Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9119

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
200.118.066-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omschrijving: In 2004 heeft het Zorgkantoor aan de toen 12-jarige appellant een pgb toegekend van € 13.403,67, uit te betalen in 4 kwartaaltermijnen. Na het derde kwartaal wordt de bevoorschotting stopgezet. Na bijna 7 jaar maakt het Zorgkantoor de vaststellingsbeschikking op, waarin is bepaald dat de net meerderjarige appellant het uitgekeerde voorschot van € 10.433,53 heeft terug te betalen. Tegen deze beschikking komt appellant niet in bezwaar of beroep. Het Zorgkantoor stelt dat het voorschotbedrag onverschuldigd is uitbetaald en vordert het uitgekeerde bedrag, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter past het leerstuk van de formele rechtskracht toe en wijst de vordering toe. Appellant komt in hoger beroep, waarbij het hof na de memoriewisseling een comparitie ter verkrijging van nadere inlichtingen gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.118.066

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 534545 \ CV EXPL 12-1354)

arrest van de eerste kamer van 25 november 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R. Skála, kantoorhoudende te Haren,

tegen

Stichting Zorgkantoor Menzis,

gevestigd te Wageningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Menzis,

advocaat: mr. B.T.J.A. van Aalst, kantoorhoudende te Enschede.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van

6 september 2012 van de toen geheten rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 november 2012;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

Beide partijen hebben het procesdossier overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald.

2.2

De vordering van [appellant] luidt bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

"het vonnis van 6 september 2012 (…) te vernietigen en de vordering van Menzis alsnog af te wijzen, met veroordeling van Menzis in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.”

3 De feiten

3.1

[appellant] heeft geen specifieke grieven gericht tegen de door de kantonrechter in het vonnis van 6 september 2012 onder 1.2 t/m 1.8 vastgestelde feiten. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, luiden de feiten als volgt.

3.2

Menzis is op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aangewezen als zorgkantoor. Ten behoeve van de verzorging van [appellant], geboren op

[geboortedatum], is bij Menzis een aanvraag ingediend tot toekenning van een persoonsgebonden budget (PGB).

3.3

Bij toekenningsbeschikking van 27 mei 2004 is ten behoeve van [appellant] een PGB toegekend over de periode vanaf 1 januari 2004 tot en met 17 december 2004 ter hoogte van € 13.403,67, uit te betalen in vier voorschotperioden. Daarbij is onder meer de verplichting opgelegd om binnen acht weken na het einde van iedere voorschotperiode aan de hand van door Menzis toegezonden formulieren verantwoording af te leggen over de besteding van het PGB.

3.4

Over de periode vanaf 1 januari 2004 tot en met 30 september 2004 heeft Menzis ten behoeve van [appellant] een bedrag van € 10.433,53 aan voorschotten uitgekeerd.

3.5

Aan de verplichting verantwoording af te leggen voor de ten behoeve van [appellant] uitgekeerde PGB bedragen is geen uitvoering gegeven.

3.6

Bij de voor bezwaar vatbare eindafrekening van 31 januari 2011 is vastgesteld dat [appellant] het gehele door hem ontvangen PGB moet terugbetalen.

3.7

[appellant] heeft geen betalingen aan Menzis verricht.

4 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

4.1

Menzis heeft gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 10.433,53 wegens hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2012, € 952,00 incl. btw aan buitengerechtelijke incassokosten, € 3.307,16 aan wettelijke rente tot 27 januari 2012 en de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de eindafrekening van 31 januari 2011 een zogeheten vaststellingsbeschikking is waartegen de rechtsmiddelen van bezwaar en (hoger) beroep hebben open gestaan.

De vaststellingsbeschikking is naar het adres verzonden waar [appellant] stond ingeschreven.

De omstandigheid dat [appellant] naar zijn zeggen geen tijdig bezwaar heeft kunnen indienen, omdat de vaststellingsbeschikking hem niet heeft bereikt, komt naar het oordeel van de kantonrechter voor zijn rekening en risico, zodat de vaststellingsbeschikking na de bezwaartermijn van zes weken op 15 maart 2011 formele rechtskracht heeft gekregen.

De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van Menzis op 15 maart 2011 opeisbaar is geworden, zodat het beroep van [appellant] op verjaring wordt verworpen. Het verweer van [appellant] dat zijn moeder vanaf zijn 13e jaar een betalingsregeling met Menzis had en de schuld gedeeltelijk heeft afgelost, wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen.

De kantonrechter heeft de gevorderde hoofdsom met nevenvorderingen toegewezen.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft in appel twee grieven ontwikkeld. In deze grieven komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.5 dat het voor zijn rekening en risico komt dat hij de vaststellingsbeschikking van 31 januari 2011 niet heeft ontvangen en dat hij geen bezwaar of beroep heeft aangetekend tegen de vaststellingsbeschikking van

31 januari 2011.

5.2

Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen en zal een comparitie van partijen gelasten. De comparitie van partijen zal tevens worden benut om te bezien of een minnelijke regeling mogelijk is.

Op die comparitie van partijen zullen in ieder geval de volgende vragen aan de orde komen:

  • -

    ten name van wie is de toekenningsbeschikking van 27 mei 2004 van de toen 12-jarige [appellant] gesteld? Op wie rustte de verplichting tot verantwoording over de besteding van het voorschot? Menzis wordt uitgenodigd een afschrift van die toekenningsbeschikking te overleggen.

  • -

    wat is de reden geweest om in 2004 niet het gehele voorschot uit te keren? Aan wie is daarover bericht gegeven? Waarom is pas na bijna 7 jaar de definitieve eindafrekening opgesteld?

  • -

    [appellant] stelt dat zijn moeder eerder bericht van Menzis heeft ontvangen en betalingen aan Menzis heeft verricht. Heeft [appellant] daarvan schriftelijke bewijsstukken en kan [appellant] die tijdig voor de mondelinge behandeling overleggen?

  • -

    heeft Menzis overwogen de eerste reactie van [appellant] tegen de incasso van de vordering als een bezwaarschrift aan te merken en op dat bezwaarschrift te beslissen? Bestaat alsnog de bereidheid tot heroverweging van de toekenningsbeschikking?

Het hof acht het van belang dat Menzis op de comparitie van partijen wordt vertegenwoordigd door iemand die van de inhoud van de zaak vanaf 2004 op de hoogte is en bevoegd is namens Menzis een minnelijke regeling aan te gaan.

5.3.

Partijen hebben tot veertien dagen voorafgaand aan de comparitie van partijen de gelegenheid stukken in het geding te brengen.

6 De beslissing

Het hof:

bepaalt dat partijen, [appellant] in persoon en Menzis vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking, samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. D.H. de Witte, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als in r.o. 5.2 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden januari en februari 2015 zullen opgeven op de roldatum 16 december 2014, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat indien een partij ter comparitie nog een proceshandeling wenst te verrichten en/of producties in het geding wil brengen, zij ervoor dient te zorgen dat aan het hof en de wederpartij schriftelijk wordt meegedeeld wat de inhoud is van de ter comparitie te verrichten proceshandeling (voorzien van stukken) en indien een partij ter comparitie nog producties in het geding wenst te brengen dat zij daarvan goed leesbare afschriften aan het hof en de wederpartij dient over te leggen, in beide gevallen uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan de zitting;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. A.M. Koene en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

25 november 2014.