Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:936

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
200.085.617
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De in het tussenarrest van het hof van 20.8.2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:6164) na het arrest HvJ EU van 30.5.2013 (zaak C-488/11) voorlopig gegeven oordelen zijn na de door beide partijen genomen aktes definitief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.085.617

(zaaknummer rechtbank Arnhem 696914)

arrest van de eerste kamer van 11 februari 2014

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats appellante],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. B.J. van Drueten,

tegen:

[geïntimeerde] ,
in haar hoedanigheid van enig beherend vennoot van

[naam c.v.] C.V.,
wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.C.C.M. Brand.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 20 augustus 2013. Het hof heeft daarbij de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling door partijen.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de akte van [geïntimeerde],

- de antwoord-akte van [appellante].

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof heeft bij het tussenarrest van 20 augustus 2013 de zaak naar de rol verwezen om partijen, eerst [geïntimeerde], in de gelegenheid te stellen hun standpunt te geven over de in de rechtsoverwegingen 3.15 tot en met 3.17 gegeven voorlopige oordelen en [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen, zoveel mogelijk gespecificeerd en gedocumenteerd, kenbaar te maken op welke vergoeding zij na de opzegging door [appellante] bij brief van 30 oktober 2002 op grond van art. 7:411 BW aanspraak meent te kunnen maken.

2.2

[geïntimeerde] voert in haar akte, kort en zakelijk weergegeven (en in de door het hof gekozen volgorde) het volgende aan.

a. De uitspraak van het HvJ EU van 30 mei 2013 C-488/11 ([namen partijen]) is niet van toepassing op deze zaak, omdat daarmee aan de uitspraak terugwerkende kracht wordt toegekend; het gaat hier om een rechtsverhouding die zich elf jaar eerder (in 2002) heeft voorgedaan.

b. Er is met de brief van 30 oktober 2002 geen sprake van opzegging van de overeenkomst door [appellante]. Het hof is voorbij gegaan aan wat [geïntimeerde] in de memorie van antwoord heeft aangevoerd onder de nummers 4.c tot en met 4.k, welk feitenrelaas niet is bestreden.

c. De gevolgtrekking die het hof aan de uitspraak van het HvJ EU verbindt, is niet juist. [geïntimeerde] stelt dat juist het evenwicht tussen rechten en verplichtingen van partijen een rechtvaardigingsgrond is voor het hanteren van het beding (art. 4 algemene voorwaarden). Het voortbestaan van [naam c.v.] is volledig afhankelijk van het blijvend nakomen door de cursisten van hun verplichtingen, zoals gemotiveerd in de tweede, derde en vierde volzinnen van het artikel.

d. De tussen partijen gesloten overeenkomst is niet te kwalificeren als overeenkomst van opdracht in de zin van Titel 7 van Boek 7 BW.

[geïntimeerde] maakt onverkort aanspraak op volledige betaling overeenkomstig het bepaalde in art. 4 algemene voorwaarden. Zij stelt zich subsidiair, voor het geval het hof niet het standpunt van [geïntimeerde] volgt dat het vonnis van de kantonrechter moet worden bekrachtigd, op het standpunt dat zij vaste kosten heeft doordat zij voor de gehele cursusduur verplichtingen is aangegaan (wervings- en advertentiekosten, salarissen, huren, schoolexamens, jaarabonnement vakblad en dergelijke), die niet door het wegblijven van [appellante] zijn beïnvloed. De door [geïntimeerde] als gevolg van het wegblijven van [appellante] bespaarde kosten kunnen worden begroot op € 552,- (eerste en tweedejaars leermiddelenpakket, boekenpakket en examengelden van € 205,-, respectievelijk € 30,- en € 317,-). De aanspraak van [geïntimeerde] op een redelijk loon komt aldus uit op het cursusgeld van € 4.620,-, waarop in mindering strekken het door [appellante] betaalde bedrag (€ 2.695,-) en de besparingen (€ 552,-), per saldo dus € 1.373,-.

2.3

[appellante] is het blijkens haar antwoord-akte eens met de genoemde voorlopige oordelen van het hof en handhaaft haar standpunt.

2.4

De genoemde uitspraak van het HvJ EU (zie inmiddels ook HR 13 september 2013, ECLI: NL: HR 2013, 691) is naar het oordeel van het hof wel van toepassing op deze rechtsverhouding. Het HvJ EU heeft daarin vragen beantwoord over de interpretatie van Richtlijn 93/13 in het licht van Nederlandse regels van appelprocesrecht, met name het grievenstelsel. Deze richtlijn was al ruim vóór het jaar 2002 verbindend en de Nederlandse wetgever heeft afdeling 6.5.3 BW bij Wet van 28 oktober 1999, Stb. 468, aan de richtlijn aangepast. De door het HvJ EU gegeven verklaringen voor recht (het hof verwijst naar rov. 3.12 van het tussenarrest van 20 augustus 2013) gelden dus onverkort voor deze zaak. Daaraan kan niet afdoen dat deze prejudiciële beslissing over de uitleg van de richtlijn geruime tijd na 2002 is gegeven. Zij geeft immers het sinds de verbindendheid van die richtlijn en de invoering van genoemde wet geldende recht weer.

