Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8977

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
200.156.359-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten plaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.156.359/01

(zaaknummer rechtbank C/16/374118/JL RK 14-579)

beschikking van de familiekamer van 20 november 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. D.G. Nagel, kantoorhoudend te Almere,

tegen

Bureau Jeugdzorg Flevoland,

kantoorhoudend te Lelystad,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: BJZ.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 12 augustus 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 september 2014, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [verzoekster] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing slechts zal worden verleend van 13 augustus 2014 tot 29 december 2014, kosten rechtens.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 oktober 2014, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep van [verzoekster] bestreden.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op maandag 27 oktober 2014 plaatsgevonden. [verzoekster] is niet verschenen, maar is vertegenwoordigd door mr. S.C. Scherpenhuijsen, kantoorgenoot van mr. Nagel. Namens BJZ is verschenen mevrouw [B] (gezinsvoogd). De Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is uitgenodigd maar niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

[verzoekster], die geboren is [in] 1997, is opgegroeid bij haar ouders. Haar vader is in 2008 overleden. Haar moeder is op 11 juli 2012 overleden. Sinds 16 juli 2012 is BJZ belast met de voorlopige voogdij over [verzoekster]. Op 24 juli 2012 is de definitieve voogdij opgedragen aan BJZ. Op 20 september 2013 is er voor het eerst een (spoed)machtiging voor gesloten jeugdzorg uitgesproken. In aansluiting op de beschikking van 16 juli 2014 waarbij een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten jeugdzorgvoorziening voor de duur van vier weken is uitgesproken, is in de bestreden beschikking een machtiging voor gesloten jeugdzorg uitgesproken van 13 augustus 2014 tot 29 januari 2015.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 29a Wet op de Jeugdzorg (hierna: WJZ) is [verzoekster] ontvankelijk in haar hoger beroep.

4.2

Ingevolge artikel 29b lid 1 WJZ kan de kinderrechter indien de voogdij over de jeugdige berust bij BJZ - zoals in dit geval - op verzoek van BJZ een machtiging verlenen om een jeugdige die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k WJZ, het daarbij behorende terrein daaronder begrepen, te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of de jeugdige daarmee instemt. BJZ heeft dat verzoek gedaan en heeft daarbij een verklaring ingevolge artikel 29b lid 5 WJZ ingebracht waarin een gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht en verklaard heeft dat gesloten jeugdzorg voor deze jeugdige noodzakelijk is.

4.3

[verzoekster] wenst dat de machtiging in duur beperkt wordt en wel tot 29 december 2014.

4.4

BJZ is het daar niet mee eens en is van mening dat de door de rechtbank gegeven machtiging bekrachtigd dient te worden.

4.5

[verzoekster] bestrijdt in hoger beroep niet zozeer dat er sprake is (geweest) van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, maar zij voert aan dat niet duidelijk is wat BJZ tot haar meerderjarigheid nog gaat ondernemen en welk vervolgtraject er na 29 januari 2015 ingezet zal worden. Zij wil voor die datum nog een toetsingsmoment hebben om te voorkomen dat ze vanaf haar 18e levensjaar zonder een vervolgtraject vertrekt uit de instelling.

4.6

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat bij [verzoekster] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie als genoemd in overweging 4.2 noodzakelijk zijn om te voorkomen dat zij zich aan de zorg die zij nodig heeft, zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

4.7

Niet bestreden is dat [verzoekster] een belast verleden heeft. Uit de stukken blijkt dat [verzoekster] te weinig zelfinzicht heeft en erg gevoelig is voor aandacht. In haar gesprek met de gedragswetenschapper heeft [verzoekster] aangegeven dat zij geneigd is naar verkeerde mensen met verkeerde bedoelingen te trekken. Voorts heeft ze laten weten dat niemand haar kan helpen, dat ze het zelf moet doen en het alleen gebeurt als zij het zelf wil. Dat sluit ook aan bij de in de verklaring van voornoemde gedragswetenschapper weergegeven mening van GGZ Centraal dat het gedrag van [verzoekster] zelfbepalend is. GGZ noemt haar gedrag voorts grenzeloos en destructief. In voorbereiding op het meerderjarig worden, heeft [verzoekster] meer vrijheden gekregen om met groeiende zelfstandigheid te kunnen oefenen, maar ze heeft laten blijken daar nog niet mee om te kunnen gaan. [verzoekster] heeft laten zien dat zij afspraken kan maken en op een rij kan zetten wat ze nodig heeft, maar wanneer ze zelf daadwerkelijk stappen moet gaan zetten blijkt ze (steeds) af te haken. Het hof maakt voorts uit de stukken op dat [verzoekster] dit jaar in januari en nogmaals in juli is weggelopen. In januari is zij door de politie bij een loverboy weggehaald en teruggebracht naar de instelling. De gezinsvoogd heeft ter zitting van het hof laten weten dat [verzoekster] twee weken eerder weer niet teruggekeerd is van haar verlof, dat ze aan haar (voormalig) pleegmoeder heeft laten weten niet van plan te zijn terug te keren en dat ze alle contact afhoudt. De advocaat van [verzoekster] heeft dat niet bestreden. De gezinsvoogd heeft aanwijzingen dat [verzoekster] weer bij een loverboy is en maakt zich - naar het oordeel van het hof: terecht - ernstige zorgen over de toekomst van [verzoekster]. [verzoekster] heeft weliswaar in haar hoger beroep aangegeven dat ze hulp mist van BJZ en die graag wil, maar ze heeft er zelf thans (weer) voor gekozen om zich aan de (noodzakelijke) hulpverlening te onttrekken door haar wegloopgedrag.

4.8

Het hof is daarom van oordeel dat de machtiging voor gesloten jeugdzorg nog steeds noodzakelijk is voor [verzoekster] en ziet geen reden om de duur van de machtiging te bekorten, dan wel om - zoals [verzoekster] heeft verzocht - vóór 29 januari 2015 de noodzaak van de machtiging nog eens te laten toetsen. Het hof zal daarom de machtiging voor gesloten jeugdzorg voor de periode tot 29 januari 2015 bekrachtigen.

4.9

Deze beschikking is ingevolge artikel 29h lid 1 WJZ bij voorraad uitvoerbaar.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 12 augustus 2014.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. G. Jonkman en mr. H. van Lokven-van der Meer, bijgestaan door de griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 november 2014.