Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8878

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
200.112.725
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2012:BW5696, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2013:7463
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1276, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade door grote brand in plasticfabriek aan in belendende loods opgeslagen handelsvoorraad landbouwmachines.

Gelaedeerde vordert als schade het niet door haar verzekeraar vergoede gedeelte van de schade, bestaande uit het eigen risico. De vordering wordt afgewezen omdat de schade als gevolg van de brand lager wordt vastgesteld dan het bedrag dat door de verzekeraar op grond van de polis is uitgekeerd. Daarbij heeft het hof als uitgangspunt gehanteerd dat de schade als gevolg van het verloren gaan van de handelsvoorraad niet dient te worden begroot op de verkoopwaarde van de goederen maar op de kosten die Deere zou hebben moeten maken om de handelsvoorraad te vervangen, eventueel te vermeerderen met de gederfde winst indien zij als gevolg van de brand minder goederen heeft kunnen verkopen.

De gelaedeerde moet voldoende aanknopingspunten aandragen om de inkoopwaarde van een vervangende handelsvoorraad te kunnen vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.112.725

(zaaknummer rechtbank Zutphen 88877)

arrest van de eerste kamer van 18 november 2014

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Moramplastics B.V.,

gevestigd te ‘s-Heerenberg,

appellante,

hierna: Moramplastics,

advocaat: mr. E.J.W.M. van Niekerk,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht Deere & Co.,

gevestigd te Moline, Illinois, Verenigde Staten van Amerika,

geïntimeerde,

hierna: Deere,

advocaat: mr. J.M. Wolfs.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het arrest in het incident van 8 oktober 2013.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van antwoord;

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities; ten behoeve van het pleidooi zijn zijdens Deere twee dvd’s toegezonden.

1.3

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals deze door de rechtbank in het tussenvonnis van 21 januari 2009 zijn vastgesteld onder 2.1 tot en met 2.18. Ook het hof gaat van deze feiten uit.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak, zakelijk samengevat, om het volgende. Op 11 maart 2001 is in het bedrijfspand van Moramplastics brand ontstaan. Deze brand heeft zich tot een grote brand ontwikkeld en is overgeslagen naar de naastgelegen opslagloods van [de vennootschap] (hierna: [de vennootschap]). In de loods van [de vennootschap] waren voor de verkoop in Europa bestemde landbouwmachines van Deere opgeslagen. Deze zijn door de brand verwoest. Volgens Deere heeft Moramplastics onrechtmatig gehandeld doordat Moramplastics diverse voorschriften van de aan haar verleende milieuvergunning heeft overtreden en ook anderszins onvoldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de brand zich zou kunnen uitbreiden en zou kunnen overslaan naar de loods van [de vennootschap]. Deere houdt Moramplastics daarom voor de door haar geleden schade aansprakelijk. De rechtbank heeft de daartoe strekkende vordering van Deere ad € 2.250.000,-, vermeerderd met rente, toegewezen, met veroordeling van Moramplastics in de proceskosten. Tegen die beslissing en daaraan ten grondslag liggende overwegingen richten zich de grieven in het hoger beroep.

3.2

Het hof ziet aanleiding eerst de vijfde grief van Moramplastics, die zich richt tegen het oordeel van de rechtbank ter zake van de omvang van de door Deere geleden schade, te beoordelen.

3.3

Bij inleidende dagvaarding in eerste aanleg heeft Deere gesteld dat zij voor de schade als gevolg van het door de brand verloren gaan van haar goederen verzekerd is geweest en dat op grond van deze overeenkomst de verzekeraar gehouden was de schade van Deere te voldoen. Door de schade-experts is de geleden schade vastgesteld op € 10.219.838,16. Uit het door Deere in geding gebrachte rapport van Capita McLarens (productie 6 bij akte houdende overlegging producties in eerste aanleg) volgt dat dit bedrag is samengesteld uit € 10.144.709,17 aan verkoopwaarde van de verloren gegane goederen en € 75.128.99 aan bijkomende kosten (‘removal of debris costs’ en ‘additional cost of air freight’). Op dit bedrag is door de verzekeraar een bedrag van USD 2.000.000,- (wat volgens Deere destijds overeen kwam met € 2.250.000,-) aan eigen risico van Deere op grond van de verzekeringspolis in mindering gebracht. De verzekeraar heeft ter vergoeding van de door Deere geleden schade een bedrag van € 7.969.838,16 aan Deere uitgekeerd. Deere heeft zich, ook bij conclusie van repliek (onder 118), op het standpunt gesteld dat als schadepost resteert het gedeelte van de schade dat door de verzekeraar niet is vergoed, namelijk € 2.250.000,- (het bedrag van het eigen risico), en dat Moramplastics is gehouden om dit gedeelte van de schade te vergoeden. Ook in hoger beroep heeft Deere zich op het standpunt gesteld dat de schade die Deere door het onrechtmatig handelen van Moramplastics heeft geleden enkel bestaat uit het niet aan haar door de verzekeraar uitgekeerde schadebedrag (memorie van antwoord in het incident onder 8, memorie van antwoord onder 5 en pagina 81-82 alsmede pleitaantekeningen onder 8.5).

