Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9142

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
14/00380
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1373
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Gebruik van de weg met auto met buitenlands kenteken. Onherroepelijke informatiebeschikking. Bewijslastverdeling. Vergrijpboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2873
V-N Vandaag 2014/2513
V-N 2015/10.1.4
Rolleman annotatie in NTFR 2015/575
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 14/00380

uitspraakdatum: 25 november 2014

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 maart 2014, nummer AWB 13/4795, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag (aanslagnummer [0000000]) in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen opgelegd ten bedrage van € 9.605. Daarbij is hem voorts een vergrijpboete opgelegd van € 4.802.

1.2.

De naheffingsaanslag en de beschikking inzake de boete zijn, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Het door belanghebbende tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard voor zover het beroep betrekking heeft op de naheffingsaanslag en gegrond voor zover het beroep betrekking heeft op de boetebeschikking. De Rechtbank heeft de op de boete betrekking hebbende uitspraak op bezwaar vernietigd en de boete verminderd tot € 2.401.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoort, naast voormelde stukken, voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 30 oktober 2014 te Arnhem. Aldaar is verschenen en gehoord: mr. [A] namens de Inspecteur. Belanghebbende is met schriftelijke kennisgeving aan het Hof niet ter zitting verschenen.

1.7.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende woont in Nederland. Op 24 mei 2012 heeft hij gebruik gemaakt van de openbare weg in Nederland met een personenauto, merk Mercedes Benz, voorzien van het Duitse kenteken [YYY-YY-000] (hierna: de auto). De auto is een gebruikte auto. Voor de auto is aan belanghebbende geen vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) verleend.

2.2.

Naar aanleiding van het in 2.1 bedoelde gebruik, heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 18 juni 2012 verzocht bepaalde informatie met betrekking tot de auto te verstrekken, door invulling van een ‘Vragenformulier BPM/MRB’, en door afschriften van relevante stukken over te leggen. Daarbij heeft de Inspecteur belanghebbende erop gewezen dat hij op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gehouden is de informatie te verstrekken.

2.3.

In zijn reactie op deze brief heeft belanghebbende onder meer de Inspecteur verzocht op de voet van artikel 52a van de AWR een informatiebeschikking vast te stellen. De door de Inspecteur verlangde informatie is niet verstrekt door belanghebbende.

2.4.

Met dagtekening 24 juli 2012 heeft de Inspecteur ten aanzien van belanghebbende de gevraagde informatiebeschikking vastgesteld. Daarin is vermeld, kort gezegd, dat belanghebbende met betrekking tot de auto niet aan zijn plicht tot het verstrekken van informatie als bedoeld in de artikelen 47 en 49 van de AWR heeft voldaan en dat belanghebbende nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld de verlangde informatie te verstrekken vóór 7 augustus 2012. In de beschikking is belanghebbende gewezen op de sanctie - bij het niet alsnog voldoen aan de informatieverplichting - van omkering en verzwaring van de bewijslast. Belanghebbende heeft de door de Inspecteur verlangde informatie niet verstrekt. Evenmin heeft hij rechtsmiddelen aangewend tegen de informatiebeschikking.

2.5.

Bij brief van 24 september 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende aangekondigd hem ter zake van het gebruik van de openbare weg in Nederland met de auto op 24 mei 2012 een naheffingsaanslag bpm te zullen gaan opleggen van € 9.605 en een vergrijpboete van 50% van de na te heffen bpm, te weten € 4.802. Bij de berekening van de belasting is de Inspecteur ervan uitgegaan dat de auto een CO2-uitstoot heeft van 208 gram/kilometer en een netto-catalogusprijs van € 45.186. De verschuldigde bpm ter zake van de CO2-uitstoot heeft de Inspecteur berekend op € 5.908 en ter zake van de netto-catalogusprijs van de auto, na aftrek van een vast bedrag van € 1.288, op € 11.902, derhalve in totaal € 17.000. Vervolgens heeft de Inspecteur een afschrijving toegepast van 43,5% vanwege de omstandigheid dat sprake is van een gebruikte auto, zodat de door belanghebbende verschuldigde bpm door de Inspecteur is vastgesteld op € 9.605. Met betrekking tot de boete heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van ‘opzet’ aan de zijde van belanghebbende. In zijn brief heeft de Inspecteur in dit verband het volgende geschreven:

“(…)

Hierna worden de feiten en omstandigheden aangegeven op grond waarvan ik van mening ben dat er sprake is van opzet.

