Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9430

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
08-12-2014
Zaaknummer
200.159.098-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten plaatsing van net 13-jarige minderjarige. Niet horen van de minderjarige.

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg
Wet op de jeugdzorg 29c
Wet op de jeugdzorg 29f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0372
JPF 2015/38

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.159.098/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/151063/JE RK 14-594)

beschikking van de familiekamer van 4 december 2014

inzake

[de minderjarige],

verblijvende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [de minderjarige],

advocaat: mr. K.B. Spoelstra, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: BJZ.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 september 2014 en 30 september 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 november 2014, is [de minderjarige] in hoger beroep gekomen van beide beschikkingen. [de minderjarige] verzoekt het hof, bij beschikking:

I de beschikking d.d. 16 september 2014 van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, te vernietigen en het verzoek van BJZ om een voorlopige machtiging alsnog af te wijzen;

II de beschikking d.d. 30 september 2014 van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, te vernietigen voor wat betreft de bekrachtiging van de beschikking van 16 september 2014 van die kinderrechter;

III de beschikking d.d. 30 september 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, te vernietigen voor wat betreft de duur van de gegeven machtiging gesloten uithuisplaatsing en het verzoek van BJZ slechts toe te wijzen voor de duur van twee maanden, althans voor de duur van drie maanden.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 17 november 2014, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep van [de minderjarige] bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn verder binnengekomen:

- op 11 november 2014 een brief van 10 november 2014 met bijlagen van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad);

- op 12 november 2014 een faxbericht van mr. Spoelstra omtrent het verhoor van [de minderjarige];

- op 17 november 2014 een faxbericht met bijlagen van mr. Spoelstra;

- op 18 november 2014 twee faxberichten met bijlagen van mr. Spoelstra;

- op 19 november 2014 een faxbericht met bijlagen van mr. Spoelstra.

2.4

Op 19 november 2014 is [de minderjarige] in [B] te [A] gehoord door een raadsheer-commissaris, daar het vervoeren van [de minderjarige] naar Leeuwarden door [B] is afgeraden. Mr. Spoelstra was bij dit verhoor aanwezig.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2014 plaatsgevonden.

Mr. Spoelstra is verschenen en heeft ter zitting namens [de minderjarige] het woord gevoerd. Namens BJZ is mevrouw [C] verschenen.

Mr. Spoelstra heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

[de minderjarige] is [in] 2001 te [D] geboren uit [de moeder] (hierna: de moeder) en [de vader] (hierna: de vader), in de stukken ook wel [de vader] genoemd. De moeder woont op [D] en de vader woont op [E]. De moeder heeft [de minderjarige] op 22 april 2014 vanuit [D] naar Nederland gebracht en bij oom (moederszijde) en zijn partner ondergebracht. De moeder is op 13 mei 2014 zonder [de minderjarige] teruggevlogen naar [D]. De oom (mz) en zijn partner hebben de problematiek van [de minderjarige] onderschat en hebben laten weten hem niet meer bij hen te kunnen laten wonen.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van

9 september 2014 (hersteld bij beschikking van 28 oktober 2014) is BJZ - op verzoek van de raad bij verzoekschrift van 30 juli 2014 - met de tijdelijke voogdij over [de minderjarige] belast.

3.3

BJZ heeft de kinderrechter bij inleidend verzoekschrift van 17 september 2014, en (naar het hof begrijpt:) mondeling op 16 september 2014, verzocht:

1. op grond van artikel 29c Wjz een voorlopige machtiging voor plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van maximaal vier weken af te geven;

2. aansluitend op grond van artikel 29b Wjz een machtiging voor plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te verlenen voor de duur van zes maanden, indien het indicatiebesluit als bedoeld in artikel 29b lid 4 Wjz strekt tot verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg;

3. de eerstgenoemde beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden.

