Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8969

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
24-11-2014
Zaaknummer
200.151.084-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.151.084/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/132308/FA RK 14/164)

beschikking van de familiekamer van 30 oktober 2014

inzake

de Raad voor de Kinderbescherming,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

appellant in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

tegen

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P. Rijnsburger, kantoorhoudend te Leeuwarden.

en

[verweerder] ,

wonende te [A],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ,

2. Stichting William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudend te Amsterdam,

hierna te noemen: de stichting,

3. [pleegouders],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 7 mei 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 23 juni 2014, is de raad in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De raad verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw recht doende te bepalen dat de vader en de moeder worden ontheven van het gezag over [de minderjarige], geboren [in] 2010 te [B] (hierna te noemen: [de minderjarige]), en te bepalen dat BJZ wordt belast met de voogdij.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 augustus 2014, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de raad bestreden.

2.3

De vader en de overige belanghebbenden hebben binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.4

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 27 augustus 2014 een brief van mr. Rijnsburger met bijlagen;

- op 16 september 2014 een brief van 14 september 2014 van de pleegouders;

- op 25 september 2014 een journaalbericht van dezelfde datum van mr. Rijnsburger met bijlagen.

2.5

Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven bepaalt dat uiterlijk de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog stukken kunnen worden overgelegd. Op stukken die nadien worden overgelegd, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Het journaalbericht met bijlagen van 25 september 2014 voornoemd is buiten de termijn als bedoeld in het Procesreglement ontvangen. Het hof heeft, ondanks dat het journaalbericht met bijlagen te laat is ingediend, kennisgenomen van de inhoud daarvan nu de stukken niet eerder ingediend konden worden en de stukken snel en eenvoudig te doorgronden zijn.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 3 oktober 2014 plaatsgevonden. Namens de raad is verschenen de heer [C]. Voorts is verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de stichting zijn verschenen mevrouw [D] en mevrouw [E]. De vader en BJZ zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. De pleegouders zijn

- met bericht - niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en de moeder is [de minderjarige] geboren. De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast.

3.2

[de minderjarige] staat sinds 5 maart 2010 onder toezicht van BJZ, uitgevoerd door de stichting. De termijn van de ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van

22 augustus 2014 met ingang van 5 september 2014 tot 5 september 2015.

3.3

Bij beschikking van 6 augustus 2010 heeft de rechtbank de stichting gemachtigd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing is laatstelijk verlengd bij beschikking van 22 augustus 2014 met ingang van 5 september 2014 tot 5 september 2015.

3.4

[de minderjarige] is in de zomer van 2010 geplaatst in een crisispleeggezin. Na een gezinsopname samen met de ouders in "[F]" in 2010, is [de minderjarige] op 1 februari 2011 opnieuw in een crisispleeggezin geplaatst. Sinds 5 mei 2011 verblijft [de minderjarige] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin. In juni 2013 is de frequentie van de begeleide contactmomenten tussen de moeder en [de minderjarige] verminderd van eens per drie weken naar eens per zes weken.

3.5

Bij verzoekschrift van 3 april 2014, ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de raad verzocht de vader en de moeder te ontheffen van het gezag over [de minderjarige]. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.2

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

4.3

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

4.4

Op grond van de stukken en de mondelinge behandeling overweegt het hof als volgt. [de minderjarige] is op zeer jonge leeftijd, toen hij zes maanden oud was, uit huis geplaatst. Hij verblijft sinds mei 2011, thans derhalve ruim drie jaar en dus het grootste deel van zijn jonge leven, in het huidige perspectief biedende pleeggezin. Hij is daar geplaatst na een niet succesvol, langdurig en intensief hulpverleningstraject. Sinds het verblijf van [de minderjarige] in zijn pleeggezin heeft [de minderjarige] zich goed ontwikkeld, heeft hij een groot deel van zijn ontwikkelingsachterstand ingehaald en heeft hij zich daar gehecht en geworteld, waarbij voor [de minderjarige] zijn pleegouders de belangrijkste hechtingsfiguren zijn. Gelet op het zwaarwegende belang van [de minderjarige] ligt - zoals het hof ook heeft overwogen bij beschikking van 3 oktober 2013 - het perspectief van [de minderjarige] in het pleeggezin. Het hof neemt de overwegingen dienaangaande zoals die zijn verwoord in rechtsoverwegingen 11 en 12 van die beschikking na eigen onderzoek hier over.

4.5

De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn als tijdelijke maatregelen bedoeld en kunnen niet maar van jaar tot jaar verlengd worden. Het hof is dan ook met de raad (en overigens ook BJZ en de stichting) van oordeel dat de ouders dienen te worden ontheven van het gezag over [de minderjarige]. De vader en de moeder zijn reeds vanwege de langdurige plaatsing van [de minderjarige] bij zijn pleegouders en de hechting van de nog jonge [de minderjarige] aan zijn pleegouders ongeschikt en onmachtig om hun plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te vervullen. [de minderjarige] heeft recht op rust, continuïteit en een verder ongestoorde hechting en ongestoorde ontwikkeling.

4.6

De moeder heeft (subsidiair) verzocht de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomsten van het door de stichting aangekondigde onderzoek ten aanzien van de moeder. Het hof wijst dit verzoek af. De uitkomsten van dit onderzoek acht het hof niet relevant voor de beslissing tot ontheffing van het gezag. Zoals reeds hiervoor overwogen ligt het perspectief van [de minderjarige] in het pleeggezin. Het hiervoor omschreven belang van [de minderjarige] om in het pleeggezin op te groeien moet voorgaan boven de belangen van de moeder om in de toekomst [de minderjarige] weer bij zich te hebben.

4.7

De raad heeft in zijn verzoekschrift verzocht BJZ tot voogd over [de minderjarige] te benoemen. Nu de pleegouders hebben aangegeven niet met de voogdij te willen worden belast en BJZ de bereidheid tot het uitvoeren van de voogdij heeft uitgesproken zal het hof conform dit verzoek BJZ tot voogd over [de minderjarige] benoemen.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als volgt.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 7 mei 2014;

ontheft de ouders van het gezag over [de minderjarige], geboren [in] 2010 te [B];

benoemt Bureau Jeugdzorg tot voogd over voornoemde minderjarige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, M.P. de Hollander en P.J. Landman, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 30 oktober 2014 in het bijzijn van de griffier.