Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9342

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
10-12-2014
Zaaknummer
200.092.214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering tot herroeping kan niet voor het eerst worden ingesteld in een hoger beroep in een reeds lopende procedure; wijziging van eis in hoger beroep i.s.m. eisen van een goede procesorde; bindende kracht van beslissing betreffende de rechtsbetrekking in geschil; gesloten stelsel van rechtsmiddelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2015/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.092.214

(zaaknummer rechtbank Utrecht 268820)

arrest van de eerste kamer van 2 december 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hak Business Ventures B.V.,

gevestigd te Houten,

geïntimeerde,

hierna: HBV,

advocaat: mr. A. Klaassen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
2 september 2009, 9 december 2009 en 21 april 2010 die de rechtbank Utrecht tussen [appellant] als eiser en HBV als geïntimeerde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 13 juli 2010, hersteld bij exploot van 19 juli 2011,

- de memorie van grieven d.d. 19 februari 2013,

- de memorie van antwoord d.d. 29 juli 2014.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen
2.1 tot en met 2.7 van het vonnis van 21 april 2010.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het hoger beroep richt zich, zo begrijpt het hof met HBV, tegen het vonnis van
21 april 2010.

4.2

[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd, waartegen HBV geen bezwaar heeft gemaakt. De eis van [appellant] houdt thans in dat, na vernietiging van het bestreden vonnis:

“het (…) uw Gerechtshof alsnog moge behagen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en bij arrest, te verklaren voor recht de verjaring van de vordering van HBV op [appellant] blijkens het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 3 januari 2008 (…), gewezen tussen gelijke proces-partijen, onder gelijktijdig buiten effect stelling van de veroordeling ten gronde van het genoemde arrest, althans herroeping van het genoemde arrest, mitsdien alsnog de verjaring wordt gehonoreerd;

geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen krachtens het bestreden vonnis en krachtens het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 3 januari 2008 (…) is voldaan, te vermeerderen met rente en kosten”.

4.3

Het hof is ambtshalve van oordeel dat de wijziging van eis, voor zover die strekt tot herroeping van het arrest van het hof te Amsterdam van 3 januari 2008 (hierna: het Amsterdamse arrest) ingevolge artikel 130 lid 1 Rv buiten beschouwing moet worden gelaten omdat die wijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 385 Rv (Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 476) blijkt dat volgens de wetgever het buitengewone rechtsmiddel van herroeping in een afzonderlijk geding dient te worden ingesteld met inachtneming van het in artikel 385 Rv bepaalde en dat dit buitengewone rechtsmiddel niet bij vordering in reconventie in een later geding tussen partijen geldend kan worden gemaakt. Het hof leidt daaruit af dat een vordering tot herroe-ping evenmin voor het eerst kan worden ingesteld in een hoger beroep in een reeds lopende procedure. De vordering van [appellant] tot herroeping van het Amsterdamse arrest kan daarom niet in deze procedure in hoger beroep worden ingesteld, nog daargelaten dat dit hoger beroep aanhangig is bij een ander hof dan waarvoor de vordering tot herroeping ingevolge artikel 384 lid 1 Rv moet worden gebracht. Overigens is ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat zich één van de in artikel 382 Rv bedoelde gronden voor herroeping voordoet.

4.4

Het hof zal dus beslissen op de eis van [appellant] in hoger beroep, behalve voor zover die strekt tot herroeping van het Amsterdamse arrest.

4.5

Die eis strekt ertoe dat aan het Amsterdamse arrest bindende kracht wordt ontzegd. Het hof constateert met HBV dat de beslissingen in het Amsterdamse arrest de rechtsbetrekking in geschil betreffen (te weten de vordering van HBV op [appellant]) en dus ingevolge artikel 236 lid 1 Rv wel degelijk tussen partijen bindende kracht hebben. [appellant] heeft tegen het Amsterdamse arrest immers geen gewoon rechtsmiddel (in dit geval: cassatie) ingesteld. Dat het Amsterdamse arrest is aangetast door het instellen van een buitengewoon rechtsmiddel is gesteld noch gebleken.

4.6

[appellant] stelt dat hij heeft aangetoond dat het Amsterdamse arrest is gebaseerd op een evident feitelijk onjuiste grondslag en dat dit arrest daarom buiten effect dient te worden gesteld. Die stelling ontbeert een deugdelijke grondslag en komt in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Immers dienen rechterlijke uitspraken die zijn gebaseerd op een feitelijk onjuiste grondslag of anderszins onjuist zijn, te worden bestreden met de daarvoor bedoelde gewone en buitengewone rechtsmiddelen. Artikel 236 Rv staat eraan in de weg dat dergelijke uitspraken door het aanhangig maken van een nieuwe bodemprocedure “buiten effect” zouden kunnen worden gesteld. Daaruit volgt dat de eis van [appellant] niet toewijsbaar is. De grieven I, II en III, die strekken tot een ander oordeel, falen dus.

4.7

Met grief IV komt [appellant] op tegen de door de rechtbank gegeven proceskostenveroordeling. Met HBV is het hof echter van oordeel dat [appellant] in de proceskosten van beide instanties moet worden veroordeeld. [appellant] is immers de in het ongelijk te stellen partij. Stellende dat het instellen door [appellant] van de onderhavige kansloze procedure neerkomt op misbruik van procesrecht, vordert HBV primair veroordeling van [appellant] in de integrale kosten en subsidiair veroordeling van [appellant] in de in goede justitie vast te stellen kosten. Reeds omdat de primaire vordering van HBV niet met stukken is onderbouwd, moet deze worden afgewezen. Het hof zal de subsidiaire vordering van HBV toewijzen als hierna te vermelden. Grief IV faalt dus.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van HBV zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 649,--

- salaris advocaat € 894,-- (1 punt x tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 21 april 2010;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van HBV vastgesteld op € 649,-- voor griffierecht en op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, H. Wammes en L.M. Croes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014.