3.4

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft bij mondelinge beslissing van 16 september 2014, welke schriftelijk is bevestigd op

(naar het hof begrijpt:) 17 september 2014 een voorlopige machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg aan BJZ verleend met ingang van

16 september 2014 voor de duur van vier weken. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De beslissing over de langer verzochte duur van de machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is door de kinderrechter aangehouden in afwachting van het verhoor van [de minderjarige].

3.5

De stichting heeft op 17 september 2014 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “Wjz”). De stichting heeft verklaard dat zich hier een geval als bedoeld in het derde lid van artikel 29b Wjz voordoet. Een gedragswetenschapper, behorende tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft verklaard in te stemmen met deze verklaring van de stichting.

3.6

Bij beschikking van 30 september 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, de mondelinge beslissing van 16 september 2014, welke schriftelijk is bevestigd op 17 september 2014, bekrachtigd en een machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verleend met ingang van

30 september 2014 voor de duur van vier maanden, derhalve tot 30 januari 2015. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter heeft de beslissing met betrekking tot de voor langere duur verzochte machtiging aangehouden.

3.7

[de minderjarige] verblijft sinds 16 september 2014 in [B] te [A]. Daarvoor verbleef [de minderjarige] achtereenvolgens bij zijn oom (mz) en zijn partner, crisispopvang [F], een crisispleeggezin en wederom in [F].

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 29a lid 2 Wjz is [de minderjarige] (thans 13 jaar oud) ontvankelijk in zijn hoger beroep.

4.2

[de minderjarige] stelt in zijn hoger beroep zowel de voorlopige machtiging gesloten uithuisplaatsing als de machtiging gesloten uithuisplaatsing aan de orde.

* de voorlopige machtiging gesloten uithuisplaatsing

4.3

Ingevolge artikel 29c lid 1 Wjz kan de kinderrechter, indien een machtiging niet kan worden afgewacht, op verzoek een voorlopige machtiging verlenen om een jeugdige, met inachtneming van artikel 29b lid 2 Wjz, in een accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of de jeugdige daarmee instemt. Ingevolge artikel 29b lid 2 Wjz kan een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem uitoefent, met de opneming en het verblijf instemt.

4.4

Ingevolge artikel 29c lid 2 Wjz kan een voorlopige machtiging bovendien slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter onmiddellijke verlening van jeugdzorg noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren of een ernstig vermoeden daarvan, en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Ingevolge artikel 29c lid 3 Wjz kan een voorlopige machtiging slechts worden verleend indien de betrokken stichting heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in artikel 29c lid 2 Wjz voordoet. Deze verklaring behoeft ingevolge artikel 29c lid 4 Wjz instemming van een gedragswetenschapper behorende tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is.

4.5

Ingevolge artikel 29f lid 1 Wjz hoort de kinderrechter alvorens op een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beslissen de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen, alsmede de verzoekende stichting en de raad, indien deze de verzoeker is.

4.6

Mr. Spoelstra stelt zich namens [de minderjarige] op het standpunt dat de voorlopige machtiging gesloten uithuisplaatsing in strijd met de wet is verleend, meer in het bijzonder in strijd met artikel 29f Wjz omdat [de minderjarige] voorafgaand aan de beschikking d.d. 16 september 2014 niet is gehoord door de kinderrechter. Om die reden kon, zo wordt namens [de minderjarige] gesteld, de beschikking d.d. 16 september 2014 niet bekrachtigd worden in de beschikking d.d. 30 september 2014.

