Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9145

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
KS 21-000098-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Megazaak TGO32, moord sportschoolhouder Almere. Veroordeling t.z.v. medeplichtigheid aan moord (geven van inlichtingen aan hoofdverdachte over verblijfplaats slachtoffer en het ter beschikking stellen van zijn appartement om te posten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000098-14

Uitspraak d.d.: 27 november 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 december 2013 met parketnummer 07-662349-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

thans verblijvende in PI Zuid Oost, Huize Te Roer ZBB Roermond te Roermond.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 2 juli 2014, 2 september 2014, 21 tot en met 23 oktober 2014 en 13 november 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] dient hoofdelijk te worden toegewezen tot een bedrag van € 5.304,98, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient deze benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard. De benadeelde partij [benadeelde partij2] dient in zijn gehele vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. van Baarlen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:

hij op of omstreeks 13 september 2011 te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet, met een vuurwapen een of meer kogels (van korte afstand en/of gericht) afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] door een of meerdere van die kogels in het lichaam en/of het hoofd werd getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.


subsidiair:

[medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of J.W. [medeverdachte3] en/of [medeverdachte4] en/of [medeverdachte5] en/of (een) andere(en) op of omstreeks 13 september 2011 te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of [medeverdachte4] en/of [medeverdachte5] en/of (een) ander(en) met dat opzet, met een vuurwapen een of meer kogels (van korte afstand en/of gericht) afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] door een of meerdere van die kogels in het lichaam en/of het hoofd werd getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 13 september 2011 te [plaats] en/of [plaats], in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest,

door opzettelijk (onder meer)

- de verblijfplaats/woonadres van voornoemd slachtoffer [slachtoffer] bekend te maken/door te geven (aan die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of [medeverdachte4] en/of [medeverdachte5]) en/of

- (met voornoemde [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of [medeverdachte4] en/of [medeverdachte5] en/of (een) ander(en)) mee te gaan (naar het bos) om een of meer schietoefening(en) te doen met een of meer vuurwapen(s) en/of om te kijken of het vuurwapen wel goed werkte en/of elders schietoefeningen met een of meer wapens te verrichten en/of

- de sleutel van zijn, verdachtes, appartement (gelegen aan de [adres] te [plaats]) ter beschikking te stellen teneinde die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of (een) ander(en) in staat te stellen voornoemd slachtoffer [slachtoffer] vanuit voornoemd appartement op te wachten en/of bij het appartementencomplex op te wachten en/of

- na te laten die [slachtoffer] te waarschuwen voor die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of [medeverdachte4] en/of (een) ander(en) en/of na te laten bijstand/hulp in te roepen van politie en/of (een) ander(en) en/of

- niet in te grijpen en/of te laten ingrijpen door (een) ander(en) ter voorkoming dat die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of [medeverdachte4] en/of (een) ander(en) tot de uitvoering van het plegen van bovengenoemd misdrijf zou(den) overgaan en/of aldus (op geen enkele wijze) (niet)te voorkomen dat die [slachtoffer] het leven zou laten.

- het ter beschikking stellen van (de sleutel van) zijn, verdachtes appartement (gelegen aan de [adres] te [plaats]) ten einde voornoemde slachtoffer [slachtoffer] bij het appartementencomplex op te wachten.


2:

hij in of omstreeks de periode van (ongeveer) 01 maart 2012 tot en met 01 juli 2012 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten

- - een pistool (merk onbekend, model M57) en/of

- een pistool (merk Glock, model 19)

van categorie III sub 1 voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs (feit 1)

1 Feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Het hof sluit zich daarbij grotendeels aan bij hetgeen de rechtbank daaromtrent in het vonnis heeft overwogen.

1.1.

Aantreffen lichaam [slachtoffer]

Op 13 september 2011 omstreeks 06:30 uur is tegenover een appartementencomplex aan de [adres] te [plaats] het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen. In de directe omgeving van het lichaam liggen 2 hulzen en een lege patroonhouder. In de hal van het appartementencomplex waartegenover het lichaam is gevonden, worden 8 hulzen en verschoten kogels gevonden. Daarnaast zijn er inslagen van kogels te zien en is er een spoor van bloedspatten via de hoofdingang naar buiten.

1.2.

Oorzaak overlijden

Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat [slachtoffer] als gevolg van meerdere schotverwondingen aan hoofd en lichaam is overleden. Bij de sectie zijn zeven schotverwondingen geconstateerd, waarvan drie doorschoten door het hoofd, één onderhuids verlopend doorschot in de nek, twee doorschoten door en één inschot in de romp en een kogel in de borst. De schoten in de romp waren ernstig en levensbedreigend, maar het slachtoffer hoeft daardoor niet direct handelingsonbekwaam te zijn geweest en zou nog naar buiten hebben kunnen lopen, aldus het NFI. Voorts blijkt uit het onderzoek van het NFI dat het overlijden op grond van de opgelopen hersenschade zondermeer kan worden verklaard door acuut functieverlies van de hersenen.

1.3.

Daderschap medeverdachte [medeverdachte1]

Medeverdachte [medeverdachte1] heeft erkend dat hij [slachtoffer] op 13 september 2011 voor het appartementencomplex bij de [adres] te [plaats] heeft neergeschoten. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van een vuurwapen met een demper. [medeverdachte1] heeft eerst in het appartementencomplex op [slachtoffer] geschoten, waarna [slachtoffer] naar buiten rende. [medeverdachte1] is achter hem aan gerend en heeft daar nog meermalen op [slachtoffer] geschoten. Hij is een magazijn verloren en heeft het vuurwapen na het schieten achter het appartementencomplex in het water gegooid. Toen is hij weggegaan.

