Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8892

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
17-03-2015
Zaaknummer
200.141.674
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:6443, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop recreatiewoning, ontbinding op grond van art. 7:2 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/215
RCR 2015/45

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.674/01
(zaaknummer rechtbank Arnhem C/05/242369)

arrest van de eerste kamer van 18 november 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Recreatie Verkoop B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Recreatie Verkoop,

advocaat: mr. H.G.M. van Lotringen, kantoorhoudend te Ede,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats]

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.J. van Os, kantoorhoudend te Wijk bij Duurstede.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van
19 juni 2013 en 2 oktober 2013 van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, team kanton en handelsrecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 13 december 2013,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Ten slotte hebben partijen hun dossiers overgelegd en arrest verzocht en heeft het hof arrest bepaald.

3 De omvang van het hoger beroep

3.1

De vordering in hoger beroep van Recreatie Verkoop luidt:


"appellante concludeert dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, moge behagen bij arrest uitvoerbaar bij voorraad te vernietigen het tussen- en eindvonnis van de Rechtbank Gelderland, locatie Zutphen [het hof verstaat: Arnhem], op 19 juni 2013 en 2 oktober 2013, onder zaak- en rolnummer C/05/242369 / HAZA 13-280, tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, appellante alsnog haar vorderingen toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties".

3.2

Het hoger beroep is gericht tegen zowel het tussenvonnis van 19 juni 2013 als tegen het eindvonnis van 13 december 2013. Tegen het tussenvonnis zijn echter geen grieven geformuleerd zodat het hoger beroep in zoverre zal worden verworpen.

4 De feiten

4.1

De rechtbank heeft in haar vonnis van 2 oktober 2013 onder 2 (2.1 t/m 2.9) een aantal feiten vastgesteld waartegen geen grieven zijn gericht en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen bleken. Samen met wat verder is komen vast te staan gaat het, voor zover in hoger beroep relevant, om het volgende.

4.2

Recreatie Verkoop richt zich op de verkoop van recreatiewoningen (onder meer) gelegen in [woonplaats] op het "[recreatiepark]" (hierna: 'het recreatiepark').

4.3

Op 17 oktober 2012 hebben [geïntimeerde] en haar [partner] (hierna: '[partner]'), een bezoek gebracht aan het recreatiepark. Zij spraken daar met [de verkoper], verkoper in dienst van Recreatie Verkoop (hierna: '[de verkoper]'). [de verkoper] heeft [geïntimeerde] en [partner] rondgeleid op het park en hen, onder meer, een woning van het type "Cube de Luxe" (hierna: het chalet) getoond.

4.4

Op 19 oktober 2012 bezochten [geïntimeerde] en [partner] het park opnieuw. Zij hadden voor die dag een afspraak met [de verkoper]. Opnieuw zijn zij met [de verkoper] over het park gelopen, waarna zij, gedrieën, naar het kantoor van [de verkoper] op het park zijn gegaan. Daarbij is een gedeeltelijk voorbedrukt geschrift, met het opschrift: “Verkoopbevestiging” door zowel [de verkoper] als [geïntimeerde] met de hand nader ingevuld en door [geïntimeerde] ondertekend. Het gaat om een koopovereenkomst met betrekking tot een kavel met daarop een recreatiewoning type Cube de Luxe voor een koopprijs van € 229.500,-. In de Verkoopbevestiging is na de voorgedrukte woorden: "extra voorzieningen" met de hand geschreven vermeld: "(…) Bellegingsobject eigen middelen 10.000,- netto rendement 1ste jaar"

4.5

Recreatie Verkoop heeft als productie 1 en 7 bij haar conclusie van antwoord afdrukken overgelegd van haar website, daarop staat onder meer vermeld:


