Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9239

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
200.158.000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging van een tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling, met verlenging van de looptijd in verband met verzuim van de informatieverplichting.

Met de verkregen en de nog te verkrijgen inkomsten, die blijkens het Vtlb-rapport van januari 2014 niet in de boedel vallen, zijn de tijdens de schuldsaneringsregeling ontstane nieuwe schulden gedurende de verlengde looptijd van die regeling in te lopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.158.000
(insolventienummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: C/08/12/533 R)

arrest van de eerste civiele kamer van 1 december 2014

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,
hierna: [appellante],

advocaat: mr. J. Engels.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 8 november 2012 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. M.L.J. Koopmans en tot bewindvoerder A.K. de Beurs.

1.2

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 9 oktober 2014 is, op verzoek van de bewindvoerder, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] tussentijds beëindigd. Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 17 oktober 2014 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 9 oktober 2014 en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, de wettelijke schuldsaneringsregeling in stand te houden.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, de brief met bijlagen van 6 november 2014 van de bewindvoerder en de brief met één bijlage van
19 november 2014, de brief met bijlagen van 20 november 2014 en twee faxberichten met één bijlage van 21 november 2014 en 23 november 2014 van mr. Engels.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 november 2014, waarbij
[appellante] in persoon is verschenen, vergezeld van haar oudste zoon, en bijgestaan door mr. Engels, die het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Voorts is de bewindvoerder verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep


3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.
[appellante], geboren op [geboortedatum], is gehuwd geweest. Dat huwelijk is op 8 april 2013 ontbonden. Uit dat huwelijk zijn twee - thans meerderjarige - zoons geboren, van wie de oudste zoon bij [appellante] inwoont. Deze zoon ontvangt een uitkering ingevolge de Wajong en droeg aanvankelijk € 150,- per maand bij in de (woon)kosten van [appellante]. Thans maakt de zoon dat bedrag over aan de Stadsbank, bij welke instantie [appellante] budgetbeheer heeft.
Naar [appellante] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, ontvangt zij geen leefgeld van de Stadsbank, maar draagt haar zoon naar vermogen - volgens [appellante] heeft ook haar zoon schulden - bij in de kosten van haar levensonderhoud. De zoon betaalt onder andere het bij Ziggo afgesloten internet/televisie/telefonie-abonnement van € 60,- per maand.
[appellante] is volledig arbeidsongeschikt verklaard. Zij ontvangt een WAO/WIA-uitkering, aangevuld door een WWB-uitkering van de gemeente Twenterand.
Op 12 november 2014 heeft [appellante] een intakegesprek gehad met [maatschappelijk werkster], maatschappelijk werkster bij het Maatschappelijk Werk Noord West Twente.

3.2

De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] tussentijds beëindigd, omdat [appellante] haar informatieplicht niet naar behoren is nagekomen en omdat zij nieuwe (bovenmatige) schulden heeft laten ontstaan. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Voldoende is komen vast te staan dat [appellante] nieuwe schulden heeft laten ontstaan van thans in totaal ongeveer € 1.000,-. Blijkens de behandeling ter zitting heeft [appellante] (nog) niets ondernomen om tot een betalingsregeling te komen. [appellante] en haar zoon hebben ook niets ondernomen met betrekking tot de verdeling van de woonlasten, terwijl [appellante] zelf ter zitting heeft verklaard dat zij te weinig geld ontvangt en dat er daardoor steeds weer nieuwe schulden bijkomen. Nu niet is gebleken dat er een betalingsregeling is getroffen en/of dat er aflossingsmogelijkheden zijn, dienen de nieuwe schulden, mede gelet op de hoogte ervan, als bovenmatig te worden gekwalificeerd. Bovendien zullen er, gelet op het inkomen van [appellante] in relatie tot haar uitgaven aan woonlasten, steeds weer nieuwe schulden bijkomen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het doen en/of laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden, ongeacht of deze al dan niet verwijtbaar zijn ontstaan, ingevolge artikel 350 lid 3 onder d van de Faillissementswet tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling dient te leiden.

