (deels) dienen te worden beschouwd als het voldoen aan een onderhoudsverplichting jegens de vrouw. Aldus zijn de eigen woonlasten en de netto hypotheeklasten van de man ten aanzien van de voormalige echtelijke woning van partijen tezamen (€ 267,- + € 615,- =) € 882,- hetgeen meer is dan de forfaitaire woonlastencomponent uit de formule (0,3 NBI = 632), zodat het hof bij de man met deze werkelijke lasten van € 882,- rekening houdt in de eerste periode.

5.17

Gelet op het vorenstaande berekent het hof de draagkracht van de man in de eerste periode als volgt:

70% x [2.106 – (882 + 850)] = 262.

5.18

Wat betreft de tweede periode heeft de man niet langer de lasten ten aanzien van de voormalige echtelijke woning. Wel hebben partijen gezamenlijk een schuld wegens de restschuld die is ontstaan bij de verkoop van die woning. De man is daarvoor een overeenkomst van geldlening aangegaan waarbij hij in drie jaar aflost en daartoe maandelijks

€ 424,- betaalt en hij verzoekt het hof bij de berekening van zijn draagkracht met deze verplichting rekening te houden. De vrouw is eveneens een overeenkomst van geldlening met de bank aangegaan waarbij zij in zeven jaar aflost en maandelijks een bedrag van

€ 178,- betaalt (productie 11). Zij stelt dat met de verplichting van de man ten aanzien van deze restschuld geen rekening moet worden gehouden, dan wel dat de man voor een langere aflostermijn had kunnen kiezen.

5.19

Het hof is van oordeel dat de voornoemde geldlening in verband met de restschuld zijdens de man niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is. Wel is het hof van oordeel dat met een langere aflostermijn gerekend dient te worden, nu het op de weg van de man ligt om ten aanzien van de kinderalimentatie voor zoveel mogelijk draagkracht zorg te dragen. Daarom zal het hof in dit geval aan de zijde van de man rekenen met een aflostermijn die gelijk is aan die van de vrouw, derhalve een periode van zeven jaar overeenkomend met een maandbedrag van € 178,-.

Nu deze geldlening nauw samenhangt met de restschuld die is ontstaan na verkoop van de voormalige echtelijke woning, zal het hof dit bedrag aan aflossing in de formule rekenen onder de woonlasten. De eigen woonlast van de man en het bedrag waarmee het hof rekening houdt ten aanzien van de restschuld tezamen (€ 445,-) komt hiermee echter niet uit boven forfaitaire deel uit de formule voor de woonlasten (0,3 NBI = 632). Het hof zal aan de zijde van de man voor de tweede periode rekenen met de formule zonder aanpassing daarvan.

5.20

Aldus berekent het hof de draagkracht van de man in de tweede periode als volgt:

70% x [2.106 – (632 + 850)] = 437.

5.21

Ten einde ieders aandeel in de kosten van de kinderen vast te stellen zal het hof vervolgens de draagkracht van de vrouw voor de beide periodes berekenen. Daarbij volgt het hof de overwegingen van de rechtbank, met dien verstande dat ter bepaling van de draagkracht van de vrouw in de tweede periode tevens rekening wordt gehouden met de aflossing op de restschuld van € 178,- per maand, indien en voor zover deze aflossing en de werkelijke woonlasten in het tweede deel meer is dan de woonlastcomponent uit de formule (0,3 NBI = 482). De vrouw betaalde blijkens een overgelegde huurverhogingsbrief (productie 10) € 611,70 huur. Ter zitting verklaarde zij geen huurtoeslag te hebben ontvangen, omdat haar inwonende dochter [kind 1] een eigen inkomen had, hetgeen door de man niet is betwist. Op grond van het voorgaande bepaalt het hof de werkelijke woonlasten van de vrouw in de tweede periode op (afgerond) € 789,- hetgeen meer is dan de forfaitaire woonlast uit de formule. Het hof zal dan ook met een bedrag van € 789,- als woonlast rekening houden.

Omdat de vrouw in de eerste periode in de gezamenlijke woning van partijen woonde en de man feitelijk de lasten ten aanzien van die woning betaalde, had de vrouw in de eerste periode geen woonlasten.

5.22

Het hof berekent de draagkracht van de vrouw daarom als volgt:

1e periode: 70% x [1.606 - 850)] = 529.

2e periode: 70% x [1.606 – (789 + 850)] = nihil.

5.23

Ten aanzien van de eerste periode kan vervolgens een draagkrachtvergelijking worden gemaakt. De gezamenlijke draagkracht van partijen is in die periode € 262,- + € 529,- =

€ 791,- terwijl de behoefte van de beide kinderen tezamen € 356,- per maand is.

De bijdrage van de man wordt aldus berekend: 262/791 x 356 = € 118,- per maand (ofwel

€ 59,- per kind per maand. Bij deze bijdrage heeft de man geen recht op fiscaal voordeel, wel kan de zorgkorting van 15% (van de behoefte van € 356,-), welk percentage tussen partijen niet in geschil is, worden toegepast, nu de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dat de behoefte van de kinderen. Aldus komt de door de man te betalen bijdrage uit op (€ 118,- - € 53,- =) € 65,- per maand voor de beide kinderen tezamen.

5.24

Ten aanzien van de tweede periode is een draagkrachtvergelijking niet aan de orde, nu de vrouw geen draagkracht heeft. Daarom dient de man in de tweede periode in de behoefte zijn gehele draagkracht van € 437,- aan te wenden als bijdrage in de kosten van verzorging en onderhoud van de kinderen. De bijdrageverplichting wordt echter begrensd door de behoefte van de kinderen van € 356,- voor de beide kinderen tezamen. Bij dit bedrag heeft de man geen recht op fiscaal voordeel. Wel kan hierop door de man nog in mindering worden gebracht de zorgkorting van € 53,- (15% van 356), zodat als bijdrage resteert € 303,- voor de beide kinderen tezamen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief van de vrouw ten aanzien van de draagkracht van de man ten aanzien van de tweede periode deels. Voor het overige treft de grief geen doel. Dit geldt ook voor de overige grieven van de vrouw en de grief van de man. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen zoals hierna zal worden vermeld.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van

24 februari 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 27 oktober 2011 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 mei 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] € 65,- per maand voor de beide kinderen tezamen zal betalen en met ingang van 1 september 2013 € 303,- per maand voor de beide kinderen tezamen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.F. Keulen, A. Smeeïng-van Hees en R. Feunekes, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. A. Smeeïng-van Hees en is op 9 december 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.