Uit onderzoek is gebleken dat u bij de controle op 24 mei 2012 is door de Politie vastgesteld, dat u van de openbare weg in Nederland gebruik hebt gemaakt met een motorrijtuig van het merk Mercedes Benz, type E 350 CGI (…) en voorzien van het Duitse kenteken [YYY-YY-000].

Gezien het voorgaande is het aan uw (voorwaardelijke) opzet te wijten dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet (geheel) (of) niet tijdig is betaald.

2.6.

Belanghebbende heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld door de Inspecteur, niet gereageerd op deze kennisgeving. De Inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 12 november 2012 de onderhavige naheffingsaanslag bpm ten bedrage van € 9.605 en vergrijpboete van € 4.802 aan belanghebbende opgelegd.

2.7.

In bezwaar heeft belanghebbende een verklaring van een Duitse verzekeringsmaatschappij overgelegd, waarin wordt verklaard dat de auto in 2012 in Duitsland verzekerd was. Voorts heeft belanghebbende een afschrift van een aan hem gerichte, op 14 mei 2012 gedagtekende factuur van [B] GmbH te [L] overgelegd, waarop de gegevens van de auto zijn vermeld en de regel ‘Zeitraum 14. Mai – 28. Mai 2012, 15 Tagen Monate je € (..)’. Het bedrag is onleesbaar gemaakt.

2.8.

De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.9.

De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten maar de boete - in het kader van straftoemeting - verminderd tot € 2.401 vanwege de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld op basis van omkering en verzwaring van de bewijslast.

2.10.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag en de - door de Rechtbank verminderde - boetebeschikking terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur - met betrekking tot de naheffingsaanslag - bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen de Inspecteur daaraan ter zitting heeft toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken van de Inspecteur, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

3.4.

De Inspecteur concludeerde aanvankelijk tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch tijdens het onderzoek ter zitting nader tot, kort gezegd, bevestiging van de naheffingsaanslag en vernietiging van de boetebeschikking.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 1, zesde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) is ingeval – voor zover hier van belang – een niet geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon, bpm verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met deze personenauto in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. De bpm wordt in een dergelijk geval geheven van degene die de personenauto feitelijk ter beschikking heeft (artikel 5, tweede lid, Wet BPM).

4.2.

De belastingen op personenauto’s zijn, behoudens bepaalde hier niet relevante uitzonderingen, op het niveau van de Europese Unie niet geharmoniseerd. Niettemin dienen de lidstaten bij de uitoefening van hun fiscale bevoegdheden op dit terrein de zogenoemde verdragsvrijheden te eerbiedigen. Het VWEU en het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel kunnen blijkens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in bepaalde omstandigheden eraan in de weg staan dat Nederland een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een eenmalige registratiebelasting als de bpm onderwerpt, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto. In dat kader is evenwel van belang dat in de Nederlandse bpm-wetgeving verschillende vrijstellingen zijn opgenomen die erin voorzien dat voor uit een ander land afkomstige personenauto’s die voor specifieke doeleinden, dan wel onder specifieke omstandigheden naar Nederland zijn gebracht geen bpm wordt geheven. Gewezen kan worden op onder meer de vrijstellingen vervat in de artikelen 2, 3 en 3a van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 (zeer kort gezegd: vrijstellingen voor werknemers, ondernemers/aandeelhouders en bij tijdelijk gebruik in Nederland). Voorts kent de Wet BPM een verrekenings- en teruggaafregeling bij onder meer tijdelijke verhuur door een inwoner van Nederland van een in een andere EU-lidstaat geregistreerde personenauto (artikel 14b van de Wet BPM).

