Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:949

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
18-03-2014
Zaaknummer
200.111.933
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1836, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan kostenverhaal volgens de Wrakkenwet te stellen eisen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 3, p. 166
NJF 2014/200
S&S 2014/97

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.111.933

(zaaknummer rechtbank Arnhem, sector civiel recht 215585)

arrest van de derde kamer van 11 februari 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Staat der Nederlanden

zetelend te ‘s-Gravenhage,

appellant,

hierna: de Staat,

advocaat: mr. J. Hu,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
3 augustus 2011 (tot comparitie) en 21 december 2011 (het eindvonnis) die de rechtbank tussen de Staat als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 februari 2012,

- het herstelexploot d.d. 20 maart 2012,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- een akte van de Staat met één productie.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten:

3.1

[geïntimeerde] was eigenaar van een jacht, genaamd “[naam jacht]”. Op zondagochtend

[datum] is de “[naam jacht]” tijdens een vaartocht van [geïntimeerde] en zijn zoon op de Noordzee tussen [plaats 1] en [plaats 2] gezonken. [geïntimeerde] en zijn zoon zijn door een voorbijgaande sleper ‘opgepikt’ en in veiligheid gebracht.

3.2

Diezelfde dag om 12.15 uur is in opdracht van de Kustwacht, althans Rijkswaterstaat Noordzee, een schip van Rijkswaterstaat, ‘de Rotterdam’, uitgerukt om de [naam jacht] te lokaliseren en vervolgens te markeren. De [naam jacht] is niet gevonden. Op de plaats waar de opvarenden van de [naam jacht] zijn ‘opgepikt’, zijn twee cardinale boeien geplaatst omwille van de veiligheid van het vaarwaterverkeer. Cardinale boeien worden voornamelijk gelegd op bredere vaarwateren, meren en op zee ter markering van obstakels en/of afzonderlijke gevaren.

3.3

Op 22 augustus 2008 hebben Rijkswaterstaat Noordzee en de Kustwacht de cardinale boeien weer opgehaald.

3.4

Bij brief van 17 oktober 2008 heeft de Staat [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de kosten van het leggen en ophalen van de twee cardinale boeien ad € 18.234,40. De verzekeraar van [geïntimeerde] heeft namens [geïntimeerde] de aansprakelijkheid betwist.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

De Staat heeft in dit geding betaling door [geïntimeerde] gevorderd van € 18.234,40, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 oktober 2008, buitengerechtelijke incassokosten van € 450,00, de proceskosten en de nakosten. De Staat heeft de hoofdvordering gegrond op artikel 10 van de Wrakkenwet juncto artikel 6:162 BW, aangezien hij als beheerder kosten heeft moeten maken in verband met het markeren van een wrak, waarvoor hij [geïntimeerde] uit onrechtmatige daad aansprakelijk houdt.

4.2

[geïntimeerde] heeft zich tegen die vordering verweerd. Hij heeft daartoe gesteld dat geen kosten zijn gemaakt ter markering van de “[naam jacht]”, althans die kosten geheel onnodig zijn gemaakt, althans de Wrakkenwet niet van toepassing is, ook niet naar analogie. Voorts betwist hij onrechtmatig te hebben gehandeld.

4.3

De rechtbank heeft de vordering van de Staat in het eindvonnis afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank naar de kern overwogen dat is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld. Tegen dit vonnis richt de Staat zijn grieven.

4.4

Met de grieven I tot en met V komt de Staat mede op tegen het oordeel van de rechtbank dat het voor de onderhavige aansprakelijkheid van [geïntimeerde] vereiste toerekenbaar onrechtmatig handelen ter zake ontbreekt. In deze zaak is er naar zijn mening sprake van een nalaten om het wrak op te ruimen door [geïntimeerde], hetgeen in strijd is met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. De Staat verwijst ter onderbouwing van zijn desbetreffende stelling (in zijn memorie van grieven onder 22) naar de rechtspraak van de Hoge Raad waarin volgens hem is bepaald dat de eigenaar van een voorwerp dat is terechtgekomen in het vaarwater, onrechtmatig jegens de vaarwegbeheerder handelt indien hij nalaat om dat voorwerp te verwijderen. De onrechtmatigheid berust volgens de Hoge Raad, zo vervolgt de Staat, op de opvatting dat de eigenaar, door na te laten de zaak te verwijderen, in strijd handelt met de door hem in die hoedanigheid in het maatschappelijke verkeer jegens eens anders goederen in acht te nemen zorgvuldigheid. De Hoge Raad heeft daarbij echter, zo besluit de Staat zijn weergave van bedoelde rechtspraak, wel bepaald dat voor toepassing van die regel in beginsel is vereist dat de gevaren verbonden aan het niet verwijderen zo groot zijn dat zij de beheerder redelijkerwijs tot verwijdering noopten.