"[recreatiepark] is een zeer aantrekkelijke locatie om uw EIGEN vakantiewoning te hebben. Met zijn ligging aan het Veluwemeer is het park zeer populair onder de verhuurgasten en worden er erg veel activiteiten aangeboden op het gebied van watersport. Maar ook voor de natuurliefhebbers biedt [recreatiepark] een prachtige omgeving om te wandelen, fietsen, paardrijden, noem maar op! En uiteraard zorgen de vele faciliteiten op het park voor een zorgeloze vakantie waarin het u, maar ook uw verhuurgasten aan niets zal ontbreken. De ideale plek om te investeren in deze interessante beleggingsobjecten."

en

"DroomParken beschikt nu Over 9 recreatieparken welke allen zo gesitueerd zijn dat ze aan de vele verschillende wensen en eisen van de eigenaren en huurders kunnen voldoen. Of u nu wilt

recreëren in de luxe van een prachtige exclusieve villa in het groene hart van de Veluwe of in een heerlijk comfortabel chalet direct aan de kust, alles is mogelijk!

Binnen DroomParken zijn er twee disciplines, namelijk:
- Exploitatie van recreatieparken:
- Projectontwikkeling met verkoop van recreatiewoningen, inclusief bijbehorende grond.

Door verkoop en verhuur te combineren weet DroomParken het hoogste rendement te realiseren voor de investeerders en daarnaast voor huurders het hoogste belevingsniveau te realiseren uit de vakantie. Bij DroomParken worden alleen vakantiehuizen gebouwd boven de nieuwste standaarden. Door continu te zoeken naar de meest vernieuwende ontwerpen is DroomParken de nummer 1 in recreatieparken qua woningen. Daarnaast is de verhuurorganisatie volledig in eigen beheer. DroomParken regelt dus alle zaken betreffende de Verhuur van de recreatiewoningen. Deze combinatie van verhuur, verkoop, continue vernieuwing en eigen verhuurorganisatie maakt DroomParken uniek in Nederland.

Onze Missie:
Ontwikkeling en beheer van kwalitatief hoogwaardige recreatieparken op geselecteerde locaties, waardoor recreanten optimale vrijetijdsbeleving ervaren en de belegger een maximaal verhuurrendement kan behalen."

4.6

Bij brief van 22 oktober 2012 heeft [geïntimeerde] tegenover Recreatie Verkoop een beroep gedaan op ontbinding van de koopovereenkomst.

5 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5.1

Recreatie Verkoop vordert (verkort weergegeven):

a. een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden op 20 maart 2013;
b. [geïntimeerde] te veroordelen aan Recreatie Verkoop uit hoofde van contractueel verschuldigde boete te voldoen € 45.900,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

5.2

De rechtbank heeft de vorderingen van Recreatie Verkoop afgewezen en Recreatie Verkoop veroordeeld in de kosten van de procedure omdat (kort gezegd) [geïntimeerde] reeds op 22 oktober 2012 de overeenkomst heeft ontbonden op grond van artikel 7:2 lid 2 BW.

6 De beoordeling van de grieven en de vordering

6.1

In de twee door haar tegen het eindvonnis van 2 oktober 2013 gerichte grieven bestrijdt Recreatie Verkoop het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] op grond van artikel 7:2 lid 2 BW bevoegd was de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. In grief II wordt volstaan met een citaat van de bestreden rechtsoverwegingen 4.12 en 4.13. zonder een afzonderlijke toelichting. Het hof houdt het er voor dat de redengeving voor zowel grief I als grief II is gelegen in de toelichting op grief I. De grieven worden gezamenlijk beoordeeld.

6.2

Recreatie Verkoop betoogt dat [geïntimeerde] bij de aankoop van het chalet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf en dat zij om die reden de koopovereenkomst tussen partijen niet op grond van artikel 7:2 lid 2 BW kon ontbinden. Volgens haar is uitgangspunt dat de koop van een voor verhuur bestemde recreatiewoning in het algemeen een handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf is, ook als de koper geen professional of deskundige is die de bedoeling had om het chalet ook een deel van de tijd zelf te bewonen. Bepalend is, aldus Recreatie Verkoop, dat [geïntimeerde] het chalet heeft gekocht met het oog op commerciële verhuur, waarbij niet relevant is dat Recreatie Verkoop het initiatief tot de koop heeft genomen. Recreatie Verkoop wijst ter onderbouwing van de door haar gestelde bedoeling van [geïntimeerde] op de inhoud van de Verkoopbevestiging (zie onder 4.4) en stelt dat [geïntimeerde] heeft meegedeeld dat het haar was te doen om het rendement uit commerciële verhuur waarbij zij het chalet niet zelf wilde bewonen. Bij incidenteel eigen gebruik zou zij daarvoor een commerciële huurprijs betalen.