Voorts is [appellante] - nog steeds volgens de rechtbank - gedurende een langere periode haar informatieplicht niet naar behoren nagekomen, nu zij de bewindvoerder niet actief, maar slechts op verzoek informeert. [appellante] heeft daarvoor al meerdere mondelinge en schriftelijke waarschuwingen van de bewindvoerder gehad. Desondanks heeft [appellante] geen wijzigingen in de aanlevering van de informatie laten zien. Zo heeft zij de benodigde bankmutaties van de Stadsbank tot op heden niet aangeleverd. Blijkens de behandeling ter zitting is de laatste mutatie die de bewindvoerder heeft ontvangen van juni 2014. Als gevolg van de nalatigheid in de informatieplicht is de bewindvoerder gedurende langere tijd niet, dan wel onvoldoende, op de hoogte van de persoonlijke en de financiële situatie van [appellante], aldus de rechtbank.

3.3

Het hof is allereerst van oordeel dat de nieuwe schulden die [appellante] tijdens haar schuldsaneringsregeling heeft laten ontstaan - € 461,- aan Menzis vanwege een achterstand in betaling van de zorgpremie en € 467,- aan de gemeente Twenterand vanwege niet betaalde gemeentelijke heffingen over 2013 en 2014 - geen reden zijn de schuldsaneringsregeling van [appellante] voortijdig te beëindigen. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Uit de in hoger beroep overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting ter zitting blijkt dat [appellante] in de afgelopen periode berichten heeft ontvangen ter zake van de hierna te noemen door haar (nog) te ontvangen inkomsten:
1. € 252,- netto, volgend uit een brief van het UWV van 18 september 2014, waarbij [appellante]
een tegemoetkoming arbeidsongeschikten wordt toegekend, uiterlijk 25 september 2014
betaalbaar gesteld;
2. € 484,-, volgend uit een besluit van het CAK van 17 oktober 2014, waarbij [appellante] een
algemene tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de Wet tegemoetkoming
chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) 2013, eind december 2014 betaalbaar gesteld;
3. € 865,-, volgend uit een Voorschotbeschikking Toeslagen van de Belastingdienst van
21 oktober 2014, waarbij [appellante] zorgtoeslag over 2014 wordt toegekend;
4. € 70,-, volgend uit een besluit van de gemeente Twenterand van 7 november 2014, waarbij
[appellante] een koopkrachttegemoetkoming 2014 wordt toegekend;
5. € 314,98, volgend uit de jaarafrekening (periode: 1 augustus 2013 tot en met 13 oktober
2014) van Electrabel Nederland Retail B.V. van 21 oktober 2014.
Het hof is van oordeel dat in elk geval de hiervoor onder 1 tot en met 4 genoemde inkomsten gelet op de in het Vtlb-rapport (versie januari 2014), opgesteld door de Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa, opgenomen tabel met bijbehorende toelichting, niet in de boedel vallen en dat die inkomsten dan ook door [appellante] kunnen - en ook moeten - worden aangewend om de tijdens de schuldsaneringsregeling ontstane nieuwe schulden af te lossen(vgl. de punten 4.6.1 en 4.6.3 van dat rapport). Het totaal van deze bedragen acht het hof voldoende voor [appellante] om daarmee haar nieuwe schulden van ruim € 900,- in te lopen.

