Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:898

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
200.101.326
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Nieuwe richtlijnen kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.101.326

(zaaknummer rechtbank Arnhem 204595)

beschikking van de familiekamer van 11 februari 2014

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. J.U. van der Werff te Deventer,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 26 juli 2012 een tussenbeschikking gegeven en neemt de inhoud van die beschikking hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Buijsrogge van 11 oktober 2013, ingekomen op diezelfde

datum;

- een journaalbericht van mr. Van der Werff van 15 oktober 2013 met bijlagen, ingekomen

op 17 oktober 2013;

- een journaalbericht van mr. Van der Werff van 16 oktober 2013 met bijlagen, ingekomen

op 17 oktober 2013.

1.3

Op 21 oktober 2013 is [kind 1] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof is gehoord.

1.4

De mondelinge behandeling is op 24 oktober 2013 voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw bijgestaan door

mr. W.F.A. Zwart-Peters, kantoorgenote van mr. Buijsrogge. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is[...] verschenen.

2 De vaststaande feiten

Ten aanzien van de man

2.1

De man is geboren op [geboortedatum] 1969. Sinds 29 augustus 2007 is hij directeur en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap “[X] B.V.”, verder te noemen “[X]”, welke holding tot 30 december 2011 enig aandeelhouder was van de besloten vennootschap “[y] B.V.”, verder te noemen “[y]”. Alle aandelen in [y] zijn eind december 2011 verkocht. Het belastbare loon van de man bij [X] bedroeg volgens de jaaropgave 2010 in dat jaar € 45.407,-, volgens de jaaropgave 2011 in dat jaar € 45.501,- en volgens de jaaropgaaf 2012 in dat jaar

€ 37.828,-. Het inkomen van de man bij [X] bedraagt blijkens de salaris-specificaties van maart 2010 en juni 2012 € 2.500,-- netto per maand, zijnde € 3.783,98/

€ 3.782,80 bruto per maand, te vermeerderen met de belaste vergoeding van de inkomens-afhankelijke bijdrage ZVW. Blijkens de salarisspecificaties van juli, augustus en september 2013 bedraagt het inkomen van de man over die maanden eveneens € 2.500,-- netto, zijnde

€ 3.995,13 bruto per maand. Blijkens de salarisspecificatie van oktober 2013 bedraagt het salaris van de man € 2.000,-- netto per maand, zijnde € 2.967,84 bruto per maand.

Uit de overgelegde jaarstukken van [X] van de jaren 2009 tot en met 2011 blijken de volgende cijfers (in euro’s):

2009 2010 2011

Bedrijfskosten 4.449 52.570 61.547

Eigen vermogen 190.126 172.305 238.744

Bedrijfsresultaat 39.048 17.821-/- 66.439

(inclusief resultaat deelneming)

Uit de overgelegde jaarstukken van [y] van de jaren 2009 tot en met 2011 blijken de volgende cijfers (in euro’s):

2009 2010 2011

Netto omzet 256.592 335.553 163.795

Bedrijfskosten 104.378 109.386 50.943

Eigen vermogen 100.406 25.045 -/- 6.530 -/-

Bedrijfsresultaat 40.943 37.731 22.748

Ten aanzien van de vrouw

2.2

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1971, vormt met [kind 1] en [kind 2] een gezin.

De vrouw heeft met ingang van 16 augustus 2011 een baan. Haar inkomen bedraagt in 2012 blijkens de salarisspecificaties van april en mei 2012 € 1.660,52 bruto per maand en in augustus en september 2013 € 1.710,34 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW in 2012. Daarnaast ontvangt de vrouw een dertiende maand.

3 De omvang van het geschil

3.1

In geschil zijn de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] en in het levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking voor zover thans van belang als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat de kinderen bij de man verblijven gedurende:

- eenmaal per 14 dagen van vrijdag uit school tot maandagmorgen, waarbij de vrouw de

kinderen op vrijdag uit school naar de man brengt en de man de kinderen op

maandagmorgen weer naar school brengt;

- twee weken in de zomervakantie, te weten in de even jaren de eerste weken van deze

vakantie en in de oneven jaren de laatste twee weken van deze vakantie;

- de helft van de feestdagen.

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen telkens bij vooruitbetaling € 180,- per kind per maand zal betalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw tot een bijdrage van de man in haar levensonderhoud wegens gebrek aan draagkracht van de man afgewezen.

3.2

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

28 oktober 2011. Grief één ziet op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de grieven twee en drie zien op de draagkracht van de man.