6.3

Centraal in deze zaak staat de uitleg van de woorden "een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf," in artikel 7:2 BW. Dit criterium wordt in het Burgerlijk Wetboek ook in andere bepalingen ter zake van consumentenbescherming gebruikt om het begrip “consument” af te bakenen tegenover een zakelijke partij.

6.4

In de wetsgeschiedenis op artikel 7:2 BW is in dat verband vermeld:

Dit criterium kan ook worden aangetroffen in onder meer artikel 5 lid 1 van Boek 7, dat is geformuleerd naar het voorbeeld van de aanhef van de artikelen 236 en 237 van Boek 6. De uit de parlementaire geschiedenis van beide laatstgenoemde artikelen af te leiden uitleg van genoemd criterium komt hierop neer dat een consument is een natuurlijk persoon die ofwel niet een beroep of bedrijf uitoefent ofwel de overeenkomst niet sluit in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf
(MvA, Parl. Gesch. II, 1995–1996, 23 095, nr. 5, p. 12).

6.5

De uitleg van het genoemde criterium dient, omwille van de eenduidigheid en duidelijkheid, te zijn afgestemd op de uitleg daarvan in de overige wetsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek waarin hetzelfde criterium wordt gebruikt, in het bijzonder de artikelen 7:5 lid 1, 6:236 en 6:237 BW. Dat brengt mee dat voor de uitleg van het genoemde criterium in artikel 7:2 BW, hoewel die bepaling eerst bij wet van 5 juni 2003 (Stb. 2003, 238) - inwerkingtreding 1 september 2003 - is toegevoegd aan titel 7.1 (Koop en ruil) en niet is ontleend aan een Europese richtlijn, de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van belang is.

6.6

In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7:5 BW wordt voor de uitleg van het criterium verwezen naar de verhandelingen dienaangaande bij de totstandkoming van art. 6:236 en 6:237 BW (Parl. Gesch. Boek 7 (1991), MvA II, p. 64). Daarin is gekozen voor een subjectief gekleurde uitleg van het criterium, waarbij de bedoeling van de als consument aan te merken partij leidend is (vergelijk Parl. Gesch. Inv. Boek 6 (MvA II) p. 1655 en 1656).

6.7

De rechtsontwikkeling sinds de totstandkoming van Boek 6 wijst echter in de richting van een meer geobjectiveerde toepassing van het genoemde criterium. Hoewel gewezen in het kader van een geschil aangaande de rechterlijke bevoegdheid is hier vooral van belang het arrest HvJ EG 20 januari 2005, (C-464/01), NJ 2006, 278 (Gruber).

6.8

In dat arrest overweegt het Europese Hof dat bij de uitleg van het begrip 'consument' aansluiting moet worden gezocht bij de positie van deze persoon in een bepaalde overeenkomst, rekening houdend met de aard en het doel daarvan, maar niet bij de subjectieve situatie van deze persoon, daar eenzelfde persoon voor sommige verrichtingen als consument en voor andere als economisch subject kan worden beschouwd. Bij overeenkomsten die, los en onafhankelijk van enige beroepsmatige activiteit of doelstelling, uitsluitend worden gesloten om te voorzien in de consumptiebehoeften van een persoon als particulier, is een bescherming van de consument als zwakkere partij op zijn plaats terwijl deze bescherming in geval van overeenkomsten met een beroepsmatig doel niet is gerechtvaardigd (zie ook HvJ EG 3 juli 1997, C-269/95, NJ 1999, 681 (Benincasa) onder 16 t/m 18).

