Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:9074

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
08-12-2014
Zaaknummer
200.139.608
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Boetebeding in algemene huurvoorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.139.608

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 2443461)

arrest in kort geding van de tweede kamer van 25 november 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. I.J.M. Dankoor,

tegen:

de stichting Stichting Het Geldersch Landschap,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: Het Geldersch Landschap,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 26 november 2013 dat de kantonrechter als voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, tussen [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie en Het Geldersch Landschap als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 december 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep,

- de akte aan de kant van [appellant],

- de antwoordakte aan de kant van Het Geldersch Landschap,

- de akte uitlating productie van [appellant].

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.8. van het bestreden vonnis van 26 november 2013.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het Geldersch Landschap heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd, kort weergegeven, de ontruiming van de woonruimte in [woonruimte] behorende bij [woonruimte] aan [adres] op straffe van een dwangsom, de betaling – bij wijze van voorschot – van (1) de huurachterstand van € 3.143,80, (2) de op grond van de huurovereenkomst verschuldigde huurpenningen tot aan de ontruiming, (3) de contractuele boete ex artikel 20.6 van de algemene voorwaarden van € 25,00 per dag, zijnde € 20.500,00 over de periode van 1 augustus 2011 tot 1 november 2013, (4) schadevergoeding wegens tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst van € 8.803,08 en (5) alle kosten zoals bedoeld in artikel 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden ten bedrage van € 5.952,03 (€ 5.592,78 voor advocaatkosten en € 359,25 voor buitengerechtelijke kosten). Het Geldersch Landschap heeft daarnaast wettelijke rente en de veroordeling van [appellant] in de proceskosten gevorderd. De kantonrechter heeft de vorderingen van Het Geldersch Landschap toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde boete en de gevorderde schadevergoeding is afgewezen.

4.2

[appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd, samengevat, de veroordeling van Het Geldersch Landschap de gebreken aan het gehuurde te herstellen, versterkt met een dwangsom. De kantonrechter heeft de vordering in reconventie afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.3

Het principaal hoger beroep richt zich tegen het vonnis in conventie. Beide grieven in principaal hoger beroep richten zich tegen de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 5.592,78 aan advocaatkosten als onderdeel van de veroordeling tot betaling van alle kosten zoals bedoeld in artikel 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden ten bedrage van € 5.952,03.

4.4

In de artikelen 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden is bepaald dat indien een partij tekortschiet in de nakoming van een verplichting die ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en de andere partij daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moet nemen, alle daaruit voorvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij zijn en voorts dat in het geval het tekortschieten bestaat uit de niet tijdige betaling van een geldsom en in verband met de incassering daarvan buitengerechtelijke kosten moeten worden gemaakt, deze worden bepaald op tenminste 15% van het verschuldigde bedrag. Niet in geschil is dat [appellant] niet heeft voldaan aan de op hem rustende verbintenis de huurpenningen tijdig en volledig te voldoen. In beginsel maakt Het Geldersch Landschap dan ook terecht aanspraak op vergoeding van de door hem in en buiten rechte gemaakte advocaatkosten. Op grond van artikel 242 Rv kan de rechter echter een bedrag dat is gevorderd op grond van een beding tot vergoeding van de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, ook ambtshalve, matigen.

4.5

Het Geldersch Landschap heeft de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die het heeft gevorderd onderbouwd met gespecificeerde nota’s tot en met 30 september 2013. Dat – in aanloop naar en ter voorbereiding op het kort geding dat heeft geleid tot het toewijzend vonnis zoals weergegeven onder 4.1. – tot het bedrag van € 5.592,78 advocaatkosten zijn gemaakt acht het hof voldoende aangetoond. Het hof is voorts van oordeel dat het niet onredelijk is dat Het Geldersch Landschap aanspraak maakt op vergoeding van de door hem gemaakte kosten, inclusief de proceskostenveroordeling. Door zijn verplichtingen jegens Het Geldersch Landschap niet na te komen gaf [appellant] aan Het Geldersch Landschap reden om incassowerkzaamheden te ondernemen. Bovendien waren de werkzaamheden voorafgaand aan het kort geding een adequate poging [appellant] te bewegen zich aan zijn verplichtingen te houden en zo een kostbare en mogelijk langdurige rechtsstrijd te voorkomen.

4.6

Niettemin ziet het hof aanleiding de vordering tot toekenning van de volledige proceskostenvergoeding te matigen in die zin dat aan advocaatkosten slechts de geliquideerde kosten zullen worden toegewezen. In dit verband acht het hof van belang de hoedanigheid van partijen, een particuliere huurder tegenover een – ook al vormt de verhuur van onroerende zaken voor Het Geldersch Landschap slechts een bijkomend aspect en een beperkt deel van zijn activiteiten – aan een bedrijfsmatige verhuurder gelijk te stellen partij, de grote belangen die voor [appellant] bij behoud van het gehuurde waren betrokken, de verhouding tussen het aan huurachterstand toegewezen bedrag en de omvang van de gevorderde advocaatkosten, de aard van het geding, namelijk een procedure waarbij in eerste aanleg geen verplichte procesvertegenwoordiging bestond en waarbij [appellant] in persoon heeft geprocedeerd, en de omstandigheid dat – mede gezien het voorgaande – niet uit te sluiten is dat de rechter in een eventuele bodemprocedure niet de volledige proceskostenvergoeding zal toekennen, maar deze zal matigen tot de geliquideerde kosten. Aan advocaatkosten wordt aldus in dit kort geding toegewezen een bedrag van € 400,00. De grieven in principaal hoger beroep treffen in zoverre doel.

