Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9077

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
08-12-2014
Zaaknummer
200.142.156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdstip verschuldigdheid schadeloosstelling op grond van artikel 55 Onteigeningswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.142.156

(zaaknummer rechtbank Gelderland C/05/244156)

arrest van de tweede kamer van 25 november 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.L. Zegelink,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Overbetuwe,

zetelend te Elst, gemeente Overbetuwe,

geïntimeerde,

hierna: de gemeente,

advocaat: mr. P.L.G. Haccou.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 10 juli 2013 en 2 oktober 2013 die de rechtbank Gelderland tussen [appellant] als eiser en de gemeente als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 december 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens heeft de gemeente de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald op één dossier.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van navolgende feiten.

3.2

Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 11 augustus 2010 is de vervroegde onteigening uitgesproken van twee aan [appellant] toebehorende percelen. Dat vonnis is toen niet ingeschreven in de openbare registers omdat de griffier van de rechtbank desgevraagd bij brief van 1 november 2010 de gemeente had bericht dat dit vonnis door het instellen van cassatie nog niet in kracht van gewijsde was gegaan. [appellant] is in het tegen dit vonnis ingestelde cassatieberoep bij arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2011 niet-ontvankelijk verklaard.

3.3

Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 7 december 2011 is de aan [appellant] ter zake van de onteigening toekomende schadeloosstelling vastgesteld op € 125.595,- en is de gemeente veroordeeld tot betaling van dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 december 2011 tot de dag van betaling. [appellant] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen dit vonnis.

3.4

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 22 februari 2012 is [appellant] veroordeeld om de onteigende percelen te ontruimen en deze percelen aan de gemeente in gebruik te geven. [appellant] heeft aan deze veroordeling voldaan.

3.5

De gemeente heeft op 8 maart 2012 de aan [appellant] toekomende schadeloosstelling, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2011 tot 8 maart 2012, gestort in de consignatiekas van het Ministerie van Financiën.

3.6

[appellant] heeft op 13 juli 2012 het cassatieberoep tegen het vonnis van 7 december 2011 ingetrokken.

3.7

De gemeente heeft het vonnis van 7 december 2011 op 7 augustus 2012 ingeschreven in de openbare registers.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft in de inleidende dagvaarding gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat het onteigeningsvonnis van 11 augustus 2011 is vervallen, met nevenvorderingen.

De rechtbank heeft, nadat zij op de comparitie van partijen mondeling vonnis had gewezen, in het bestreden vonnis van 2 oktober 2013 de vordering van [appellant] afgewezen.

[appellant] is daartegen met zeven grieven in hoger beroep gekomen.

4.3

Met grief I klaagt [appellant] er over dat de rechtbank tijdens de comparitie na antwoord op 2 oktober 2013 mondeling vonnis heeft gewezen.

Het enkele feit dat de rechtbank mondeling vonnis heeft gewezen, maakt echter nog niet dat dit vonnis vernietigd moet worden. Het vonnis is immers alsnog op schrift gesteld en daarbij van de vereiste motivering voorzien.

4.4

Met grieven II tot en met VI klaagt [appellant] over de afwijzing van zijn vordering ten gronde. Aan deze vordering had [appellant], kort samengevat, de stelling ten grondslag gelegd dat het onteigeningsvonnis op grond van artikel 55 lid 2 van de Onteigeningswet is vervallen, omdat de gemeente niet tijdig en volledig de schadeloosstellingen (inclusief de verschuldigde wettelijke rente) die zij ingevolge het onteigeningsvonnis van 7 december 2011 aan [appellant] verschuldigd was, heeft voldaan.

4.5

Bij de beoordeling van deze grieven dient het navolgende als uitgangspunt.
In artikel 55 van de Onteigeningswet (hierna: OW), is bepaald:

“1. Een vonnis van onteigening, bedoeld in artikel 37 [waarin de schadeloosstellingen tevens zijn vermeld, hof], vervalt, wanneer niet binnen drie maanden, nadat het kracht van gewijsde heeft verkregen, de schadeloosstellingen zijn betaald, of, in de gevallen waarin dit volgens deze wet kan geschieden, zijn geconsigneerd.

2. Een vonnis van onteigening, bedoeld in artikel 54i, dat niet is ingeschreven binnen de in artikel 54m genoemde termijn, vervalt, wanneer niet binnen drie maanden, nadat het vonnis, als bedoeld in artikel 54t, tweede lid, houdende uitspraak over de schadeloosstellingen kracht van gewijsde heeft verkregen, die schadeloosstellingen zijn betaald, of, in de gevallen waarin dit volgens deze wet kan geschieden, zijn geconsigneerd. (…)

3. Onder een schadeloosstelling is de wettelijke rente daarvan begrepen. De wettelijke rente loopt te rekenen van de dag van het vonnis van onteigening, bedoeld in artikel 37 of van de dag van het vonnis, bedoeld in artikel 54t.”

In artikel 56 OW is bepaald dat storting van de schadeloosstelling in de consignatiekas van het Ministerie van Financiën gelijk gesteld wordt met betaling, wanneer degene aan wie de schadeloosstelling is toegewezen, weigert haar te ontvangen en bij deurwaardersexploot in gebreke is gesteld.

In artikel 57 OW is voorzien dat de onteigenende partij in het bezit van het onteigende wordt gesteld, nadat de schadeloosstelling is betaald dan wel consignatie daarvan heeft plaats gevonden.