6.9

Thans komt aan de orde wat partijen over en weer hebben aangevoerd tot invulling van het hiervoor omschreven criterium. Het procedurele debat in de onderhavige procedure wordt gekenmerkt doordat Recreatie Verkoop ter onderbouwing van haar vordering betoogt dat [geïntimeerde] dient te worden aangemerkt als een partij die handelde in de uitoefening van haar beroep- of bedrijf, terwijl [geïntimeerde] op die stellingen reageert. De rechtbank heeft in aansluiting op het aldus gevoerde debat de stelplicht voor de omstandigheid dat [geïntimeerde] niet handelde als consument bij Recreatie Verkoop gelegd.
Onder 4.10 van het bestreden vonnis overweegt de rechtbank: “Zo [geïntimeerde] met de verhuur in het eerste jaar (vanwege bedoeld rendement) heeft ingestemd, zij heeft dat gemotiveerd betwist, maakt dit enkele feit haar nog niet tot, kort gezegd, een professionele koper.”

Onder 4.11 van het bestreden vonnis overweegt de rechtbank

“Voor het overige zijn door Recreatie Verkoop geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat [geïntimeerde] in het kader van deze koop niet heeft te gelden als een consument, doch als een koper die handelt in de uitvoering van een beroep of bedrijf.”

6.10

In het vorenstaande ligt besloten dat de rechtbank de stelplicht (en de bewijslast) voor het feit dat [geïntimeerde] geen consument was bij Recreatie Verkoop legt. Hoewel eigenlijk op de koper de bewijslast rust van de omstandigheid dat hij consument is (Parl. Gesch. Inv. Boek 6 1990, MvT en MvA II p. 1651 en 1655) is tegen de door de rechtbank gehanteerde verdeling van stelplicht en bewijslast niet gegriefd zodat ook het hof daarvan heeft uit te gaan. In het navolgende komt het hof tot het oordeel dat Recreatie Verkoop onvoldoende heeft aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat [geïntimeerde] niet als consument kan worden beschouwd. Echter ook indien, anders dan de rechtbank heeft gedaan, van een juiste verdeling van stelplicht en bewijslast wordt uitgegaan, zou het hof tot het oordeel komen dat [geïntimeerde] is opgetreden in de hoedanigheid van consument, nu de door Recreatie Verkoop aangevoerde feiten en omstandigheden ook onvoldoende zijn als betwisting van de door [geïntimeerde] gestelde en onderbouwde hoedanigheid van consument.

6.11

Recreatie Verkoop stelt voorop dat het kopen van een (mede) voor verhuur bestemde recreatiewoning beroeps- of bedrijfsmatig handelen oplevert. [geïntimeerde] heeft dat weersproken. Zij stelt dat zij het chalet niet beroeps- of bedrijfsmatig heeft aangekocht en dat zij zich niet beroepsmatig of bedrijfsmatig bezig houdt met het beleggen in onroerende zaken. Bij de totstandkoming van de koop zijn verhuurbare perioden van de recreatiewoning, het beheer ervan, de te behalen rendementen of verhuuropbrengsten en de daaraan op jaarbasis verbonden kosten niet besproken. Recreatie Verkoop heeft, aldus nog steeds [geïntimeerde], het met verhuur te realiseren rendement als verkoopargument gebruikt. [geïntimeerde] stelt voorts dat zij medio juni 2012 om gezondheidsredenen is gestopt met werken en dat zij de daardoor verkregen vrije tijd wilde invullen door in een recreatiewoning korte vakanties en weekenden door te brengen, met haar partner en (klein)kinderen.