4.7

Het voorgaande brengt mee dat Scholtes vordering om Het Geldersch Landschap te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 5.592,78 aan advocaatkosten, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.

4.8

Het incidenteel hoger beroep richt zich evenals het principaal hoger beroep tegen het vonnis in conventie. Met zijn enige grief in incidenteel hoger beroep komt Het Geldersch Landschap op tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van de contractuele boete ex artikel 20.6 van de algemene voorwaarden.

4.9

In artikel 20.6 van de algemene voorwaarden is bepaald dat [appellant] aan Het Geldersch Landschap een direct opeisbare boete van € 25,00 per dag verbeurt voor elke verplichting uit de huurovereenkomst die niet door [appellant] wordt nagekomen. Het Geldersch Landschap betoogt dat [appellant] vanaf 1 augustus 2011 een deel van de huurpenningen onbetaald heeft gelaten, zodat hij sindsdien in verzuim is en op grond van voormeld artikel tot 1 november 2013 een boete heeft verbeurd van € 20.500,00. [appellant] betwist de verschuldigdheid van de boete. Hij stelt daartoe primair dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding in de zin van artikel 6:233 sub a BW dat dient te worden vernietigd. Daarnaast betoogt hij dat (toepassing van) het boetebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voor zover Het Geldersch Landschap een beroep op het boetebeding toekomt, stelt [appellant] dat de boete tot nihil moet worden gematigd op grond van artikel 6:94 BW. Het boetebeding leidt volgens [appellant] in de onderhavige situatie tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. Verder voert [appellant] nog aan dat de vordering tot betaling van de boete bij gebrek aan spoedeisend belang moet worden afgewezen.

4.10

Met betrekking tot artikel 20.6 van de algemene voorwaarden kan het volgende worden vastgesteld. [appellant] heeft onbetwist gesteld dat over het boetebeding tussen partijen niet is onderhandeld. Het beding is tot stand gekomen tussen een particuliere huurder en een aan een bedrijfsmatige verhuurder gelijk te stellen partij. Het beding legt eenzijdig een boete op aan de huurder voor het niet-nakomen van welke verplichting uit de huurovereenkomst dan ook. De boete is, voor zover het geldschulden betreft, blijkens artikel 20.2 van de algemene voorwaarden verschuldigd in aanvulling op een contractuele rente van 1% per maand of gedeelte daarvan, die ook eenzijdig ten laste van de huurder geldt en die gezien het niveau van de wettelijke rente tijdens de looptijd van de overeenkomst (3 of 4%) als hoog is aan te merken. De boete van € 25,00 per dag geldt voor alle niet-nakomingen, ongeacht de ernst, aard en omvang ervan en zij is verschuldigd onverminderd de aanspraken van de verhuurder op nakoming en schadevergoeding. De boete is niet gemaximeerd. In dit geval is volgens de eigen stellingen van Het Geldersch Landschap de boete, door van 1 augustus 2011 tot 1 november 2013 een deel van de huurpenningen onbetaald te laten, opgelopen tot € 20.500,00, bijna zeven maal de omvang van de gevorderde huurachterstand. Deze kenmerken van artikel 20.6 van de algemene voorwaarden maken – mede gezien het arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 mei 2013 (ECLI:NL:XX:2013:CA2493), waarin is beslist dat een boetebeding in een consumentenovereenkomst, waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en dat als oneerlijk moet worden aangemerkt, wordt geschrapt en dat artikel 6 lid 1 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten niet zo kan worden uitgelegd dat de nationale rechter de hoogte van de boete mag verlagen – dat het hof niet onaannemelijk acht dat de rechter in een eventuele bodemprocedure het boetebeding als vernietigbaar zal aanmerken. De incidentele grief treft geen doel. De overige verweren van [appellant] behoeven daarom geen bespreking meer.

5 Slotsom

Het bestreden vonnis kan in conventie niet in stand blijven, voor zover daarbij de aanspraak op een vergoeding voor advocaatkosten boven het liquidatietarief is toegewezen. Die vordering van Het Geldersch Landschap in eerste aanleg zal dan ook slechts ten dele worden toegewezen en wel overeenkomstig rechtsoverweging 4.6. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd, met inbegrip van de kostenveroordeling. In het principaal appel en in het incidenteel appel is Het Geldersch Landschap in het ongelijk gesteld, zodat Het Geldersch Landschap de kosten in het principaal appel en in het incidenteel appel moet dragen. De kosten in het principaal hoger beroep worden begroot op € 403,85 aan verschotten, welk bedrag bestaat uit € 95,85 aan explootkosten en € 308,00 aan griffierecht. De kosten voor de advocaat bedragen in het principaal hoger beroep € 948,00 (1,5 punt van tarief I). De kosten voor de advocaat bedragen in het incidenteel hoger beroep € 474,00 (1,5 punt x van tarief I x factor 0,5). In totaal komt dit neer op een bedrag van € 1.422,00 voor salaris advocaat.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

6.1

bekrachtigt het vonnis van 26 november 2013, waarvan beroep, behoudens voor zover dit betrekking heeft op het door de kantonrechter toegewezen bedrag voor advocaatkosten, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht:

6.2

veroordeelt [appellant] om binnen zeven dagen na betekening van dit arrest aan Het Geldersch Landschap te betalen een bedrag van € 400,00 aan advocaatkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.3

veroordeelt Het Geldersch Landschap om binnen zeven dagen na betekening van dit arrest aan [appellant] te betalen een bedrag van € 5.592,78, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 december 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

6.4

veroordeelt Het Geldersch Landschap in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 403,85 aan verschotten en op € 1.422,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

6.5

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, C.J.H.G. Bronzwaer en D. Stoutjesdijk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014.