4.6

Vast staat dat de hoogte van de aan [appellant] toekomende schadeloosstelling pas is vastgesteld in het vonnis van 7 december 2011, welk vonnis is aan te merken als een vonnis als bedoeld in artikel 54t OW. Mede gelet op het feit dat het vonnis van 11 augustus 2010, waarbij de vervroegde onteigening was uitgesproken, niet was ingeschreven in de openbare registers, diende, om de werking van dit vonnis te behouden, de schadeloosstelling uiterlijk binnen drie maanden, nadat het vonnis van 7 december 2011 kracht van gewijsde had verkregen, te zijn betaald, of (indien in het onderhavige geval volgens de OW consignatie mogelijk was) geconsigneerd.

4.7

In het onderhavige geval heeft de gemeente onweersproken gesteld dat zij bij brief van 22 december 2011 en bij deurwaardersexploot van 13 januari 2012 betaling van de in het vonnis van 7 december 2011 vastgestelde schadeloosstelling en de overige kosten heeft aangeboden. Eveneens onweersproken heeft de gemeente gesteld dat [appellant] bij brief van 17 januari 2012 de gemeente te kennen heeft gegeven de door de rechtbank vastgestelde schadeloosstelling niet in ontvangst te willen nemen zolang het vonnis van 7 december 2011 niet in kracht van gewijsde was gegaan.

Ten gevolge van het vonnis van 22 februari 2012 was [appellant] echter al wel reeds gehouden om de onteigende percelen te ontruimen en in gebruik aan de gemeente af te staan voordat het vonnis van 7 december 2011 in kracht van gewijsde was gegaan.

4.8

Het uit de artikelen 55 en 57 OW blijkende systeem van de onteigeningswet is aldus te begrijpen dat een eigenaar pas is gehouden zijn grond af te staan nadat hij daartoe de hem toegewezen schadeloosstelling heeft ontvangen.

De gemeente zag zich echter gesteld voor het feit dat het vonnis van 7 december 2011 niet in kracht van gewijsde kon gaan vanwege het daartegen ingestelde cassatieberoep, terwijl de gemeente de onteigende percelen grond direct in gebruik wilde nemen in verband met de op dat moment reeds ver gevorderde aanleg van een rondweg. Op vordering van de gemeente is [appellant] vervolgens in kort geding ook veroordeeld om de percelen grond te ontruimen en aan de gemeente in gebruik te geven.

Een redelijke, op de praktijk afgestemde, uitleg van de bepalingen in de Onteigeningswet, bezien tegen de achtergrond van het onderhavige feitencomplex, brengt dan mee dat de gemeente gehouden was om de schadeloosstelling aan [appellant] te voldoen vóórdat zij de onteigende percelen in gebruik ging nemen.

Gelet op de weigering van [appellant] om, ook na het aan hem uitgebrachte deurwaardersexploot, de hem toekomende schadeloosstelling in ontvangst te nemen – welke weigering ook in hoger beroep onvoldoende feitelijk is bestreden – stond de gemeente redelijkerwijs slechts de mogelijkheid open om deze schadeloosstelling te storten in de consignatiekas van het Ministerie van Financiën, zoals is voorzien in artikel 56 OW. Onbestreden is dat zij daartoe op 8 maart 2012 is overgegaan, waarna zij de in geding zijnde percelen grond in gebruik heeft genomen.

4.9

Als gevolg van het feit dat [appellant] daarna, op 13 juli 2012, zijn cassatieberoep tegen het vonnis van 7 december 2011 had ingetrokken, heeft dit vonnis kracht van gewijsde gekregen, waarna het op 7 augustus 2012 is ingeschreven in de openbare registers. Door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van 7 december 2011 is definitief komen vast te staan dat de gemeente niet meer schadeloosstelling aan [appellant] behoefde te betalen dan zij op 8 maart 2012 ter consignatie had gestort.

4.10

[appellant] betoogt tevergeefs dat de gemeente tevens wettelijke rente was verschuldigd over de schadeloosstelling over de periode van 8 maart 2011 tot 7 augustus 2011.

Wettelijke rente is immers ingevolge artikel 6:119 lid 1 BW een vorm van schadevergoeding die verschuldigd is wegens vertraging in de voldoening van een geldsom over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

Het vooruitzicht op verlies van de eigendom biedt geen grond voor een andere vordering tot voldoening van wettelijke rente dan in artikel 55 lid 3 OW bedoeld.

De gemeente heeft op 8 maart 2012 door storting in de consignatiekas niet alleen de hoofdsom van de door de rechtbank bij vonnis van 7 december 2011 vastgestelde schadeloosstelling voldaan, maar tevens de kosten en de verschuldigde wettelijke rente over de periode van 8 december 2011 tot en met 8 maart 2012. Nu de gemeente, gelet op het stelsel van de Onteigeningswet en in het licht van de hiervoor geschetste omstandigheden van het geval, daarmee bevrijdend had betaald, is zij gekweten van haar verplichtingen jegens [appellant]. Zij is dan ook geen wettelijke rente meer verschuldigd over het door haar betaalde bedrag vanaf 8 maart 2012 tot 7 augustus 2012.

4.11

In verband met het feit dat de gemeente de in artikel 55 lid 2 bedoelde schadeloosstelling heeft voldaan en het vonnis van 7 december 2011 is ingeschreven in de openbare registers, heeft het onteigeningsvonnis zijn werking behouden.

Op grond van het hiervoor overwogene falen de grieven II tot en met VI.

4.12

Met grief VII komt [appellant] op tegen de veroordeling in de proceskosten en de nakosten. Nu de vordering van [appellant], blijkens het hiervoor overwogene, terecht is afgewezen, is hij eveneens terecht veroordeeld in de door de gemeente gemaakte, geliquideerde, proceskosten en de nakosten. Deze grief faal derhalve eveneens.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de gemeente zullen worden vastgesteld op € 683,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 2 oktober 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente vastgesteld op € 683,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, Th.C.M. Willemse en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014.