Het vuurwapen met demper is meer dan een jaar na het schietincident aan de achterzijde van het appartementencomplex in het water van de [adres] terug gevonden.

1.4.

Tijdstip schietincident

Uit camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] op 13 september 2011 om 00:18:46 uur de sportschool aan de [adres] te [plaats] heeft verlaten. Vervolgens is op beelden waargenomen dat zijn bedrijfsbus om 00:26 uur vanuit de richting van de sportschool in de richting van de [adres] reed, alwaar hij woonachtig was. Om 00:27:13 uur reed de bus richting de rotonde gelegen vóór de [adres].

Getuige [getuige1] - een bewoner van hetzelfde appartementencomplex als [slachtoffer] - heeft verklaard dat hij op 13 september 2011 omstreeks 00:30 uur plotsklaps bonkende geluiden hoorde. Hij hoorde eerst 3 geluiden achter elkaar. Hierna was het even stil en vervolgens hoorde hij de rest van de geluiden. De stilte tussen de geluiden was minimaal. [getuige1] denkt dat het aantal geluiden tussen de 6 à 8 keer was.

Het hof stelt op basis van bewijsmiddelen die later in het arrest aan de orde zullen komen, vast dat medeverdachte [medeverdachte2] in de nacht van 12 op 13 september 2011 met [medeverdachte1] op/nabij de plaats delict aanwezig was. Onderzoek dat is uitgevoerd aan de hand van het verkeersmeetsysteem van de Verkeersinformatiedienst, heeft uitgewezen dat de telefoon van [medeverdachte2] zich op 13 september 2011 om 00:37:57 uur heeft verplaatst vanaf de kruising [kruising], met als laatste meting een meting op locatie [straat], kruising [kruising] om 00:41:33 uur. [medeverdachte2] heeft verklaard dat hij zijn telefoon niet uitleent, tenzij hij er zelf bij is.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat het schietincident als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden op 13 september 2011 tussen 00:27:13 uur en 00:37:57 uur heeft plaatsgevonden. Om 00:37:57 uur waren [medeverdachte1] en [medeverdachte2] al van de plaats delict vertrokken.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er tussen de tijdmetingen van de camera en die van het verkeersmeetsysteem een gering tijdsverschil is, dat echter geen invloed heeft op de aan de tijdstippen te verbinden conclusies.

2 Standpunten

2.1.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie is - anders dan in eerste aanleg - van mening dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van moord. Wel kan volgens de advocaat-generaal worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan moord. Verdachte was op de hoogte van het plan van [medeverdachte1] om [slachtoffer] van het leven te beroven en heeft hem medegedeeld dat [slachtoffer] in hetzelfde appartementencomplex verbleef als waar [verdachte] een appartement had. [verdachte] heeft de sleutel van dat appartement aan [medeverdachte1] verstrekt, zodat [medeverdachte1] en [medeverdachte2] daar konden posten. [verdachte] heeft dat gedaan omdat hij ook wel van [slachtoffer] af wilde. Naast het ter beschikking stellen van zijn appartement heeft [verdachte] een situatietekening van het appartementencomplex en de [adres] aan [medeverdachte1] en [medeverdachte2] gegeven en heeft hij uitgelegd hoe de beschieting in zijn werk moest gaan. [verdachte] heeft voorts samen met [medeverdachte1] schietoefeningen gedaan in het bos en (met het moordwapen) in de sportschool. [verdachte] heeft zich niet van het voornemen van [medeverdachte1] om [slachtoffer] te doden gedistantieerd en heeft nagelaten het slachtoffer of de politie in te lichten. Ten slotte heeft hij nadien aan [medeverdachte1] getracht een alibi te verschaffen. Gelet op het voorgaande kan bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan moord, aldus de advocaat-generaal.

2.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte integraal van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Dat verdachte [medeverdachte1] heeft ingelicht over de verblijfplaats van [slachtoffer] is te verklaren door de problemen die er speelden tussen [medeverdachte1] en het slachtoffer en de mogelijke bedreiging die [slachtoffer] vormde. De sleutel van het appartement is niet verstrekt zodat [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] in het appartement konden posten, maar is verstrekt in het kader van de affaire van [medeverdachte1]. [medeverdachte1] mocht met zijn vriendin gratis gebruik maken van het appartement zodat zij geen hotel hoefden te boeken. De verklaring van verdachte dat hij op enig moment heeft geweten van een plan om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat hij de sleutel in dat kader aan verdachte heeft gegeven, is nadien door hem genuanceerd. Het is aannemelijk dat verdachte gezien de context en zijn verleden bij de politie aannames heeft gedaan die hij heeft gebracht als feiten. Uit zijn verklaring blijkt dat hij veel dingen niet zeker weet, gist of denkt. Hij heeft veel dingen zelf ingevuld en geïnterpreteerd.

Volgens de raadsvrouw kan op basis van het dossier geen veroordeling volgen ter zake van medeplegen van moord. Ook kan niet worden bewezen dat er bij verdachte sprake was van voorbedachte raad. Verdachte had geen wetenschap van de plannen van [medeverdachte1] en had niet de intentie [slachtoffer] van het leven te beroven. Dat verdachte keer op keer aangifte heeft gedaan en de politie bij alles wat [slachtoffer] deed, heeft betrokken, duidt juist op het tegendeel. Hij had bovendien geen motief.