3.3

De man is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Grief één ziet op de behoefte van de kinderen en de vrouw. Grief twee ziet op de draagkracht van de man.

3.4

Het hof zal de grieven in het principaal en in het incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Allereerst is tussen partijen in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen.

4.2

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

4.3

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).

4.4

Bij tussenbeschikking van 26 juli 2012 heeft het hof de ouders verwezen naar Lindenhout voor hulpverlening met betrekking tot de omgang. Bij aanvang van de hulpverlening was er geen omgang tussen de man en [kind 1] en [kind 2].

4.5

Uit het verslag van Lindenhout van 8 juli 2013 blijkt het volgende. De ouders hebben afgesproken dat [kind 2] per 1 juni 2013 iedere zaterdag van 09.00 uur tot 19.00 uur naar de man gaat. In het laatste gesprek met Lindenhout heeft [kind 2] aangegeven voorlopig niet bij de man te willen blijven slapen, maar wel graag eens per week telefonisch contact te willen.

[kind 1] heeft met de man een gesprek gehad dat moeizaam is verlopen. Zij heeft op 3 juni 2013 aangegeven dat zij voorlopig geen contact wil met de man. Zij geeft aan rust te ervaren nu zij die beslissing heeft genomen. Het gaat beter op school en ze heeft minder ruzie met haar vriendinnen. Voor [kind 1] wordt geen professionele hulp ingeschakeld, omdat zij aangeeft hier geen behoefte aan te hebben. Lindenhout gunt het haar om zelf helder te krijgen wat er anders zou moeten worden om toenadering te zoeken tot de man.

Lindenhout heeft met betrekking tot [kind 2] de zorg of zij zich vrij kan voelen om het contact met de man in de toekomst vorm te geven. Daarbij is de houding van de vrouw en [kind 1] bepalend. Het is belangrijk dat zij [kind 2] de ruimte geven om op haar manier het contact met de man in te vullen. Lindenhout heeft de man geadviseerd om de keuzes en het tempo van [kind 2] te respecteren. [kind 2] heeft aangegeven dat zij graag naar een praat/speelgroep wil voor kinderen van gescheiden ouders.

4.6

De raad heeft ter mondelinge behandeling geadviseerd nader onderzoek te laten verrichten naar de vraag op welke manier en in welke mate de omgang van [kind 1] en [kind 2] met de man kan worden opgebouwd.

4.7

Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en ziet geen aanleiding om een nader onderzoek door de raad te gelasten. Ten aanzien van [kind 1] overweegt het hof dat zij zeer duidelijk en consequent is in haar uitspraken dat zij op dit moment geen ruimte ziet voor contact met de man. Gelet op haar leeftijd en de stelligheid waarmee zij haar standpunt zowel aan Lindenhout als aan dit hof kenbaar heeft gemaakt, ziet het hof geen redenen om anders te beslissen dan [kind 1] zelf aangeeft. Het hof is evenals Lindenhout van oordeel dat [kind 1] de tijd en de rust moeten worden gegeven om zelf te bezien op welke manier zij het contact met de man vorm kan geven. Niet valt in te zien wat een raadsonderzoek aan de opstelling van [kind 1] op dit punt op korte termijn zou kunnen veranderen.

Ten aanzien van [kind 2] is gebleken dat de zorgregeling zoals die thans bestaat goed verloopt. Op dit moment is een overnachting bij de man voor [kind 2] nog een brug te ver. Het hof is van oordeel dat het advies van Lindenhout om bij uitbreiding van de zorgregeling het tempo van [kind 2] aan te houden, moet worden gevolgd.

Het hof acht met inachtneming van het voorgaande de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van [kind 1] en [kind 2] wenselijk: ten aanzien van [kind 1] zal het hof geen zorgregeling vaststellen, ten aanzien van [kind 2] stelt het hof de zorgregeling met de man vast zoals deze thans is, te weten iedere zaterdag van 09.00 uur tot 19.00 uur.

4.8

Voorts is in geschil de door de rechtbank met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] van € 180,- per kind per maand.

4.9

De man stelt in zijn eerste grief in het incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het netto gezinsinkomen voorafgaand aan het moment dat partijen feitelijk gescheiden gingen wonen heeft becijferd op ruim € 5.000,- netto per maand. Hij stelt dat het netto gezinsinkomen € 2.500,- per maand bedroeg, zodat de behoefte van de kinderen in totaal

€ 550,- per maand bedraagt volgens de oude alimentatienormen. De vrouw betwist dat.