Deze regel is, zo voert de Staat aan, van overeenkomstige toepassing op het verhalen van de kosten gemaakt ter markering van het wrak. De desbetreffende werkzaamheden hebben volgens de Staat plaatsgevonden in de eerste fase van de berging van de [naam jacht], met de bedoeling om de veiligheid van de vaarweg te waarborgen totdat het wrak fysiek zou zijn geborgen. Er bestond een noodzaak tot markering van het wrak, gezien de reële gevaren die verbonden waren aan het niet markeren ervan. [geïntimeerde] heeft dit markeren nagelaten.

4.5

[geïntimeerde] betwist onrechtmatig te hebben gehandeld, door het wrak niet te verwijderen/niet te markeren.

4.6

Het hof oordeelt als volgt.

De vordering van de Staat is gegrond op artikel 10 van de Wrakkenwet juncto artikel 6:162 BW. Artikel 10 van de Wrakkenwet luidt als volgt:

‘De kosten, krachtens deze wet gemaakt, komen, voor zooveel zij niet door belanghebbenden zijn terugbetaald, of uit de opbrengst van het krachtens artikel 6 verkochte kunnen worden gekweten, ten laste van den beheerder, onverminderd diens bevoegdheid om de krachtens dit artikel te zijnen laste komende kosten te verhalen op dengene, die volgens de wet daarvoor aansprakelijk is.’

De door de Staat, ter uitvoering van zijn publieke taak, krachtens de Wrakkenwet gemaakte kosten komen derhalve ten laste van de beheerder, onverminderd zijn bevoegdheid om die kosten te verhalen op degene die volgens de wet daarvoor aansprakelijk is. Deze verbintenis tot vergoeding van de kosten dient te worden gekwalificeerd als een verbintenis uit onrechtmatige daad (zie Hoge Raad 14 december 1979, LJN: AC3904 en 15 januari 1999, LJN: ZC 2822).

4.7

In de rechtspraak is, zoals de Staat ook heeft aangevoerd (zie hiervoor onder 4.4), inderdaad aanvaard dat de eigenaar van een voorwerp dat terechtkomt op het perceel van een ander of op de bodem van een vaarwater, ook al valt hem daarvan geen verwijt te maken, terstond nadat hij van de situatie op de hoogte is gekomen, jegens die ander onderscheidenlijk de beheerder van dat vaarwater gehouden is dat voorwerp te verwijderen en door dat na te laten jegens die ander onderscheidenlijk die beheerder onrechtmatig handelt; met dien verstande dat, indien het gaat om een op de bodem van een vaarwater terechtgekomen voorwerp, voor toepassing van deze regel in beginsel vereist is dat de gevaren verbonden aan het niet verwijderen zo groot zijn dat zij de beheerder redelijkerwijs tot verwijdering noopten (zie Hoge Raad 9 maart 2002, LJN: AD8170).

4.8

In het onderhavige geval kan uit het proces-verbaal van bevindingen van de waterpolitie van [datum] worden afgeleid dat voorafgaand aan het zinken van het jacht [geïntimeerde] en zijn zoon een vrij harde klap hoorden en voelden, afkomstig van de

voorzijde van het schip. De oorzaak van de klap is onduidelijk gebleven. De Staat heeft niet gesteld dat het zinken van het schip aan [geïntimeerde] is te wijten.

4.9

Zoals volgt uit de hiervoor onder 4.7 bedoelde rechtspraak, neemt dit niet weg dat [geïntimeerde] jegens de Staat tot verwijdering van zijn gezonken jacht gehouden was en door dat na te laten jegens de Staat onrechtmatig handelde, indien de gevaren verbonden aan het niet verwijderen ervan zo groot waren dat zij de beheerder redelijkerwijs tot verwijdering noopten. In dit geval echter bestond volgens de Staat geen noodzaak meer het jacht van de zeebodem te verwijderen, omdat dit, naar wordt aangenomen, diep genoeg was gezonken.

De Staat verwoordt dit in zijn memorie van grieven onder 39 als volgt:

‘Van verwijderen was in het geheel geen sprake omdat later is gebleken dat het wrak volledig was verdwenen en er dus niets meer viel te verwijderen. Voor het niet verwijderen van de [naam jacht] wordt [geïntimeerde] ook niet aansprakelijk gesteld.’

4.10

Voor het niet verwijderen van de [naam jacht] wordt [geïntimeerde] door de Staat dus niet aansprakelijk gesteld. [geïntimeerde] wordt wél aansprakelijk gesteld voor het niet markeren van het wrak. Dat zijn twee verschillende werkzaamheden, zo betoogt de Staat in zijn memorie van grieven (onder 39). De Wrakkenwet biedt voor beide werkzaamheden wel een mogelijkheid tot kostenverhaal, aldus de Staat. De Staat wijst er daarbij op dat het markeren de eerste fase van de verwijderingswerkzaamheden vormt. Met verwijzing naar het incidentverslag van de Kustwacht (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) betoogt de Staat, dat markering van het wrak noodzakelijk was omdat er op dat moment sprake was van een reële gevaarlijke situatie. De Kustwacht was, zo voert de Staat verder aan, op grond van zijn zorgverplichting en verantwoordelijkheid voor andere vaarweggebruikers gehouden om alle maatregelen te treffen die op dat moment (toen Kustwacht en vaarwegbeheerder voor het eerst kennis namen van het wrak) noodzakelijk waren. De desbetreffende maatregelen zijn, aldus de Staat, aan te merken als maatregelen in de zin van artikel 2 lid 4 van De Wrakkenwet.