Er is geen enkel bewijs dat verdachte een initiërende of sturende rol zou hebben gehad bij het plan om [slachtoffer] te doden. Er was geen sprake van een gelijkwaardige rolverdeling en/of een intensieve samenwerking.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte één van de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd, dan wel zijn die handelingen met een ander doel verricht dan het doel om [slachtoffer] van het leven te beroven. Zoals hiervoor reeds aangegeven, vond het aan [medeverdachte1] melden van de verblijfplaats van [slachtoffer] niet plaats met het oog op het ten laste gelegde. Dat geldt ook voor het ter beschikking stellen van de sleutel. Uit deze handelingen kan geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, worden afgeleid. De schietoefeningen in het bos hebben evenmin met het oog op het ten laste gelegde plaatsgevonden en ten aanzien van de vermeende schietoefeningen in de sportschool kan niet worden bewezen dat verdachte daarbij aanwezig is geweest. Met betrekking tot het verwijt dat verdachte heeft nagelaten het slachtoffer of de politie in te schakelen heeft de raadsvrouw opgemerkt dat dit impliceert dat verdachte op de hoogte was van het plan om hem van het leven te beroven, hetgeen niet het geval was. Ook als dat wel het geval zou zijn geweest, kan dit overeenkomstig hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen niet hebben bijgedragen aan de medeplichtigheid, aldus de raadsvrouw.

3 Oordeel hof

3.1.

Juridisch kader voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de dader zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de dader voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de dader in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

3.2.

Verklaring verdachte

Bij het oordeel of er in de onderhavige zaak sprake is van voorbedachte raad hecht het hof net als de rechtbank veel waarde aan de verklaring van verdachte, en dan met name de letterlijke uitwerking van het vierde verhoor heeft afgelegd.

Zoals in het vonnis terecht is overwogen, heeft zich op enig moment in het vierde verhoor van verdachte een 'omslagpunt' voorgedaan. In het eerste gedeelte van het verhoor stelde verdachte zich terughoudend op in zijn antwoorden. Aanvankelijk ontkent hij dat hij [medeverdachte1] een sleutel van het appartement heeft gegeven. Later erkent hij dit wel en geeft daarbij dan als reden op dat [medeverdachte1] zijn vriendinnetje uit Parijs daar kon ontvangen. Als de verbalisanten hierop doorvragen, is duidelijk dat verdachte aarzelingen heeft bij wat hij zal verklaren. Zo verklaart hij: "Ik wil er even goed over nadenken. Voordat ik, voordat ik dingen ga zeggen die ik niet meer terug kan draaien". Ook geeft hij aan dat hij bang is dat 'het' afhangt van zijn verhaal. Pas nadat de verbalisanten verdachte hebben voorgehouden dat er ook ander bewijs tegen [medeverdachte1] ligt, namelijk dat DNA van [medeverdachte1] op de patroonhouder en in de woning van verdachte is aangetroffen, wil verdachte zijn verhaal doen. Hij verklaart dan: "Dus er is DNA op die, op die houder gevonden? Op de, op die euh… En DNA gevonden in de woning gevonden? V: Ja. A: (blijft stil). Okay. Nou, laten we het doen maar dan, het verhaal. V: Kom maar. A: Zeg maar wat je wil weten. V: Alles." Verdachte legt vervolgens een verklaring af over de schietpartij op 13 september 2011 en hetgeen daaraan vooraf ging. Veel van de informatie die hij geeft, zegt hij rechtstreeks van [medeverdachte1] te hebben gekregen. Ook verklaart hij over zijn eigen rol: "Het is gaan rollen dat euh, dat ik op een gegeven wist dat hij (het hof begrijpt: [slachtoffer]) .. Dat ik op een gegeven moment wist dat hij op de [adres] woonde. Ik was daar toevallig en ik kwam hem tegen. Althans, ik wist, ik wist van dat hij daar woonde. En euh, en dat heb ik, dat heb ik tegen [medeverdachte1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte1]) gezegd van dat ie daar zit. En daarop heeft hij actie ondernomen. (…) Het was al vrij snel duidelijk dat euh.. Nou ja, [medeverdachte1] euh wilde hem euh terugpakken. Ja, ik had daar geen moeite mee dat ie dat wilde. (..) Hij heeft aangegeven dat, dat hij dat wilde gaan doen en euh hij wist alleen nog niet de plek en hoe en euh wat en euh.. Toen kwam later dat verhaal dat euh, dat .. Althans, dat euh [slachtoffer] bij het appartement euh euh verbleef. Nou ja, dat, dat was, dat was een vrij rustige plek. Dus euh… En ik had dat appartement daar. Dus dat vergemakkelijkte alleen. Nou ja, en de sportschool zat daar euh om de hoek. Het was net de straat over. Nou ja, dat zijn ze gaan afleggen volgens mij en [medeverdachte2] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte2]) is een paar keer wezen kijken daar. Dat hebben ze samen opgezet. En ik moest alleen, ik moest de sleutel ervan geven voor het appartement. Dan konden ze.. Nadat m'n moeder geweest was, konden ze dan euh.. Vanuit de sportschool konden ze die kant op. (..) Ik heb die sleutel gegeven aan hem en die heeft ie een hele tijd bij zich gehad. Want dat was niet van de één op de andere dag. Toen moest maar net het moment of weet ik veel wat allemaal… Dus euh hij is regelmatig heen en weer gegaan. (..) Dat speelde al heel lang. Maanden." Later verklaart verdachte: "Kijk, in eerste instantie had je, had je dat appartement niet nodig, maar hij vond het makkelijk om daar vanuit te, te kunnen kijken. Nou, dat is ook makkelijk. Daar.. Toen heb ik hem de sleutel gegeven. Ik heb hem de toegang tot het appartement gegeven met die sleutel. Dat heb ik gedaan. Als je zegt: "Een aandeel erin", dan is dat mijn aandeel. V: Waarom heb je daar aan mee gewerkt? A: Omdat euh ik euh ook, ik ook wel van hem af wilde eigenlijk."