6.12

Indien Recreatie Verkoop heeft bedoeld dat [geïntimeerde] het chalet heeft gekocht met de enkele bedoeling dit bedrijfs- of beroepsmatig te gebruiken voor verhuur aan derden, dan vindt dit standpunt geen steun in de vaststaande feiten en de overgelegde stukken. In de door [geïntimeerde] ondertekende Verkoopbevestiging is weliswaar sprake van een “beleggingsobject” en “rendement” maar deze begrippen wijzen zonder bijkomende feiten en omstandigheden niet op een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit. Zij passen evenzeer bij het (niet beroeps- of bedrijfsmatig) beleggen van privévermogen. Recreatie Verkoop stelt weliswaar dat [geïntimeerde] heeft gezegd dat zij het chalet niet zelf wilde gaan gebruiken en zo zij dit wel zou doen dat zij daarvoor een commerciële huurprijs zou betalen, maar deze stelling is niet onderbouwd, terwijl het gestelde evenmin zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat [geïntimeerde] beroeps- of bedrijfsmatige verhuur beoogde. Het lag op de weg van Recreatie Verkoop om concrete feiten en omstandigheden te stellen ter motivering van haar betwisting dat [geïntimeerde] de vakantiewoning als consument heeft gekocht. Daarvoor is, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende dat [geïntimeerde] met de aankoop (mede) beoogde de woning tegen betaling te verhuren. Van deze door [geïntimeerde] gemotiveerd weersproken stelling, heeft Recreatie Verkoop geen bewijs aangeboden. Aan het door haar gedane algemene bewijsaanbod gaat het hof voorbij als te weinig concreet en specifiek.

6.13

Indien Recreatie Verkoop heeft bedoeld dat [geïntimeerde] het chalet heeft gekocht met een tweeledig doel, te weten recreatief gebruik naast een beroeps- en bedrijfsmatig beleggingsdoel, geldt het volgende.

6.14

Dat bij de totstandkoming van de koop over zowel eigen bewoning als over rendement uit verhuur (“belegging”) is gesproken, heeft [geïntimeerde] niet weersproken. Uit rov. 6.12 volgt dat die enkele omstandigheid onvoldoende is ter onderbouwing van beroeps- of bedrijfsmatig handelen door [geïntimeerde]. De genoemde belegging ziet op privévermogen.

6.15

Indien het hof er veronderstellenderwijs van uit zou gaan dat de verhuur aan derden wel een beroeps- of bedrijfsmatig karakter zou hebben, geldt het volgende.

6.16

In het hiervoor genoemde Gruber-arrest uit 2005 (randnummers 38 t/m 42) overweegt het Europese hof aangaande de vraag of sprake is van een consument, bij een overeenkomst die deels op beroeps- en deels op particuliere activiteiten betrekking heeft, het volgende:


“39.[…]een persoon die een overeenkomst sluit voor een gebruik dat gedeeltelijk op zijn beroepsactiviteit betrekking heeft en daarvan dus slechts gedeeltelijk losstaat, kan zich in beginsel niet op deze bepalingen beroepen. Dit ligt slechts anders indien deze overeenkomst zo losstaat van de beroepsactiviteit van de betrokkene dat het verband marginaal wordt en bijgevolg in het kader van de verrichting, in haar totaliteit beschouwd, waarvoor deze overeenkomst is gesloten, slechts een onbetekenende rol speelt.

6.17 40.

40. Zoals de advocaat-generaal in de punten 40 en 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet een persoon die een overeenkomst sluit voor een gebruik in verband met zijn beroepsactiviteit, worden geacht tegenover zijn wederpartij in een gelijkwaardige onderhandelingspositie te verkeren, zodat de bijzondere bescherming waarin het Executieverdrag voorziet voor consumenten, in dit geval niet gerechtvaardigd is.


41. Dat de betrokken overeenkomst naast de beroepsactiviteit tevens een particulier doel dient, doet daaraan niet af en zij (Hof: de beroepsmatige activiteit) blijft relevant ongeacht het verband tussen het particuliere en het beroepsmatige gebruik dat van het betrokken goed of de betrokken dienst kan worden gemaakt, zelfs als het particuliere gebruik daarbij de overhand heeft, mits het aandeel van het beroepsmatige gebruik niet onbetekenend is.