De aansprakelijkheid van [geïntimeerde] berust hier volgens de Staat niet enkel op het feit dat hij niet tot markering is overgegaan, maar op de omstandigheid dat de gevaren die verbonden waren aan het nalaten daarvan zo groot waren dat de beheerder daartoe redelijkerwijs moest overgaan (memorie van grieven onder 49).

4.11

Het hof oordeelt als volgt.

Voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is te dezen allereerst onrechtmatig handelen of nalaten zijnerzijds vereist. Het in dit verband door de Staat opgevoerde ‘nalaten’ van [geïntimeerde] het wrak te markeren, heeft evenwel, ook tegen de achtergrond van de door de Staat bedoelde, hiervoor onder 4.7 bedoelde rechtspraak, geen onrechtmatig karakter.

Zoals de Staat bij memorie van grieven (onder 44 en 50) zelf aanvoert, was [geïntimeerde] niet gerechtigd om bij het wrak van het gezonken jacht zelfstandig markeringen aan te brengen en komt deze bevoegdheid enkel de Staat toe:

‘(…) omdat het praktisch onmogelijk is om [geïntimeerde] te vragen/ te sommeren om de markeringen te plaatsen bij het wrak nu alleen de vaarwegbeheerder tot markeren van wrakken bevoegd is.’

en:

‘Het is juist dat [geïntimeerde] niet zelf de boeien had kunnen leggen nu de vaarwegmarkeringsdienst de enige instantie is die dergelijke boeien kan leggen op de territoriale zee. (…)’

De Staat voert weliswaar aan dat voor toerekening van de onrechtmatige daad in verband met de hier bedoelde aansprakelijkheid volgens eerder vermelde rechtspraak geen verwijtbaarheid nodig is, maar dat maakt nog niet dat aan het vereiste van onrechtmatigheid is voldaan. Bovendien ziet de passage in die rechtspraak luidende ‘ook al valt hem daarvan geen verwijt te maken’ op het ‘terecht komen [van een voorwerp, hof] op het perceel van een ander of op de bodem van een vaarwater’ en niet op het nalaten het voorwerp ‘terstond nadat hij van de situatie op de hoogte is gekomen’ te verwijderen (dan wel, zo de Staat wil, te markeren). Voor aansprakelijkheid voor zodanige nalatigheid gelden de vereisten van artikel 6:162 BW onverkort. Nu het [geïntimeerde], naar als onbetreden vaststaat, niet eens was toegestaan het wrak te markeren, valt, zonder verdere toelichting die ontbreekt, niet in te zien op welke wijze [geïntimeerde] onrechtmatig zou hebben gehandeld door niet te markeren. Het door de Staat in dit verband mede aangevoerde – kennelijk aan de hiervoor onder 4.7 vermelde rechtspraak van de Hoge Raad ontleende – ‘gevaarsvereiste’ (zie hiervoor onder 4.10, slot) vormt zonder onrechtmatig nalaten geen zelfstandige grond voor bedoelde aansprakelijkheid.


4.12 Dit betekent, zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld, dat het voor de onderhavige aansprakelijkheid van [geïntimeerde] vereiste toerekenbaar onrechtmatig handelen ter zake ontbreekt, zodat de grieven I tot en met V, voor zover daartegen gericht, falen. Dit geldt ook indien de onderhavige kosten, zoals de Staat aanvoert en [geïntimeerde] betwist, bij wijze van eerste fase van de verwijderingswerkzaamheden als kosten in de zin van de Wrakkenwet zijn aan te merken en het noodzakelijk was deze te maken, zodat het debat daarover bij gebrek aan belang geen behandeling behoeft. Nu de grieven I tot en met V overigens, zelfs bij het slagen daarvan, niet tot toewijzing van de vordering van de Staat kunnen leiden, heeft de Staat bij de behandeling daarvan rechtens geen belang.

5 Slotsom

5.1

De grieven I tot V falen, voor zover deze zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het voor de onderhavige aansprakelijkheid van [geïntimeerde] vereiste toerekenbaar onrechtmatig handelen ter zake ontbreekt. Overigens heeft de Staat bij de behandeling van die grieven rechtens geen belang. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de Staat in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 666,--

- salaris advocaat € 894,-- (1 punt x tarief II)

Totaal € 1.560,--

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem, sector civiel recht van 21 december 2011;

veroordeelt de Staat in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 666,-- voor verschotten en op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt de Staat in de nakosten, begroot op € 131,--, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval de Staat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.F.J.N. van Osch, A.A. van Rossum en L.F. Wiggers-Rust en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014.