Verdachte heeft voorts verklaard dat [medeverdachte1] een hele tijd voor het schietincident tegenover verdachte heeft aangegeven dat hij een wapen wilde aanschaffen en dat het een wapen met demper moest zijn. Hij wilde een demper om niet teveel lawaai te maken.

Over het posten heeft verdachte verklaard dat 'ze' daar volgens hem heel veel zijn geweest: "Eigenlijk veel te vaak". “V: en met wie ging ie dan? A: Met [medeverdachte2]. Soms was [medeverdachte2] al in de sportschool of soms was euh [medeverdachte2] al onderweg.” Volgens verdachte werd het een gewoonte om elke keer weer naar die [adres] te rijden en was het een soort procedure.

Over het schietincident zelf heeft verdachte verklaard: "Ze hebben.. Hij heeft op de uitkijk gestaan euh op de tweede verdieping in mijn appartement. Ze zijn binnen geweest. Ze hebben geen licht aangedaan. Hebben daar gekeken. Hebben hem daar zien aan komen. Ze zijn naar beneden gelopen. [medeverdachte1] die was euh.. Nou, via de trap naar beneden gelopen en die heeft hem toen bij de lift opge, opgewacht. Bij de trap of de lift. Nou, en hij loopt de hoek om en toen heeft ie op hem geschoten. (..) Toen is ie gaan rennen, want hij ging niet neer. Hij is gaan rennen. V: Wie? Wie is gaan rennen? A: Euh.. [slachtoffer]. En euh toen is [medeverdachte1] achter hem aan gerend. Hij is toen naar buiten gerend en bij de auto euh is ie euh door z'n hoeven gezakt. En daar heeft ie hem euh nog een keer geschoten. In z'n hoofd. Dichtbij op z'n hoofd." Verdachte geeft aan dat [medeverdachte1] hem het voorgaande kort na het schietincident heeft verteld.

Aan het einde van het verhoor zegt verdachte dat hij zijn bek voorbij gepraat heeft en dat zijn advocaat zich morgen dood zal schrikken.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte voornoemde verklaring in latere verhoren genuanceerd heeft, in die zin dat hij heeft aangegeven dat bepaalde belangrijke onderdelen aannames betreffen, dat hij zelf conclusies heeft getrokken en eigenlijk met de politie heeft mee 'gerechercheerd'. Verdachte geeft dan aan niet te hebben geweten van een plan om [slachtoffer] van het leven te beroven, en dat er geen andere reden was om [medeverdachte1] de sleutel van het appartement te geven dan in het kader van de liefdesaffaire. Ook zegt hij niet zeker te weten of [medeverdachte1] in het appartement heeft gepost.

Het hof gaat hier niet in mee. De verklaring die verdachte in het vierde verhoor na het omslagpunt heeft afgelegd is stellig en komt authentiek over. Verdachte verklaart ofwel uit eigen wetenschap ofwel over hetgeen hij rechtstreeks van [medeverdachte1] heeft gehoord. Voor de stelling van verdachte dat hij aannames heeft gedaan en zelf conclusies heeft getrokken, heeft het hof in het betreffende verhoor geen aanknopingspunt gevonden. Latere verklaringen hebben de geloofwaardigheid van het vierde verhoor niet aangetast. Het hof acht hetgeen verdachte na het zogenoemde 'omslagpunt' heeft verklaard, derhalve geloofwaardig en betrouwbaar en zal deze verklaring in zoverre voor het bewijs gebruiken.

3.3.

Voorbedachte raad

[medeverdachte1] heeft op enig moment na de aanslag op hemzelf op 7 januari 2014 de wens geuit dat hij [slachtoffer] wilde vermoorden. Deze wens heeft hij tegenover verdachte herhaald. Toen verdachte hem vertelde dat hij [slachtoffer] een aantal keer bij het appartementencomplex aan de [adres] in [plaats] had gezien en hem de sleutel van het appartement gaf, is het plan concreet geworden. [medeverdachte1] heeft tegenover verdachte aangegeven dat hij een wapen wilde aanschaffen met een demper erop. Vervolgens is [medeverdachte1] in de periode voor het onderhavige schietincident meermalen naar het appartement van verdachte gegaan om te 'posten', kennelijk met het doel om meer grip te krijgen op het doen en laten van [slachtoffer].

Het hof stelt voorts vast dat [medeverdachte1] in de avond van 12 september 2011 naar het appartementencomplex aan de [adres] te [plaats] is gegaan, met een vuurwapen met demper en een extra patroonhouder op zak. Anders dan de rechtbank acht het hof aannemelijk dat de directe aanleiding om op 12 september 2011 naar het appartement te gaan, de dreigbrief was die de familie [medeverdachte5], de schoonfamilie van [medeverdachte1], had ontvangen. Dit laat echter onverlet dat [medeverdachte1] reeds tevoren het plan had gevat om [slachtoffer] van het leven te beroven, en dat de dreigbrief in die zin slechts het moment lijkt te hebben bepaald waarop hij dat zou doen.