4.7

Het hof is - met [de minderjarige] - van oordeel dat de voorlopige machtiging in strijd met de wet is verleend, hetgeen ertoe dient te leiden dat de beschikking d.d. 16 september 2014 dient te worden vernietigd evenals de beschikking d.d. 30 september 2014 voor zover daarbij de beschikking d.d. 16 september 2014 is bekrachtigd. Het hof overweegt daartoe als volgt. Het hof onderschrijft dat [de minderjarige] op 16 september 2014 voorafgaand aan de verlening van de voorlopige machtiging tot gesloten plaatsing, niet door de kinderrechter kon worden gehoord in verband met de crisissituatie waarin hij verkeerde. De mondelinge beschikking is dan ook naar het oordeel van het hof op dat moment op de juiste gronden afgegeven. Er was hier sprake van een situatie waarin onmiddellijk en ernstig gevaar dreigde, zodat het verhoor van de minderjarige niet kon worden afgewacht. In deze gevallen dient het verhoor van de minderjarige echter wel zo spoedig mogelijk daarna plaats te vinden. In de onderhavige zaak is reeds op 16 september 2014 een voorlopige machtiging gesloten uithuisplaatsing verleend, terwijl [de minderjarige] pas op 30 september 2014 voor het eerst door de kinderrechter is gehoord. Dit is naar het oordeel van het hof niet ten spoedigste, zodat de voorlopige machtiging in strijd met de wet is verleend. Het betreft hier immers een vrijheidsbenemende maatregel. Overigens is in hoger beroep niet in geschil dat aan de overige vereisten voor een voorlopige machtiging gesloten uithuisplaatsing wel is voldaan.

* de machtiging gesloten uithuisplaatsing

4.8

Ingevolge artikel 29b lid 1 Wjz kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k Wjz, het daarbij behorende terrein daaronder begrepen, te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of de jeugdige daarmee instemt. Ingevolge artikel 29b lid 2 Wjz kan een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem uitoefent, met de opneming en het verblijf instemt.

4.9

Een machtiging kan ingevolge artikel 29b lid 3 Wjz bovendien slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Ingevolge artikel 29b lid 4 Wjz kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 Wjz heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het derde lid van artikel 29b Wjz voordoet. Deze verklaring behoeft ingevolge artikel 29b lid 5 Wjz de instemming van een gedragswetenschapper, behorende tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

4.10

Het hof stelt vast dat er ten aanzien van de machtiging gesloten uithuisplaatsing van [de minderjarige] is voldaan aan voornoemde wettelijke vereisten. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er bij [de minderjarige] onder meer sprake is van ADHD, angst- en agressieproblematiek. Hoewel [de minderjarige] een kleine, tengere jongen is van 13 jaar oud, is een uitbarsting van [de minderjarige] dermate heftig dat het - voor zijn eigen veiligheid en die van zijn omgeving - noodzakelijk is dat hij op die momenten door drie mensen wordt vastgehouden. Er zijn reeds meerdere incidenten geweest bij [B], waarbij het noodzakelijk was om [de minderjarige] met dwang en drang naar zijn kamer te begeleiden. Zo gooit [de minderjarige] met spullen, heeft hij een ruit kapot geslagen, heeft hij zich richting een groepsleider bedreigend opgesteld met een skateboard en heeft hij een mes uit het messenblok gepakt om een groepsgenoot te lijf te gaan. [de minderjarige] liet dergelijk gedrag eerder ook in het gezin van zijn oom (mz) en tante, [F] en het crisispleeggezin zien. Vanwege de zeer heftige problematiek van [de minderjarige] is het vooralsnog niet mogelijk om hem (weer) in een pleeggezin dan wel een open jeugdzorginstelling te plaatsen.

4.11

In het beroepschrift heeft mr. Spoelstra zich namens [de minderjarige] op het standpunt gesteld dat terugkeer van [de minderjarige] naar [D] als beste optie kan worden aangemerkt. Zowel BJZ als mr. Spoelstra hebben de voogdijraad op [D] verzocht om te verifiëren wat de mogelijkheden van [de minderjarige] op [D] zouden zijn. De voogdijraad heeft - bij rapport van 18 november 2014 - laten weten dat het niet in het belang van [de minderjarige] kan worden geacht om terug te keren naar [D], daar de moeder van [de minderjarige] hem niet de opvoedingssituatie kan bieden die hij nodig heeft en er op [D] ook geen instellingen zijn die hem kunnen opvangen. Gebleken is dat de instellingen die er op [D] zijn c.q. binnen afzienbare termijn worden geopend, zien op opnames van korte duur van jongeren boven de 15 jaar of jongeren met een lichamelijke beperking. [de minderjarige] past niet binnen deze categorieën jongeren. Daarbij is er veel onduidelijkheid over eventuele pleeggezinnen op [D]. Zowel mr. Spoelstra als BJZ geeft aan dat die optie niet reëel is. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk geworden dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij - in elk geval vooralsnog - in Nederland blijft en er in Nederland een vervolgplek voor hem gezocht moet worden.