4.10

Het hof overweegt dat de vrouw ter mondelinge behandeling heeft erkend dat de man in de periode tot april 2010 steeds een bedrag van € 2.500,- netto per maand (€ 3.783,98 bruto per maand inclusief vakantiegeld) als salaris heeft ontvangen op de gezamenlijke rekening van partijen. De vrouw heeft betoogd dat de man daarnaast vanuit de holding reizen en andere dure zaken, zoals een koffiezetapparaat, betaalde. De man heeft erkend dat eenmalig een koffiezetapparaat is aangeschaft vanuit de holding en dat dit privé is gebruikt, maar heeft betwist dat vanuit de holding andere zaken en reizen zijn betaald. De man heeft verder onweersproken gesteld dat vanaf 2008 alles werd betaald van de € 2.500,- netto die maandelijks werd uitgekeerd.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man een hoger inkomen dan € 2.500,-- netto heeft ontvangen en dat de man extra’s zoals reizen en luxegoederen heeft betaald vanuit de holding.

Het hof zal gelet op het voorgaande bij de berekening van de behoefte van de kinderen en de behoefte van de vrouw uitgaan van een netto gezinsinkomen van € 2.500,- per maand ten tijde van het uiteengaan van partijen.

4.11

De Expertgroep Alimentatienormen heeft in februari 2013 nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie gepubliceerd. Gelet op de door de Expertgroep aanbevolen overgangsregeling en gezien het feit dat vaststelling van de alimentatie wordt verzocht met ingang van de datum van de beschikking van het hof, zal het hof de behoefte volgens de nieuwe richtlijnen vaststellen en tevens de draagkracht volgens de nieuwe richtlijnen beoordelen.

4.12

Overeenkomstig voormelde nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen beschouwt het hof bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2013 het kindgebonden budget als een bijdrage in de behoefte van de kinderen. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen dient daarom te worden vermeerderd met het kindgebonden budget voor zover partijen daarop ten tijde van hun huwelijk recht hadden. Vervolgens dient de behoefte van de kinderen aan de hand van de tabel te worden bepaald. Ten slotte dient het kindgebonden budget na het uiteengaan van partijen te worden berekend en te worden afgetrokken van de behoefte van de kinderen. Wat resteert is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen.

4.13

Zoals hiervoor is overwogen zal worden uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen ten tijde van het uiteengaan van € 2.500,- per maand. Gelet op dit inkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan, gaat het hof ervan uit dat zij op dat moment geen aanspraak konden maken op het kindgebonden budget. Aan de hand van de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2010 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen, stelt het hof de behoefte van de kinderen aan een bijdrage van hun ouders, geïndexeerd naar 2014, vast. Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen en de tabel 2010 berekent het hof de behoefte van [kind 1] en [kind 2] aan een bijdrage van de ouders op € 550,- per maand in 2010, geïndexeerd naar 2014 afgerond € 577,- per maand, ofwel afgerond € 289,- per kind per maand. Hierop dient het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt in mindering te worden gebracht.

4.14

Ten behoeve van de berekening van het kindgebonden budget waarop de vrouw in 2014 aanspraak kan maken, gaat het hof uit van het hiervoor onder 2.2 vermelde inkomen van de vrouw. Zij kan bij dit inkomen aanspraak maken op een kindgebonden budget van

€ 148,- per maand, dat wil zeggen € 74,- per kind per maand. Gelet op de genoemde uit de tabel afgeleide bedragen bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen - rekening houdend met het kindgebonden budget - afgerond € 215,- per kind per maand.

draagkracht

4.15

De vrouw stelt in haar tweede grief dat een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 592,50 per kind per maand in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. De man betwist dat en stelt dat de vrouw niet onderbouwt waarom

€ 592,50 per kind per maand juist is. Hij stelt dat zijn draagkracht € 165,- per kind per maand bedraagt.

4.16

Overeenkomstig de hiervoor genoemde nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof het bedrag aan draagkracht van elk der ouders vaststellen aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 850)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

4.17

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor vermelde financiële gegevens en overwegingen, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.18

De man heeft betoogd dat zijn salaris vanaf oktober 2013 is verlaagd naar € 2.000,- netto per maand inclusief vakantiegeld. De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd.