[medeverdachte1] is - samen met [medeverdachte2] - omstreeks 22:00 uur in het appartement van verdachte aangekomen. Het hof baseert zich hierbij onder meer op de verklaring van getuige [getuige2], een bewoonster van een appartement in hetzelfde complex. [getuige2] heeft verklaard dat zij omstreeks 21:50 uur de lift wilde nemen en dat zij toen twee mannen in de lift zag staan. Die mannen kwamen vervolgens de lift uit en liepen in de richting van de deur van huisnummer [nummer] (het hof begrijpt: de woning van Verdachte). Toen [getuige2] buiten met de hond liep, viel haar op dat die woning donker bleef.

Getuige [getuige3], die in hetzelfde appartementencomplex als dat van verdachte woont, en die vanuit haar appartement zicht heeft op de woonkamer van nummer [nummer], heeft verklaard dat zij op 12 september 2011 tussen 22:00 en 22:30 uur ineens het licht zag aangaan op nummer [nummer]. Zij zag toen twee mannen in het appartement. Niet veel later, ongeveer na 5 minuten, ging het licht ineens uit. [getuige3] zat op dat moment televisie te kijken en kon vanaf de bank door de glazen afscheiding van het balkon de woonkamer van nummer [nummer] inkijken. Dat het licht in het appartement aan ging trok haar aandacht, omdat het appartement leeg stond. Bovendien viel het op omdat het buiten donker was, zo heeft zij verklaard.

Naar het oordeel van het hof strookt dit gedrag van de mannen met de verklaring van verdachte dat [medeverdachte1] en [medeverdachte2] in het appartement op de uitkijk hebben gestaan. Het hof gaat daar dan ook van uit.

Blijkens de verklaring van verdachte heeft [medeverdachte1] [slachtoffer] vanuit het appartement zien aankomen en is toen naar beneden gelopen. Gelet op hetgeen onder 1.4. is vermeld, moet dit kort na 00:27:13 uur zijn geweest. Volgens verdachte heeft [medeverdachte1] [slachtoffer] bij de trap of de lift opgewacht en heeft op [slachtoffer] geschoten toen deze de hoek om kwam. Toen [slachtoffer] daarop naar buiten rende, is [medeverdachte1] achter hem aangerend en heeft daarbij nogmaals meerdere keren geschoten, waaronder van dichtbij door het hoofd. Dit blijkt tevens uit [medeverdachte1] eigen verklaring en de op de plaats delict aangetroffen sporen. Hieruit blijkt ook dat het slachtoffer door zijn hoofd is geschoten terwijl hij viel, of toen hij reeds gevallen was. [medeverdachte1] is buiten een lege patroonhouder verloren. Na het schieten is [medeverdachte1] via de achterkant van het appartementencomplex weggelopen en heeft daar het vuurwapen in het water gegooid. Het wapen is daar ook teruggevonden.

Voornoemde gang van zaken vindt in grote lijnen bevestiging in hetgeen [medeverdachte3] tegenover 'Barry' en nadien bij de politie heeft verklaard, zoals in het vonnis is overwogen. [medeverdachte3] heeft verklaard dat zij van [medeverdachte1] heeft gehoord dat [medeverdachte1] [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Ook heeft zij verteld dat er een demper was gebruikt en dat er een houder was achter gelaten. Voorafgaand aan het schieten was er al lange tijd in het appartement van verdachte gepost. [medeverdachte1] heeft volgens haar vanuit de lift op [slachtoffer] geschoten, die de hal van de flat binnen was komen lopen. [slachtoffer] is vervolgens de flat uitgerend en [medeverdachte1] is hem achterna gerend, waarop hij op straat enkele malen op het slachtoffer heeft geschoten om "het af te maken". Het wapen is nadien in het water gegooid, aldus [medeverdachte3]. Ten slotte heeft zij verklaard dat [medeverdachte2] zo dom was geweest zijn GSM mee te nemen.

Het hof acht ook de verklaring van [medeverdachte3] geloofwaardig en betrouwbaar. De verklaring die zij bij de politie heeft afgelegd komt op belangrijke punten overeen met hetgeen zij aan 'Barry' heeft verteld, zonder dat haar op dat moment duidelijk was gemaakt dat Barry een politieman was. Bovendien heeft zij bij de raadsheer-commissaris verklaard: Wat ik bij de politie heb gezegd dat wist ik gewoon toen en dat herinnerde ik me toen ook gewoon goed. Als ik zei dat ik het niet wist, dan wist ik het ook echt niet. Ik ben daar wel eerlijk in geweest."

De verklaringen van verdachte en [medeverdachte3] sluiten voorts op belangrijke punten op elkaar aan en passen bij de uitkomsten van het onderzoek dat na het schietincident heeft plaats gevonden.