3.4

Uit deze vordering en de onderbouwing daarvan volgt dat Deere zich op het standpunt stelt dat zij jegens Moramplastics aanspraak heeft op schadevergoeding voor zover de door de brand geleden schade nog niet door de verzekeraar is vergoed. Deere stelt deze resterende schade op een bedrag gelijk aan het door de verzekeraar op de uitkering ingehouden eigen risico. Die redenering kan niet zonder meer worden gevolgd. Bij de beoordeling van de voor Deere eventueel nog resterende schade, zal immers eerst moeten worden vastgesteld wat de totale omvang van de door Deere door de brand geleden schade is. Daarop dient het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag in mindering te worden gebracht. Indien dan nog een positief saldo resteert, betreft dat de (resterende) schade die – veronderstellenderwijs uitgaande van aansprakelijkheid van Moramplastics – door Moramplastics zou moeten worden vergoed. Bij de beoordeling van de schadeomvang in de verhouding tussen Deere en Moramplastics is het hof niet gebonden aan de door de (schade-expert van de) verzekeraar van Deere vastgestelde schadeomvang en daarbij gehanteerde uitgangspunten, alleen al omdat deze vaststelling mede is beïnvloed en bepaald door de inhoud van de verzekeringsovereenkomst (ingevolge deze overeenkomst heeft Deere aanspraak op de verkoopwaarde van de door de brand vernietigde zaken), waarbij Moramplastics geen partij is.

3.5

Bij de beoordeling van de omvang van de door Deere als gevolg van de brand geleden schade, dient als uitgangspunt dat Deere door het verkrijgen van schadevergoeding zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin zij zou hebben verkeerd indien de brand niet zou hebben plaatsgevonden. Tussen partijen is niet in geschil dat de door brand verloren gegane goederen handelsvoorraad van Deere betrof. Het is het meest met de aard van deze schade in overeenstemming om de omvang daarvan te begroten op de kosten die Deere heeft (of zou hebben) moeten maken om deze handelsvoorraad te vervangen. Dit betreft de inkoopkosten van vervangende goederen, eventueel te vermeerderen met bijkomende kosten, zoals kosten van transport. Daarnaast zou Deere ook aanspraak kunnen maken op vergoeding van gederfde winst indien zij als gevolg van de brand minder goederen heeft kunnen verkopen, bijvoorbeeld doordat (een deel van) die voorraad al was verkocht maar door het tijdelijk ontbreken van voldoende voorraad niet geleverd kon worden of doordat er (nieuwe) vraag was naar goederen waaraan door het tijdelijk ontbreken van voldoende voorraad niet kon worden voldaan. Dat Deere als gevolg van de brand minder goederen zoals die ten tijde van de brand in de loods waren opgeslagen heeft kunnen verkopen, is evenwel gesteld noch gebleken. Uit het rapport van Capita McLarens (pagina 3 bovenaan) volgt veeleer dat Deere er in korte tijd in is geslaagd om de benodigde handelsvoorraad (grotendeels) weer aan te vullen. Deere heeft ook niet betwist dat zij ondanks de brand aan haar leveringsverplichtingen kon blijven voldoen. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en ook anders dan voor de verzekeraar van Deere kennelijk op grond van de verzekeringspolis als uitgangspunt heeft gediend, niet de verkoopwaarde (de verkoopprijs minus eventuele kortingen/correcties) van de goederen bepalend is bij de begroting van de schade, maar de inkoopwaarde (inkoopprijs en aanvullende kosten in verband met de inkoop) van vervangende goederen (ook wel aan te duiden als vervangingswaarde). Door het kunnen inkopen van een vervangende handelsvoorraad was Deere immers weer in dezelfde toestand als wanneer de brand niet zou hebben plaatsgevonden.

