Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9207

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
08-12-2014
Zaaknummer
200.142.199-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Een beroep op de aanvaardbaarheidstoets moet voldoende onderbouwd en inzichtelijk worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.199/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/354350 / FL RK 13-2351)

beschikking van de familiekamer van 27 november 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.G.B.M. Schönhage, kantoorhoudend te Almere,

tegen

[verweerster],

wonende te [A],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.B. de Jong, kantoorhoudend te Almere.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 20 november 2013 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 20 februari 2014;

- het verweerschrift, ingekomen op 24 april 2014;

- een journaalbericht van mr. Schönhage van 7 augustus 2014 met bijlagen, ingekomen op 11 augustus 2014 en nogmaals op 22 augustus 2014;

- een journaalbericht van mr. De Jong van 11 augustus 2014 met bijlagen, ingekomen op 12 augustus 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 25 augustus 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie tussen partijen zijn [de minderjarige1], geboren [in] 2006, (hierna te noemen [de minderjarige1]), [de minderjarige2], geboren [in] 2008, (hierna te noemen: [de minderjarige2]) en [de minderjarige3], geboren [in] 2013, (hierna te noemen [de minderjarige3]) geboren. De man heeft de kinderen erkend. De vrouw oefent alleen het gezag over de kinderen uit en de kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2

De vrouw heeft op 11 oktober 2013 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend tot het vaststellen van een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 200,- per maand met ingang van 1 april 2013. De man heeft geen verweer gevoerd.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1], [de minderjarige2] en [de minderjarige3]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 1 april 2013 vastgesteld op € 200,- per maand.

4.2

De man is met één grief in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

20 november 2013. Deze grief valt uiteen in twee onderdelen en ziet op de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw.

4.3

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een beslissing te nemen inhoudende dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met ingang van 1 april 2013 dient te worden afgewezen, althans te bepalen op een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren met een zodanige ingangsdatum als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

4.4

De vrouw heeft het hof verzocht het beroep van de man af te wijzen.

4.5

Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

● de draagkracht van de man, en wel op de volgende punten:

○ het inkomen van de man;

○ de woonlasten van de man;

○ de schulden van de man;

● de draagkracht van de vrouw.

5 De motivering van de beslissing

De behoefte van de kinderen

5.1

Het hof constateert dat de behoefte van de kinderen nog niet is vastgesteld. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht om te bepalen dat de man een bijdrage dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 200,- per maand. Het hof beschikt over onvoldoende gegevens om de behoefte van de kinderen exact te kunnen berekenen. Nu partijen hier niet over twisten stelt het hof vast dat de eigen bijdrage van partijen in de behoefte van de kinderen minimaal € 200,- per maand bedraagt.

De draagkracht van de man

Het inkomen van de man

5.2

De man stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om enige bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De man verdiende in de periode van 22 april 2013 tot en met eind januari 2014 een gemiddeld inkomen van € 1.450,- netto per vier weken. In die periode had hij blijkens de draagkrachttabel een draagkracht van € 135,- per maand. Vanaf februari 2014 ontvangt de man een uitkering.

De vrouw stelt dat niet in discussie is dat de man inkomen heeft, deels uit loondienst en deels via een WW-uitkering.

5.3

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat voor wat betreft het inkomen van de man er een jarenlang patroon bestaat waarin de man perioden van inkomsten via een uitzendbureau afwisselt met perioden van inkomsten uit een uitkering (WW of WWB) terwijl hij ook perioden zonder inkomsten zit. Gelet op voornoemd patroon is er in beginsel aanleiding om het inkomen van de man niet enkel te baseren op zijn inkomsten uit arbeid, maar te middelen met de ontvangen uitkeringen dan wel de perioden zonder inkomsten.

Het inkomen van de man in 2013

5.4

De man heeft in 2013 vanaf 22 april via het uitzendbureau [B] gewerkt en hiervan zijn jaaropgave in het geding gebracht. Er is geen aangifte/aanslag inkomstenbelasting 2013 overgelegd. Het hof heeft dus geen zicht op de inkomsten die de man voor 22 april 2013 heeft gehad. Onduidelijk is of de man een inkomen uit arbeid, een WW-uitkering of een bijstandsuitkering heeft ontvangen in de periode van 1 januari 2013 tot 22 april 2013. In het dossier bevindt zich alleen een brief van het UWV van 13 september 2012 waarin afwijzend is beslist op de aanvraag van de man om een WW-uitkering met terugwerkende kracht tot 4 januari 2012. Nu de man heeft nagelaten om zijn inkomsten over heel 2013 inzichtelijk te maken zal het hof het inkomen van de man zoals dit blijkt uit zijn jaaropgave 2013 van [B] omrekenen naar een jaarinkomen.

5.5

Het hof heeft het jaarinkomen van de man aldus berekend op € 19.413,- en het netto besteedbaar inkomen op basis van dit inkomen berekend op € 1.329,- per maand. Het hof overweegt, in aansluiting op de aanbevelingen van het Rapport Alimentatienormen van april 2013, dat de man geacht kan worden een draagkracht te hebben van € 99,- per maand om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

Het inkomen van de man in 2014

5.6

In 2014 heeft de man deels inkomen van [B] en deels een WW-uitkering. De man heeft over de periode tot de zitting twee specificaties van de WW-uitkering in februari en maart overgelegd, een aantal brieven van het UWV en drie loonstroken van [B] met betrekking tot week 26, 27 en 28 (tot en met 13 juli 2014). Uit de brieven van het UWV blijkt dat de man vanaf 15 februari 2014 een WW-uitkering heeft aangevraagd en is verder af te leiden dat hij in april nog WW ontving, immers er is toen beslag gelegd op zijn uitkering. Uit de overgelegde loonstroken van [B] is af te leiden uit de cumulatieven (het aantal fiscale dagen waarbij de periode januari tot 15 februari niet meegerekend moet worden) dat de man in mei weer begonnen is met zijn werk daar en dat zijn inkomen nagenoeg gelijk is aan dat in 2013. Bij gebreke aan inzicht in de inkomsten van de man na 13 juli 2014