Op basis van hetgeen hierboven onder 1.4. is weergegeven stelt het hof vast dat [medeverdachte1] voor 00:37:57 uur van de plaats delict is vertrokken. Het gehele incident, vanaf het aan komen rijden van [slachtoffer] tot aan het vertrekken van de verdachten vanaf de plaats delict heeft derhalve een kleine 10 minuten geduurd. Bedacht moet worden dat [slachtoffer] in deze tijd het laatste stuk naar het appartementencomplex nog heeft moeten afleggen en zijn bus heeft moeten parkeren. Vervolgens is hij uitgestapt en het appartementencomplex ingelopen, waarna hij is beschoten. Na het schieten is [medeverdachte1] via de achterkant van het appartementencomplex weggelopen, heeft daar het wapen met demper in het water weggegooid en is samen met [medeverdachte2] vertrokken.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat [medeverdachte1] op enig moment na 7 januari 2011 het plan heeft gevat om [slachtoffer] te doden. Toen hij er via verdachte achter kwam waar [slachtoffer] (regelmatig) verbleef, heeft hij ter uitvoering van dit plan een wapen met demper aangeschaft - hetgeen de rechtbank terecht als aanvalswapen heeft aangemerkt - en heeft hij meermalen in het appartement van verdachte gepost. Hoewel de dreigbrief de directe aanleiding kan zijn geweest om op 12 september 2011 naar de [adres] in [plaats] te gaan, blijkt uit het daarop volgende handelen van [medeverdachte1], dat hij niet van zijn vooropgezette plan om [slachtoffer] van het leven te beroven is afgestapt. Immers heeft hij in het appartement geruime tijd op de uitkijk gestaan, heeft het slachtoffer opgewacht, is naar beneden gegaan en heeft de daad bij het woord gevoegd. Er was geen sprake van paniek maar van planmatig en weloverwogen handelen.

Aldus heeft [medeverdachte1] [slachtoffer] met voorbedachte raad gedood en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan moord.

3.4.

De rol van verdachte

Uit de verklaring van verdachte die onder 3.2. is weergegeven blijkt dat verdachte wist van de wens van [medeverdachte1] om [slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte heeft [medeverdachte1] verteld dat [slachtoffer] (regelmatig) in het appartementencomplex aan de [adres] verbleef en heeft de sleutel van zijn appartement aan [medeverdachte1] verstrekt. Hoewel verdachte aanvankelijk heeft verklaard dat hij [medeverdachte1] de sleutel van zijn appartement had gegeven zodat deze daar zijn vriendin kon ontmoeten, blijkt uit hetgeen verdachte na het omslagpunt heeft verklaard dat hij de sleutel aan [medeverdachte1] heeft verschaft nadat en om reden dat [slachtoffer] bij dat appartement was gesignaleerd. Ook in zijn vijfde verhoor geeft verdachte aan dat het fout van hem was om de sleutel aan [medeverdachte1] te geven en dat zulks tot strafbare betrokkenheid van hem kan leiden. Niet valt in te zien waarom dat het geval zou zijn indien hij de sleutel (enkel) aan [medeverdachte1] had gegeven om daar een vriendin te ontmoeten.

Uit de verklaring van verdachte blijkt voorts dat hij ervan op de hoogte was dat [medeverdachte1] en [medeverdachte2] meermalen naar het appartement gingen om te posten. Hij verklaart hierover dat "ze een hele tijd aan het heen en weer pendelen waren. Omdat elke keer euh liep het mis of er was euh, er was wat. Of hij was er niet of euh.." Volgens verdachte was het een gewoonte, een soort van procedure geworden. Eigenlijk zijn ze er veel te veel geweest. Tientallen keren en dit was altijd 's avonds, aldus verdachte. Op de vraag wat ze zeiden als ze gepost hadden, heeft hij geantwoord dat hij ze pas de volgende dag weer zag en dat ze dan zoiets zeiden van: "Weer geen bijzonderheden. Hadden we niks gezien. We hebben zo lang gewacht en euh niks gezien. Hij was er niet".

Verdachte wist dat [medeverdachte1] [slachtoffer] wilde terugpakken en wist dat [medeverdachte1] een vuurwapen met demper zou aanschaffen. De demper was omdat [medeverdachte1] niet teveel lawaai wilde maken, zo heeft verdachte verklaard. Als voormalig politieman moet verdachte hebben geweten dat een vuurwapen met demper als aanvalswapen dienst doet. Verdachte heeft verklaard dat hijzelf ook wel van [slachtoffer] af wilde: "Ik zou het zelf niet doen, maar ik heb geen moeite dat iemand anders het doet. Hij zou het linksom of rechtsom, zou ie het doen. Daar was ie op gebrand." Dit spreekt verdachtes verklaring tegen dat hij erg twijfelde of verdachte [slachtoffer] zou durven te doden. Later in het verhoor verklaart verdachte "[medeverdachte1] heeft tegen een heleboel mensen gezegd dat hij 'het' ging doen, tegen [medeverdachte2] en tegen mij. (…) Ik heb de sleutel gegeven omdat ik hem niet in de weg wilde staan en het kwam euh, het komt me ook wel gelegen."

Zoals reeds onder 3.2. aangegeven acht het hof voornoemde verklaring van verdachte geloofwaardig en betrouwbaar. De onzekerheden in zijn (latere) verklaring(en) zien op details en de omstandigheden waaronder het posten/afleggen zou zijn gebeurd, maar niet over het feit dát er is gepost. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat verdachte feitelijkheden in zijn vierde verhoor na de “omslag” zelf heeft ingevuld of geïnterpreteerd.

Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte wist van het plan van [medeverdachte1] om [slachtoffer] van het leven te beroven en dat hij zelf ook van hem af wilde. Verdachte heeft [medeverdachte1] verteld dat [slachtoffer] (regelmatig) in het appartementencomplex aan de [adres] verbleef en heeft de sleutel van zijn appartement in datzelfde appartementencomplex aan [medeverdachte1] verstrekt. Aldus heeft verdachte zich bij de wens van [medeverdachte1] om [slachtoffer] om het leven te brengen aangesloten en heeft verdachte derhalve (ook) opzet gehad op de dood van [slachtoffer].

Overeenkomstig het pleidooi van de raadsvrouw constateert het hof dat op basis van het dossier niet is vast te stellen dat verdachte de initiator was van het plan om [slachtoffer] om te brengen of dat hij daarbij een sturende rol heeft gehad. Ook blijkt niet van een gelijkwaardige rolverdeling en/of een intensieve samenwerking gericht op de dood van [slachtoffer]. Het is niet vast te stellen dat de schietoefeningen die in het bos zijn gedaan, met het oog daarop hebben plaatsgevonden. Daarnaast kan niet worden bewezen dat verdachte aanwezig is geweest bij een schietoefening met het moordwapen in de sportschool, voorafgaand aan de moord. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof de anonieme brief daartoe onvoldoende. Voorts is verdachte in de avond/nacht van 12 op 13 september 2011 niet betrokken geweest bij de uitvoering van het plan tot het doden van [slachtoffer].

Gelet op het voorgaande is het hof - overeenkomstig het vonnis en het standpunt van de advocaat-generaal - van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord. Verdachte zal daarom van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tot het plegen van dit misdrijf opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft en daardoor de uitvoering van het misdrijf vergemakkelijkt heeft. Dat verdachte aan [medeverdachte1] heeft verteld waar [slachtoffer] verbleef en zijn appartement aan [medeverdachte1] ter beschikking heeft gesteld, heeft immers de aanzet gegeven tot de geslaagde uitvoering van het plan [slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte deed dit niet alleen omdat hij [medeverdachte1] wilde helpen maar ook omdat hij zelf van [slachtoffer] af wilde. Verdachtes handelen heeft de uitvoering van het misdrijf derhalve vergemakkelijkt.

De overige onderdelen van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde acht het hof niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voorwaardelijk verzoek verdediging

De raadsvrouw heeft bij pleidooi aangevoerd dat indien het hof tot een bewezenverklaring komt van het nalaten van bijstand/hulp in te roepen van de politie en niet te laten ingrijpen door anderen alsmede van het verschaffen van inlichtingen (de verblijfplaats van [slachtoffer]), dit volgens haar niet kan zonder eerst nadere informatie aan het dossier toe te voegen. De raadsvrouw heeft verzocht verbalisant [verbalisant] een proces-verbaal op te laten maken waarin hij een overzicht geeft van de contacten die hij met verdachte heeft gehad en de mutaties die hij in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen heeft opgemaakt. In de mutaties zal ook vermeld zijn dat verdachte niet alleen aan [verdachte] maar ook aan [verbalisant] heeft gemeld dat hij de bus van [slachtoffer] bij het appartementencomplex had gesignaleerd. De raadsvrouw heeft verzocht [verbalisant] een dergelijk proces-verbaal op te laten maken dan wel de betreffende mutaties aan het dossier toe te voegen.

Het hof verklaart bewezen dat verdachte aan [medeverdachte1] heeft gemeld dat hij (de bus van) [slachtoffer] bij het appartementencomplex bij de [adres] te [plaats] heeft gesignaleerd. Het hof neemt van de verdediging aan dat verdachte dit ook aan [verbalisant] heeft gemeld en ziet geen noodzaak dit bij [verbalisant] te verifiëren. Nu het hof niet bewezen acht dat de medeplichtigheid (mede) heeft bestaan uit het nalaten van hulp/bijstand inroepen van politie of anderen, acht het hof het ook anderszins niet noodzakelijk om [verbalisant] daarover een proces-verbaal op te laten maken dan wel de betreffende mutaties aan het dossier toe te voegen. Het voorwaardelijk gedane verzoek van de raadsvrouw wordt daarom afgewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. subsidiair:

[medeverdachte1] op 13 september 2011 te [plaats], opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft die [medeverdachte1] met dat opzet, met een vuurwapen kogels (van korte afstand en gericht) afgevuurd op en in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] door meerdere van die kogels in het lichaam en het hoofd werd getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 13 september 2011 te [plaats] opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft,

door opzettelijk

- de verblijfplaats van voornoemd slachtoffer [slachtoffer] bekend te maken/door te geven aan die [medeverdachte1] en/of

- de sleutel van zijn, verdachtes, appartement gelegen aan de [adres] te [plaats] ter beschikking te stellen teneinde die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] in staat te stellen voornoemd slachtoffer [slachtoffer] vanuit voornoemd appartement op te wachten en/of bij het appartementencomplex op te wachten

2:

hij in de periode van 1 maart 2012 tot en met 1 juli 2012 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, wapens van categorie III, te weten

- - een pistool (merk onbekend, model M57) en

- een pistool (merk Glock, model 19)

van categorie III sub 1 voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In de nacht van 12 op 13 september 2011 is [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad door medeverdachte [medeverdachte1] om het leven gebracht. [medeverdachte1] heeft hem meermalen in lichaam en hoofd geschoten. Het lichaam van [slachtoffer] is 's ochtends op de parkeerplaats aan de voorzijde van het appartementencomplex aangetroffen. Verdachte heeft tot het plegen van dit misdrijf opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaft, waardoor de uitvoering van dit misdrijf is vergemakkelijkt.