4.19

Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling dat de Holding niet langer in staat zou zijn een salaris van € 2.500,- netto per maand te betalen niet, althans onvoldoende, heeft toegelicht en met stukken heeft onderbouwd. Zo heeft de man geen jaarstukken uit 2012 en voorlopige cijfers uit 2013 overgelegd, daaronder begrepen grootboekkaarten met betrekking tot de rekening-courantverhouding tussen de man en de vennootschappen alsook definitieve belastingaanslagen. Het hof zal daarom geen rekening houden met een salarisverlaging met ingang van oktober 2013.

4.20

Het hof verwerpt het betoog van de vrouw (onder 20 van het beroepschrift) dat voor de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van een hoger inkomen per maand dan € 2.500,- als onvoldoende onderbouwd.

4.21

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden wordt de man geacht in 2013 een netto besteedbaar inkomen te hebben van € 2.500,- per maand. Ingevolge de draagkrachttabel 2013 bedraagt de draagkracht van de man daarmee 70% x [€ 2.500,- -/- (0,3 x € 2.500 + € 850,-)] = € 630,- per maand.

4.22

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden wordt de vrouw geacht in 2013 een netto besteedbaar inkomen te hebben van € 1.666,- per maand. Ingevolge de draagkrachttabel 2013 bedraagt de draagkracht van de vrouw daarmee 70% x [€ 1.666,- -/- (0,3 x € 1.666 + € 850,-)] = € 221,- per maand.

4.23

Resumerend: de draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 221,- per maand; de draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 630,- per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel van € 107,- per maand, dus in totaal € 737,- per maand.


4.24 Het eigen aandeel van elk der ouders in de kosten van de kinderen moet vervolgens worden berekend naar rato van ieders draagkracht, en wel als volgt:

het eigen aandeel van de man bedraagt: € 737,- / € 958,- x € 430,- = € 331,- per maand;

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 221,- / € 958,- x € 430,- = € 99,- per maand;

samen: € 430,- per maand.

4.25

Zoals hiervoor is overwogen, verblijft [kind 2] iedere zaterdag van 09.00 uur tot 19.00 uur bij de man terwijl er met [kind 1] geen contact is. Ingevolge de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen leidt dit ten aanzien van [kind 2] tot een zorgkorting van 15% van € 215,-, ofwel afgerond € 32,- per maand. Ten aanzien van [kind 1] is het hof van oordeel dat in dit geval moet worden afgeweken van die richtlijn nu [kind 1], hetgeen hiervoor reeds is overwogen onder 4.7, geen omgang met de man heeft. De man maakt als gevolg daarvan geen kosten voor [kind 1].

hoogte van de behoefte vrouw

4.26

Nu beide partijen in de procedure het standpunt hebben ingenomen dat ter bepaling van de behoefte van de vrouw kan worden uitgegaan van de zogenaamde 60%-regel, zal ook het hof daarvan uitgaan. Volgens deze regel wordt de behoefte van de alimentatiegerechtigde echtgenoot vastgesteld op 60% van het netto gezinsinkomen inclusief vakantietoeslag aan het einde van de huwelijkse samenleving (waarop de kosten van de kinderen in mindering zijn gebracht). In het onderhavige geval wordt de behoefte van de vrouw daarmee gesteld op 60% x (€2.500,- - € 550,-) = 1.170,- netto per maand.

behoeftigheid

4.27

In haar derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek om een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud geheel heeft afgewezen.

4.28

De man stelt dat de vrouw geacht kan worden te voorzien in haar huwelijksgerelateerde behoefte en voorts dat hij naast de betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen geen draagkracht heeft om enige bijdrage te voldoen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.29

Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw haar grief ingetrokken tenzij de man draagkracht heeft om naast de kinderalimentatie een bedrag aan partneralimentatie te voldoen.

4.30

Het hof overweegt dat, gelet op de hiervoor vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 1.170,- per maand en haar hiervoor genoemde inkomen, de vrouw in staat is in haar eigen behoefte te voorzien, zodat het hof niet toekomt aan een berekening van de draagkracht van de man.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slaagt grief één in het principaal hoger beroep. De grieven twee en drie in het principaal hoger beroep falen. In het incidenteel hoger beroep slaagt grief één. De tweede grief in het incidenteel hoger beroep behoeft geen behandeling. Het hof dient de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als hierna zal worden vermeld.

5.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de omgang met en de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 28 oktober 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] € 166,- per maand en in de kosten van verzorging en opvoeding [kind 2] € 133,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

stelt vast als regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders dat

[kind 2] bij de man verblijft iedere zaterdag van 09.00 uur tot 19.00 uur;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, P.M.M. Mostermans en

K.J. Haarhuis en is op 11 februari 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.