- kennelijk heeft hij voor in ieder geval een deel van die periode geen inkomen - en gelet op het patroon gedurende meerdere jaren van grofweg gedurende negen maanden werken voor een uitzendbureau en dan grofweg drie maanden een WW-uitkering zal het hof het inkomen van de man vanaf 1 januari 2014 berekenen door de inkomsten van [B] en de WW-uitkering te middelen, in die zin dat het hof bij de berekening van het inkomen van de man uit zal gaan van negen maanden inkomsten uit arbeid en drie maanden WW-uitkering. Voor de berekening van de WW-uitkering gaat het hof uit van € 298,30 bruto per week van 17 februari tot en met 20 april 2014, zijnde negen weken, en vier weken met een uitkering van

€ 275,- per week.

5.7

Het overeenkomstig het voorgaande berekende jaarinkomen is dan € 18.647,- en het netto besteedbaar inkomen € 1.236,- per maand. Het netto besteedbaar inkomen van de man is lager dan € 1.250,- per maand. In aansluiting op de aanbevelingen van het Rapport Alimentatienormen wordt de man geacht in staat te zijn om een minimale draagkracht te hebben van € 50,- om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

De woonlasten van de man

5.8

De vrouw is van mening dat bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening moet worden gehouden met een forfaitair bedrag aan woonlasten nu de man bij zijn ouders woont. Het hof stelt voorop dat alleen in uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van de forfaitaire benadering. Het forfaitaire stelsel is mede bedoeld om mensen de vrijheid te geven om hun vrij besteedbare ruimte te kunnen besteden op de wijze zoals zij dat zelf willen. Het enkele feit dat de man een bedrag overhoudt nu zijn werkelijke woonlast lager is dan het forfaitaire bedrag, geeft geen aanleiding tot een correctie.

De schulden van de man

5.9

De man stelt dat hij veel schulden heeft waar hij op aflost. Hij is van mening dat met al deze schulden rekening moet worden gehouden bij de berekening van zijn draagkracht. De man doet een beroep op de aanvaardbaarheidstoets.

De vrouw betwist dat de man een beroep op de aanvaardbaarheidstoets toekomt. Uit de stukken blijkt volgens de vrouw dat de man allerlei financiële verplichtingen op zich heeft genomen, terwijl hij wist dat hij onderhoudsplichtig was voor de kinderen.

5.10

Het hof stelt vast dat de man het hof allereerst verzoekt om met alle aflossingen op de schulden rekening te houden en derhalve om zijn draagkrachtloos inkomen met deze schulden te verhogen. Het hof stelt voorts vast dat de schulden van de man allen zijn aangegaan na het uiteengaan van partijen. Gelet op de aard van de schulden is het hof van oordeel dat deze verwijtbaar zijn ontstaan.

De man had zich uit hoofde van zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van zijn kinderen dienen te onthouden van de gedraging die tot deze schulden hebben geleid.

De man heeft meerdere bekeuringen ontvangen, heeft zijn zorgpremie niet betaald en is onder andere een abonnement bij een sportschool aangegaan waarvoor hij de lidmaatschapskosten niet heeft voldaan. Het hof ziet dan ook geen reden om het draagkrachtloos inkomen van de man te verhogen.

De draagkracht van de vrouw

5.11

De man is van mening dat de vrouw ook een bijdrage dient te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

5.12

De vrouw ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 1.128,61 netto per maand, exclusief vakantiegeld (€ 1.185,04 inclusief). Het hof overweegt, in aansluiting op de aanbevelingen van het Rapport Alimentatienormen van april 2013, dat de vrouw geacht kan worden een minimale draagkracht te hebben van € 50,- per maand om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

De zorgkorting

5.13

Nu de man op zeer onregelmatige basis maar een paar uurtjes omgang met de kinderen heeft en dit aan hemzelf te wijten is - de vrouw heeft aangegeven het enorm te zullen waarderen als de man haar wat meer ontlast door af en toe de zorg voor de kinderen van haar over te nemen - zal het hof geen rekening houden met een zorgkorting.

De door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen

5.14

Partijen hebben onvoldoende draagkracht om geheel in de behoefte van de kinderen te voorzien zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven en het hof de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen voor de periode van

1 april 2013 tot 1 januari 2014 zal bepalen op € 99,- per maand en vanaf 1 januari 2014 op

€ 50,- per maand.

De aanvaardbaarheidstoets

5.15

Uitgangspunt is dat van een onaanvaardbare situatie sprake is indien de onderhoudsplichtige bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt. Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van dergelijke lasten en dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in dat specifieke geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Het hof is van oordeel dat de man dit onvoldoende heeft gedaan. De man heeft weliswaar bewijsstukken van al zijn schulden in het geding gebracht maar geen enkel inzicht gegeven in de bedragen die hij minimaal op deze schulden moet aflossen. Het is voor het hof dan ook niet mogelijk om te beoordelen of de vast te stellen onderhoudsbijdrage er toe leidt dat de man na de minimale aflossing op zijn schulden minder dan 90% van de geldende bijstandsnorm overhoudt. Het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets faalt derhalve.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 november 2013;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1], geboren [in] 2006, [de minderjarige2], geboren [in] 2008, en [de minderjarige3], geboren [in] 2013 € 99,- per maand zal betalen en per 1 januari 2014 € 50,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard,

mr. J.M. Rowel-van der Linde en mr. J.G. Idsardi, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 november 2014 in bijzijn van de griffier.