3.4

Het hof stelt voorts vast dat niet in debat is dat de schuldsaneringsregeling van [appellante] niet goed is verlopen, met name wat betreft de door [appellante] in acht te nemen actieve en passieve informatieverplichting jegens de bewindvoerder. Zo heeft [appellante] gedurende langere tijd de voor de berekening van haar vrij te laten bedrag essentiële stukken zoals bankafschriften niet aan de bewindvoerder doen toekomen en heeft zij de bewindvoerder ook anderszins, onder andere over de stand van zaken met betrekking tot de voor haar ingediende letselschadeclaim, niet, dan wel onvoldoende, geïnformeerd.
Hoewel het voorgaande aanleiding zou kunnen zijn de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds te beëindigen, is het hof van oordeel dat de door [appellante] begane verzuimen onvoldoende zwaarwegend zijn om die regeling tussentijds te beëindigen.
Daarbij weegt het hof mee dat [appellante] nog niet eerder, althans daar is niet van gebleken, een expliciete waarschuwing van de bewindvoerder en/of de rechtbank heeft gehad. Voorts pleit voor [appellante] dat zij de ernst van haar situatie inmiddels heeft ingezien en dat zij op eigen initiatief hulp heeft gezocht en gevonden bij de Stadsbank en - recent - ook bij maatschappelijk werk, waarbij mevrouw [maatschappelijk werkster] heel wat uitkeringen voor [appellante] heeft gerealiseerd. Verder staat vast dat de bewindvoerder, naar zij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, thans wel alle aan [appellante] gevraagde informatie in haar bezit heeft.

3.5

Gelet op het voorgaande zal het hof [appellante] dan ook in de gelegenheid stellen haar schuldsaneringsregeling voort te zetten, zij het dat deze regeling verlengd dient te worden met de periode waarin [appellante] niet aan haar informatieverplichting heeft voldaan. Deze periode stelt het hof in redelijkheid vast op zes maanden, zodat de schuldsaneringsregeling van [appellante] zal voortduren tot 8 mei 2016.

3.6

Voor het succesvol ten einde brengen van haar schuldsaneringsregeling dient [appellante] zich gedurende de resterende looptijd van die regeling stipt te houden aan alle uit de regeling voortvloeiende verplichtingen. Daartoe wijst het hof [appellante] er onder meer op dat zij de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd, tijdig, dient te informeren over alles wat voor die regeling van belang is of zou kunnen zijn. Voorts dient [appellante] tijdens de resterende duur van haar schuldsaneringsregeling met de hiervoor onder 3.4 genoemde ontvangen en nog te ontvangen bedragen haar nieuwe schulden vóór het einde van de looptijd volledig in te lopen en zal zij al het mogelijke in het werk moeten stellen om nieuwe schulden te voorkomen. Om ten aanzien daarvan meer zekerheid in te bouwen, gaat het hof er van uit dat [appellante] beschermingsbewind zal aanvragen, zoals door haar ter zitting toegezegd.
Verder dient [appellante], met name gezien de belangen van haar schuldeisers, de onderhandelingen die zij (via een advocaat) met een ziekenhuis voert over een schade-uitkering - [appellante] stelt, kort gezegd, dat zij als gevolg van een medische fout gedurende drie maanden kunstmatig door dat ziekenhuis in coma is gehouden - binnen zo kort mogelijke termijn af te ronden. Op zijn minst mag hierbij van [appellante] worden verwacht dat zij een voorschot van het ziekenhuis vraagt, te meer ook nu het ziekenhuis volgens [appellante] haar uit coulanceoverwegingen een aanbod heeft gedaan ter hoogte van € 15.000,- (dit bedrag correspondeert met de huidige totale schuldenlast van [appellante]). [appellante] zelf begroot de door haar geleden schade op ruim € 100.000,-.
Tot slot is het hof van oordeel dat het op de weg van [appellante] ligt om nog gedurende het schuldsaneringstraject serieuze pogingen te ondernemen om de haar en haar ex-echtgenoot (die evenals [appellante] tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten) in eigendom behorende tractor (die thans door haar zoons wordt gebruikt voor de motorcross en blijkens de laatste openbare verslagen van de bewindvoerder op € 1.250,- is gewaardeerd) te gelde te maken en de opbrengst naar de boedelrekening over te maken. Ook ten aanzien van dit punt geldt dat [appellante] de bewindvoerder moet informeren en, zo nodig, in overleg met haar moet treden.

3.7

Het hof zal beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 9 oktober 2014 en, opnieuw recht doende:

bepaalt dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] wordt voortgezet en verlengt de looptijd van die regeling met zes maanden, dus tot 8 mei 2016.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.C. Frankena en P.H. van Ginkel, en is op
1 december 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.