2.5

Het hof volgt [geïntimeerde] evenmin in het betoog dat [appellante] de overeenkomst niet heeft opgezegd. Het gaat erom welke zin [geïntimeerde] onder de omstandigheden van het geval aan de tekst van de brief van [appellante] van 30 oktober 2002 mocht toekennen. In dit verband is de reactie van [geïntimeerde] in haar brief van 20 november 2002 veelbetekenend. [geïntimeerde] spreekt daarin immers zelf (op de eerste en tweede bladzijde) over opzegging en de daarbij aan [appellante] voorgehouden, door haar te ondertekenen tekst vangt aan met:

“Bij deze trek ik mijn opzegging van mijn huidige cursusovereenkomst (…) in, (…).”

Daaruit kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat [geïntimeerde] de brief als opzegging van de overeenkomst heeft beschouwd.

Er is, anders dan [geïntimeerde] nog aanvoert, gelet op de tekst van de brief van 30 oktober 2002 en de reactie van [geïntimeerde] daarop dan ook niet sprake van een stilzwijgend wegblijven van [appellante].

2.6

Het hof bespreekt nu het in rechtsoverweging 2.2 onder d. weergegeven standpunt van [geïntimeerde]. Het hof merkt allereerst op dat, hoewel partijen zich daarover niet hadden uitgesproken, het mede gelet op art. 25 Rv. voor de taak stond te beoordelen hoe de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst dient te worden gekwalificeerd, omdat daaraan nu eenmaal rechtsgevolgen (kunnen) zijn verbonden. Het verwerpt het betoog van [geïntimeerde] dat de overeenkomst niet behoort te worden gekwalificeerd als opdracht in de zin van Titel 7 van Boek 7 BW. De ruime definitie van deze overeenkomst in art. 7:400 BW sluit overeenkomsten in die sterk van karakter kunnen verschillen. Er is in de verhouding tussen partijen sprake van het verrichten van werkzaamheden door [geïntimeerde] in de zin van het eerste lid, terwijl de daar met name genoemde, uitgezonderde rechtsverhoudingen (arbeidsovereenkomst, aanneming van werk, bewaring, uitgeven van werken en vervoer van personen of zaken) zich niet voordoen. De stelling van [geïntimeerde] dat niet is uit te sluiten, dat overeenkomsten, die nu nog onbenoemd zijn, ooit als variant van de overeenkomst van opdracht in Titel 7 van Boek 7 BW zullen worden opgenomen, is eerder een aanwijzing dat die onbenoemde overeenkomsten - nu al - als overeenkomst van opdracht hebben te gelden, met dien verstande dat voor die overeenkomsten mogelijk de uitzondering van het tweede lid (“De artikelen 401-412 zijn, onverminderd artikel 413, van toepassing, tenzij iets anders voortvloeit uit de wet, de inhoud of aard van de overeenkomst van opdracht of van een andere rechtshandeling, of de gewoonte.”) voor toepassing in aanmerking komt. In hetgeen [geïntimeerde] aanvoert, waaronder met name dat het groepsonderwijs betreft, ziet het hof geen aanleiding de uitzondering van het tweede lid hier een rol te laten spelen.

2.7

Gelet op het voorgaande is Titel 7 van Boek 7 BW op de verhouding tussen partijen van toepassing. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat [appellante] als niet-professionele opdrachtgever in de zin van art. 7:408 lid 3 BW heeft te gelden. Wat [geïntimeerde] onder c. heeft aangevoerd, gaat voorbij aan hetgeen het hof over art. 7:413 lid 1 BW heeft overwogen (rov. 3.16, slot, tussenarrest) en kan daaraan niet afdoen. Hetgeen het hof in de rechtsoverwegingen 3.15 tot en met 3.17 van het tussenarrest voorlopig heeft overwogen en beslist, geldt thans als definitief. Artikel 4 van de algemene voorwaarden is dus van de baan.

2.8

Dit neemt niet weg dat [geïntimeerde] als opdrachtnemer ingevolge art. 7:411 BW in beginsel aanspraak kan maken op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon of het volle loon. Bij de beoordeling daarvan acht het hof tegen de achtergrond van de Europeesrechtelijke consumentenbescherming de volgende feiten en omstandigheden van belang. [appellante] heeft de overeenkomst al na de eerste les in oktober 2002 opgezegd. Zij had toen het inschrijfgeld en het lesgeld voor die maand betaald. Zonder opzegging zou zij telkens de resterende termijnen van € 385,- per maand hebben moeten voldoen (aldus de ”standaard betaalwijze eenjarige cursus” genoemd op het aanmeldingsformulier). Daarmee was het aan [geïntimeerde] toekomende cursusgeld afhankelijk van het verstrijken van het cursusjaar. Na ondertekening van de door [geïntimeerde] verlangde intrekking van de opzegging (het hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 3.1 en 3.17 van het tussenarrest) heeft zij in december 2002 en januari 2003 nog enkele lessen gevolgd. Het door [appellante] aan de opzegging ten grondslag gelegde taalprobleem ligt ook ten grondslag aan haar beroep op dwaling, in die zin dat [appellante] in dat verband heeft gesteld dat [geïntimeerde] haar bij het intakegesprek zou hebben gezegd dat de gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal door [appellante] geen probleem zou zijn bij het volgen van de cursus. Het hof heeft die stelling in het tussenarrest niet bewezen geoordeeld. [appellante] heeft na het intakegesprek besloten de cursus te gaan volgen. Het einde van de overeenkomst in de zin van art.7:411 lid 1 BW moet aan [appellante] worden toegerekend, nu het hof het er gelet op dit een en ander voor moet houden dat haar taalprobleem in haar risicosfeer ligt.