42. Ingeval van een overeenkomst met een tweeledig doel is bijgevolg niet noodzakelijk dat het gebruik van de gekochte zaak voor beroepsdoeleinden zwaarder weegt.”

6.18

In artikel 17 van de Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten wordt een consument als volgt gedefinieerd (onderstreping aangebracht door het hof):

Onder de definitie van consument dienen natuurlijke personen te vallen die buiten hun handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit handelen. Bij gemengde overeenkomsten, waar een overeenkomst wordt gesloten voor doeleinden die deels binnen en deels buiten de handelsactiviteit van de persoon liggen en het handelsoogmerk zo beperkt is dat het binnen de globale context van de overeenkomst niet overheerst , dient die persoon echter ook als consument te worden aangemerkt.

6.19

Naar het oordeel van het hof stond een beleggingsdoel door [geïntimeerde] geheel in het teken van de primaire bestemming van het chalet, te weten recreatief eigen gebruik daarvan. Uit niets blijkt dat bij de onderhandeling tussen partijen het rendement een rol van enig belang heeft gespeeld vanwege de daarmee te realiseren winst of zelfs maar dat de belegging een voor [geïntimeerde] dragende overweging was bij haar beslissing om het chalet te kopen.

6.20

Het vorenstaande brengt mee dat [geïntimeerde] niet kan worden aangemerkt als handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf en dat zij zich op grond van artikel 7:2 lid 2 BW met succes kon beroepen op de ontbinding van de koopovereenkomst. De door Recreatie Verkoop genoemde uitspraak Hof Arnhem d.d. 7 maart 2006 (LJN AV4864) leidt niet tot een ander oordeel. De grieven falen.

6.21

Zelfs indien het hof in het voorgaande zou hebben vastgesteld dat [geïntimeerde] als handelend in beroep of bedrijf zou kunnen worden aangemerkt en de daarop gerichte grieven zouden slagen, zou geen plaats zijn voor toewijzing van de vordering van Recreatie Verkoop. [geïntimeerde] heeft immers uitdrukkelijk in eerste aanleg aangevoerd dat zij in een nadere bespreking met Recreatie Verkoop heeft afgesproken dat op [geïntimeerde] geen verplichting zou rusten om de onderhavige recreatiewoning af te nemen en dat er geen koopovereenkomst was die [geïntimeerde] tot enige verplichting strekte. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat zij de gestelde nadere overeenkomst met Recreatie Verkoop bij e-mailbericht van 7 november 2012 nog eens heeft bevestigd, welke stelling zij heeft onderbouwd door het betreffende e-mailbericht als productie 5 over te leggen. Ingevolge de devolutieve werking dient het hof bij het slagen van de grieven ook dit in eerste aanleg - door de rechtbank niet behandelde - verweer te beoordelen. Nu Recreatie Verkoop de gestelde nadere overeenkomst niet gemotiveerd heeft betwist, moet van het bestaan daarvan als vaststaand worden uitgegaan, hetgeen aan toewijzing van de vordering van Recreatie Verkoop in de weg staat. Ook om die reden kunnen de aangevoerde grieven aldus niet tot vernietiging van het vonnis van 13 december 2013 leiden.

7 Slotsom

Nu daartegen geen grieven zijn gericht zal het hoger beroep tegen het vonnis van 19 juni 2013 worden verworpen. Het vonnis van 13 december 2013 zal worden bekrachtigd. Recreatie Verkoop zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep gevallen aan de zijde van [geïntimeerde] (1 punt, tarief IV).

8 De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen het vonnis van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, team kanton en handelsrecht van 19 juni 2013;

bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, team kanton en handelsrecht van 13 december 2013;

veroordeelt Recreatie Verkoop in de proceskosten van het hoger beroep, die zover gevallen aan de zijde van [geïntimeerde], worden begroot op € 1.631- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief en € 683,- voor vastrecht;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. G. van Rijssen, mr. M.M.A. Wind en M.B. Beekhoven van den Boezemen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

18 november 2014.