4.3.

Het recht van de Europese Unie verzet zich evenwel niet ertegen dat Nederland een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een eenmalige registratiebelasting onderwerpt, ongeacht de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto, in de gevallen waarin de auto hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in Nederland of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt (vgl. HvJ 21 november 2013, C-302/12, X, V-N 2013/59.22 en HR 14 februari 2014, nr. 12/05759, ECLI:NL:HR:2014:281).

4.4.

Bij het formaliseren van (materiële) belastingschulden, dient een inspecteur zorgvuldig te werk te gaan. Hij dient, waar mogelijk, de feiten vast te stellen die voor de belastingheffing van belang zijn. Hiervoor is een inspecteur vaak mede afhankelijk van een informatieverstrekking door een belastingplichtige. De wetgever heeft dit onderkend: in artikel 47, eerste lid, van de AWR, is de verplichting opgenomen voor ‘een ieder’ om desgevraagd aan de inspecteur informatie verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kan zijn.

4.5.

Met het oog op de vraag of Nederland, gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, zonder meer bevoegd is bpm van belanghebbende na te heffen ter zake van het gebruik van de weg in Nederland met de auto op 24 mei 2012, is mede van belang dat zicht wordt verkregen op de aard en de duur van het gebruik met de auto door belanghebbende in Nederland. In dat kader heeft de Inspecteur – daarbij gebruikmakend van zijn wettelijke bevoegdheid ex artikel 47 AWR – belanghebbende verzocht informatie te verstrekken met betrekking tot (het gebruik van) de auto. Dat verzoek van de Inspecteur is terecht aan belanghebbende gedaan, aangezien de gevraagde informatie voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kan zijn. Het Hof vermag, anders dan hij stelt, niet in te zien dat belanghebbende door te voldoen aan de wettelijke verplichting om informatie aan de Inspecteur te verstrekken over de aard en duur van het gebruik van de auto wordt belemmerd in het recht van een vrij dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU, dan wel in één van de andere verdragsvrijheden. Deze nationale procesregel is naar het oordeel van het Hof niet in strijd met het Europeesrechtelijke beginsel van ‘gelijkwaardigheid’, aangezien die regel geldt ten aanzien van ‘een ieder’. Daarbij laat het Hof in het midden of belanghebbende deze klacht in het beroep tegen de naheffingsaanslag nog kan aanvoeren, nu hij tegen de informatiebeschikking geen bezwaar heeft gemaakt respectievelijk beroep heeft ingesteld.

4.6.

Wanneer de voor de belastingheffing relevante feiten niet komen vast te staan tussen partijen, dient de belastingrechter zulks via een bewijslastverdeling te doen. In een geval als het onderhavige, waarin door een inspecteur een naheffingsaanslag is opgelegd, ligt het naar het oordeel van het Hof op de weg van de inspecteur die feiten aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat is voldaan aan het belastbare feit als bedoeld in artikel 1, zesde lid, Wet BPM; derhalve dat door een inwoner van Nederland gebruik is gemaakt van de openbare weg in Nederland met een hem feitelijk ter beschikking staande niet geregistreerde personenauto. Het ligt vervolgens op de weg van een belastingplichtige om feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat, hoewel is voldaan aan het belastbare feit van artikel 1, zesde lid, Wet BPM, de inspecteur niettemin niet bevoegd is de bpm na te heffen.

4.7.

In het onderhavige geval is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende op 24 mei 2012 als inwoner van Nederland gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland met een hem feitelijk ter beschikking staande, in Duitsland geregistreerde auto. Alsdan rust op belanghebbende de last feiten aannemelijk te maken op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de Inspecteur niettemin niet gerechtigd is bpm na te heffen.