Toch kan dit niet leiden tot toewijzing van enig deel van de subsidiaire vordering van [geïntimeerde]. Daarvoor is het volgende redengevend. [geïntimeerde] stelt in haar akte na tussenarrest, zakelijk weergegeven, dat zij vaste kosten heeft, doordat zij voor de gehele cursusduur verplichtingen is aangegaan (in de vorm van wervings- en advertentiekosten, salarissen, huren, schoolexamens, jaarabonnement vakblad en dergelijke), die niet door het wegblijven van [appellante] zijn beïnvloed. [geïntimeerde] maakt aanspraak op het volle loon (€ 4.620,-) met aftrek van de door haar bespaarde kosten, die zij op € 552,- stelt. Het hof heeft [geïntimeerde] in het tussenarrest verzocht om - zoveel mogelijk gespecificeerd en gedocumenteerd - inzicht te geven in haar aanspraken op (een deel van) het loon in de zin van art. 7:411 BW. Dat inzicht heeft zij met genoemde stellingen in de akte na tussenarrest niet verschaft. [geïntimeerde] heeft met name geen behoorlijk inzicht gegeven in haar vaste en variabele kosten, haar omzet- en winstcijfers en het aantal uitvallers op het totale aantal cursisten. Zij heeft niet inzichtelijk gemaakt welke kosten verbonden zijn aan een cursus en hoe deze kosten worden omgeslagen over de cursisten. Dat leidt ertoe dat haar subsidiaire vordering als onvoldoende feitelijk toegelicht moet worden afgewezen.

2.9

[appellante] vordert in reconventie veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 2.695,-. Volgens [appellante] heeft zij dit bedrag - onverschuldigd - aan opleidingskosten betaald. [geïntimeerde] noemt in haar akte een zelfde bedrag van € 2.695,-, zodat dit tussen partijen vast staat. Het hof ziet echter niet in waarom [appellante] het cursusgeld voor de eerste maand als onverschuldigd betaald kan terugvorderen. Zij heeft in die maand in elk geval een les gevolgd en heeft de overeenkomst daarna met onmiddellijke ingang opgezegd. Deze beëindiging van de overeenkomst moet, zoals gezegd, aan haar worden toegerekend. Het cursusgeld voor die maand kan daarom niet als onverschuldigd betaald worden aangemerkt. Mede gelet op de in het tussenarrest en hiervoor onder 2.8 in conventie gegeven beslissingen, waaruit volgt dat [geïntimeerde] wegens de opzegging door [appellante] geen aanspraak heeft op schadevergoeding (art. 7:408 lid 3 BW) en haar subsidiaire vordering tot betaling van (een deel van) het loon in de zin van art. 7:411 BW moet worden afgewezen, zal het hof de vordering in reconventie toewijzen voor een bedrag van (€ 2.695,- minus het cursusgeld voor één maand van € 385,- =) € 2.310,-.

3 Slotsom

3.1

De grieven falen. De ambtshalve toetsing van art. 4 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] leidt tot de in het tussenarrest onder 3.15 tot en met 3.17 als voorlopig gegeven oordelen, die thans definitief zijn, en tot de hiervoor onder 2.8 en 2.9 weergegeven beslissingen. Het hof zal het bestreden vonnis in conventie en in reconventie vernietigen en beslissen als volgt.

3.2

Het hof zal [geïntimeerde] als overwegend in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het beide instanties veroordelen. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van [appellante] voor de eerste aanleg (in conventie en reconventie) op:

- salaris gemachtigde € 450,-

en voor de procedure in hoger beroep tot aan deze uitspraak op:

- explootkosten € 82,19

- griffierecht € 284,-

- salaris advocaat € 948,- (1,5 punt x tarief I)

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem, sector Kanton, locatie Nijmegen, van 14 januari 2011 in conventie en in reconventie en, opnieuw recht doende:

in conventie:

wijst de vordering af;

in reconventie:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te betalen een bedrag van € 2.310,-;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de beide instanties, voor de eerste aanleg (in conventie en reconventie) aan de zijde van [appellante] bepaald op € 450,- voor salaris gemachtigde en voor het hoger beroep tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] vastgesteld op € 366,19 voor verschotten en op € 948,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest (voor zover het de veroordelingen tot betaling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, P.H. van Ginkel en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014.