Moord is één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. [slachtoffer] is het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Door een dergelijk misdrijf wordt de rechtsorde ernstig geschokt en worden sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij veroorzaakt. Verdachte, die nota bene 19 jaar bij de politie heeft gewerkt, heeft een belangrijke en doorslaggevende rol bij de totstandkoming van het misdrijf vervuld. Dit wordt hem zwaar aangerekend.

Op het moment van overlijden was [slachtoffer] 43 jaar, getrouwd en vader van 2 jonge kinderen. Aan de nabestaanden is onherstelbaar leed toegebracht. Dit blijkt onder meer uit de slachtofferverklaringen van de weduwe van [slachtoffer] en die van zijn broer en zus. Dat de weduwe en [slachtoffer] broer het levenloze lichaam van [slachtoffer] 's ochtends op de parkeerplaats hebben zien liggen, is voor hen extra ingrijpend geweest.

Bij de strafoplegging wordt voorts rekening gehouden met de omstandigheden die voor verdachte aanleiding zijn geweest tot het plegen van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feit. Naar aanleiding van een zakelijk geschil tussen verdachte en [slachtoffer], zijn verdachte en zijn gezin het slachtoffer geworden van bedreigingen, intimidaties en geweldsincidenten. De auto en woning van verdachte zijn beschadigd, er is geschoten door het raam van de woning, verdachte heeft een brief ontvangen, gericht aan zijn vrouw, met daarin kogelhulzen en is verbaal met de dood bedreigd en afgeperst. Verdachte heeft steeds aangifte gedaan van deze incidenten en heeft enige tijd in een beschermingsprogramma van de politie gezeten. Het hof acht het begrijpelijk dat verdachte [slachtoffer] verantwoordelijk hield voor het jegens hem en zijn omgeving aangewende geweld, al moet ook geconstateerd worden dat de politie daarvoor nooit bewijs heeft kunnen leveren.

Ingegeven door de angst dat een volgende aanslag hem of een familielid fataal zou worden, heeft verdachte zich genoodzaakt gevoeld zich te bewapenen om aldus zichzelf en zijn gezin te kunnen beschermen. Hoewel het voorgaande het handelen van verdachte enigszins inzichtelijk en voorstelbaar maakt, blijft dit onacceptabel en strafwaardig.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 23 september 2014 is verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten veroordeeld.

Het hof houdt bij de strafoplegging ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit een reclasseringsadvies van 18 december 2012 en 30 april 2014, en zoals die ter terechtzitting van het hof aan de orde zijn gekomen. Tot aan de aanhouding in de onderhavige zaak had verdachte zijn leven goed op orde. Verdachte was eigenaar van twee sportscholen en was actief op de vastgoedmarkt. In detentie heeft verdachte zich op alle fronten ingezet om een goede en snelle terugkeer in de maatschappij te bewerkstelligen. De reclassering heeft het recidiverisico als laag ingeschat.

Nu het hof bij de hoofdverdachte ([medeverdachte1]) tot oplegging van een lagere straf is gekomen dan door de advocaat-generaal is geëist, komt het hof ook in de onderhavige zaak tot een lagere straf dan geëist. Daarbij geldt tevens dat het hof in meerdere mate rekening houdt met de voorgeschiedenis die verdachte aanleiding heeft gegeven tot het plegen van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde feit.

Anderzijds kent het hof eveneens veel gewicht toe aan de belangrijke en doorslaggevende rol die verdachte bij de totstandkoming van het delict heeft gehad. Het appartement van verdachte heeft zowel in de periode voorafgaand aan de moord als op de dag van de moord zelf, een cruciale rol gespeeld. Het hof komt daarom tot een hogere straf dan de rechtbank. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf van 6 jaren passend en geboden. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2] (broer slachtoffer)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.200,00, bestaande uit € 1.200,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. [benadeelde partij2] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. [benadeelde partij2] kan in zoverre niet in zijn vordering worden ontvangen en kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ook ten aanzien van de gevorderde materiële schade kan [benadeelde partij2] niet in zijn vordering worden ontvangen. Ingevolge artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering jo. artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is [benadeelde partij2] ten aanzien van de gevorderde schade (kosten reis bijwonen begrafenis) niet voegingsgerechtigd.

De benadeelde partij en verdachte dienen ieder de eigen kosten te dragen van het geding.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] (weduwe slachtoffer)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.269.995,50, bestaande uit:

1 - begrafeniskosten: € 4.304,98

2 - verhuiskosten: € 3.377,50

3 - woon- werkverkeer: € 47.623,33

4 - gederfd levensonderhoud: € 2.202.689,69

5 - immateriële schade € 10.000,00

6 - kosten rechtsbijstand: € 2.000,00,

te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedinngsmaatregel.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.304,98. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 4.304,98, bestaande uit de onder 1 vermelde begrafeniskosten. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor de onder 2 tot en met 6 gevorderde kosten is het hof overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de onder 1 vermelde schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en de verdachte als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding en dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 48, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen tot nog toe gemaakte kosten dragen en veroordeelt verdachte in de nog te maken kosten van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.304,98 (vierduizend driehonderdvier euro en achtennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij1], een bedrag te betalen van € 4.304,98 (vierduizend driehonderdvier euro en achtennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 53 (drieënvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 27 november 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.