4.8.

In dit geding staat vast dat ten aanzien van belanghebbende een informatiebeschikking is vastgesteld die, omdat belanghebbende daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend, onherroepelijk is geworden. Dit zou, gelet op het bepaalde in artikel 27 e, eerste lid, AWR betekenen dat de administratiefrechtelijke sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast dient te worden toegepast. Zulks is, anders dan waarvan de Rechtbank is uitgegaan, naar het oordeel van het Hof echter in dit geding niet aan de orde. Als – zoals hier - op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet (vgl. HR 3 februari 2006, nr. 41329, ECLI:NL:HR:2006:AV0821). Deze rechtsregel heeft naar het oordeel van het Hof evenzeer te gelden in de situatie, waarin - zoals hier - sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking.

4.9.

Gelet hierop, moet worden geconcludeerd dat een verzwaring van de bewijslast in dit geding ten nadele van belanghebbende niet aan de orde is. Alsdan behoeft de kennelijk door belanghebbende opgeworpen vraag of de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in strijd komt met de Unierechtelijke verdragsvrijheden, meer in het bijzonder met het zogenoemde doeltreffendheidsbeginsel, geen beantwoording.

4.10

Zoals gezegd, dient belanghebbende aannemelijk te maken dat de hem op 24 mei 2012 feitelijk ter beschikking staande auto niet was bestemd om daadwerkelijk en duurzaam hoofdzakelijk in Nederland te worden gebruikt, of feitelijk aldus wordt gebruikt. Het overleggen van de in onderdeel 2.7 bedoelde verzekeringsverklaring en factuur, acht het Hof daartoe niet voldoende, aangezien die stukken onvoldoende inzicht verschaffen met betrekking tot het gebruik van de auto. De kennelijke stelling van belanghebbende dat slechts sprake is geweest van kortstondige verhuur acht het Hof derhalve niet aannemelijk.

4.11

Een en ander betekent dat in het onderhavige geding ervan moet worden uitgegaan dat de belanghebbende feitelijk ter beschikking staande auto hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in Nederland of aldaar feitelijk duurzaam wordt gebruikt, zodat het Nederland is toegestaan de onderhavige, in Duitsland geregistreerde auto aan de heffing van bpm te onderwerpen, ongeacht de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto door belanghebbende.

4.12

Voor wat betreft de hoogte van de naheffingsaanslag heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de auto een gebruikte auto is. Dat standpunt is onjuist. De Inspecteur heeft bij de berekening van de door belanghebbende verschuldigde bpm immers, vanwege de omstandigheid dat sprake is van een gebruikte auto, rekening gehouden met een afschrijving van 43,5 percent. Belanghebbende heeft niet gesteld dat die afschrijving niet toereikend zou zijn. De enkele verwijzing in het bezwaarschrift van belanghebbende naar artikel 110 VWEU en HR 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393 is daartoe, zonder nadere onderbouwing die evenwel ontbreekt, niet voldoende. Ook overigens heeft belanghebbende niet (gemotiveerd) gesteld dat de berekening van de onderhavige naheffingsaanslag niet juist is.

4.13

In zoverre het hoger beroep van belanghebbende betrekking heeft op de naheffingsaanslag, moet derhalve worden geconcludeerd dat het faalt.

4.14

In zoverre het hoger beroep betrekking heeft op de boetebeschikking, treft het evenwel doel. De Inspecteur heeft zich namelijk ter zitting, na vragen van het Hof, nader op het standpunt gesteld dat het bewijs van ‘opzet’ onderscheidenlijk ‘grove schuld’ niet door haar kan worden geleverd en dat de boetebeschikking daarom dient te worden vernietigd.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ter zake van de procedure in hoger beroep. Het Hof stelt de kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 487 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de op de boetebeschikking betrekking hebbende uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 487, en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door hem ter zake van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 246.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. P.J.J. Vonk en mr. A.O. Lubbers, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 25 november 2014.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.