4.12

BJZ geeft aan dat het op dit moment evenmin een optie is om [de minderjarige] in Nederland in een pleeggezin te plaatsen, vanwege de zeer heftige problematiek van [de minderjarige] en het feit dat hij nog steeds niet goed is ingesteld op zijn medicijnen. Daarenboven is het volgens BJZ problematisch dat [de minderjarige] in Nederland geen hechtingsfiguur heeft, terwijl hij die vanwege de bij hem geconstateerde problematiek wel nodig heeft, mede in het kader van zijn behandeling. [de minderjarige] lijkt zich momenteel wederom aan een groepsleider van een instelling te hechten, hetgeen BJZ niet wenselijk acht. BJZ geeft aan dat er thans op een verklaring van een psychiater en/of psycholoog van [B] wordt gewacht om [de minderjarige] te kunnen doorplaatsen naar een voor hem geschikte plek.

4.13

Het is het hof duidelijk geworden dat er momenteel geen ideale situatie voor [de minderjarige] voorhanden is. Hoewel mr. Spoelstra namens [de minderjarige] heeft verzocht om de beschikking van 30 september 2014 gedeeltelijk te bekrachtigen, in die zin dat het inleidende verzoek van BJZ om een machtiging voor plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg wordt toegewezen voor de periode tot 1 januari 2015 en voor het overige wordt afgewezen, zal het hof dit verzoek afwijzen. Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om de duur van de machtiging gesloten uithuisplaatsing - die loopt tot

30 januari 2015 - te verkorten. Er zal wel binnen afzienbare termijn duidelijkheid moeten komen over de vervolgplek van [de minderjarige]. BJZ heeft aangegeven dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om hem binnen korte tijd weer te verplaatsen, mede gelet op de verschillende plekken waar hij sinds 22 april 2014 heeft verbleven. [B] heeft toegezegd dat [de minderjarige] daar nog enige tijd kan verblijven en dat zij de overdracht van [de minderjarige] naar een vervolgplek intensief willen gaan begeleiden. Het is duidelijk dat er verscheidene zaken geregeld moeten worden en dat BJZ voortvarend te werk gaat in de onderhavige zaak. Het hof heeft er vertrouwen in dat er doortastend met de penibele en schrijnende situatie van [de minderjarige] wordt omgegaan. Het hof heeft de indruk dat zowel BJZ als mr. Spoelstra alles op alles zetten om zo spoedig mogelijk een goede plek voor [de minderjarige] te verzorgen. Derhalve zal het hof de beschikking d.d. 30 september 2014 bekrachtigen voor zover daarbij een machtiging voor plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van vier maanden is verleend.

5 De slotsom

5.1

Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking d.d. 16 september 2014 en de beschikking d.d. 30 september 2014, voor zover daarbij de beschikking d.d. 16 september 2014 is bekrachtigd, dient te vernietigen en de beschikking d.d. 30 september 2014 voor het overige dient te bekrachtigen. Het hof zal het meer of anders verzochte afwijzen.

5.2

De beschikking is ingevolge artikel 29h lid 1 Wjz bij voorraad uitvoerbaar.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 16 september 2014, gelet op het feit dat [de minderjarige] niet ten spoedigste is gehoord na verlening van de voorlopige machtiging tot gesloten jeugdzorg;

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 30 september 2014 voor zover daarbij de beschikking van 16 september 2014, voornoemd, is bekrachtigd;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 30 september 2014 voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. A.H. Garos en mr. J.D.S.L. Bosch, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 4 december 2014 in bijzijn van de griffier.