3.6

Uit het rapport van Capita McLarens volgt dat de verkoopwaarde van de goederen € 10.144.709,17 bedroeg en dat is ook waar Deere zelf van uit gaat. Moramplastics heeft de door Deere gestelde schade betwist en zich daarbij – naar uit het voorgaande blijkt: terecht – op het standpunt gesteld dat niet de verkoopwaarde van de goederen als uitgangspunt geldt bij de begroting van de schade maar de vervangings- of inkoopwaarde. Moramplastics heeft zich gemotiveerd, met een verwijzing naar de aard van de door Deere verhandelde goederen en onderbouwd met een rapport van een expertisebureau (productie 8 bij memorie van grieven), op het standpunt gesteld dat de marge tussen inkoopprijs en verkoopprijs aanzienlijk is en ruwweg 25 - 75% bedraagt. Tegenover deze betwisting door Moramplastics van de door Deere gestelde omvang van de schade, heeft Deere onvoldoende feiten gesteld die concrete aanknopingspunten bieden voor een vaststelling van de inkoopwaarde van de vervangende handelsvoorraad. Dat had wel op haar weg gelegen. Dat artikel 6:97 BW art. 6:97de rechter de vrijheid geeft om bij de begroting van de schade van de gewone regels van stelplicht en bewijslast af te wijken, maakt dat in dit geval niet anders. Moramplastics heeft immers de omvang van de schade gemotiveerd betwist en tot onderwerp van debat gemaakt en zij heeft daarbij bij herhaling aangedrongen (onder meer door het instellen van een vordering ex artikel 843a Rv) op het door Deere in het geding brengen van de benodigde gegevens ter vaststelling van de inkoopwaarde. Mede gelet daarop bestaat er voldoende aanleiding om van Deere te verlangen dat zij haar schade beter had onderbouwd en inzicht had gegeven in de met de inkoop van de vervangende handelsvoorraad gemoeide kosten of in de winstmarge die in de door de verzekeraar gehanteerde verkoopwaarde is verdisconteerd. Nu zij dat niet heeft gedaan, gaat het hof aan het bewijsaanbod van Deere, dat overigens ook niet voldoende concreet is en niet specificeert op welke wijze bewijs zou kunnen worden geleverd, voorbij. Het hof zal bij de vaststelling van de omvang van de schade schattenderwijs, en rekening houdend met de blijkens het rapport van Capita McLarens al op de verkoopprijs toegepaste kortingen en correcties, uitgaan van een marge tussen inkoopwaarde en verkoopwaarde van de goederen van 35%.

3.7

Uitgaande van voornoemde door Deere zelf aangedragen verkoopwaarde van de goederen en een marge van 35% (in die zin dat de verkoopwaarde 135% van de inkoopwaarde bedraagt), bedraagt de inkoopwaarde van de verloren gegane goederen € 7.514.599,39. Indien daarbij worden opgeteld de door Moramplastics niet betwiste, door de verzekeraar in de berekening meegenomen bijkomende kosten ad € 75.128.99, dient de door Deere geleden schade te worden begroot op € 7.589.728,38. Deere heeft gevorderd dat aan haar wordt vergoed de schade voor zover die nog niet door de verzekeraar is vergoed. Nu door de verzekeraar een hoger bedrag (€ 7.969.838,16) is uitgekeerd dan de hiervoor begrote schade, betekent dit dat er geen door Moramplastics aan Deere te vergoeden schade resteert. Het door de verzekeraar op haar uitkering aan Deere in mindering gebrachte eigen risico, betreft - anders dan Deere heeft betoogd - geen schade die Moramplastics zou moeten vergoeden. In de verhouding tussen Moramplastics en Deere is immers niet van belang welk bedrag de verzekeraar op de schade-uitkering in mindering heeft gebracht, maar is slechts relevant welke bedrag de facto aan Deere ter vergoeding van de door haar geleden schade is betaald. Nu dit bedrag hoger is dan de schade zoals die in deze procedure tussen Moramplastics en Deere is begroot, dient de vordering van Deere te worden afgewezen.

3.8

Grief 5 slaagt dus. Aan een beoordeling van de overige grieven en van de aansprakelijkheid van Moramplastics komt het hof daardoor niet toe. Omdat Deere geen schade (meer) heeft die Moramplastics aan haar zou moeten vergoeden, kan - ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de aansprakelijkheid van Moramplastics - de vordering van Deere immers niet worden toegewezen

3.9

De slotsom is dat het hoger beroep slaagt. De bestreden vonnissen zullen worden vernietigd en de vorderingen van Deere zullen alsnog worden afgewezen. Deere zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties, inclusief de kosten van de deskundige in eerste aanleg. De kosten aan de zijde van Moramplastics voor de eerste aanleg worden begroot op:

- griffierecht € 4.732,-

- deskundigenkosten € 15.969,80

- salaris advocaat € 16.055,- (5 punten x tarief VIII)

en voor het hoger beroep op:

  • -

    griffierecht € 4.836,-

  • -

    explootkosten € 79,17

  • -

    salaris advocaat € 13.740,- (3 punten x tarief VIII)

te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en de nakosten.

3.10

Moramplastics heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep verklaard dat zij – in overleg met de wederpartij en na zekerheidsstelling door haar verzekeraar – niets ter voldoening aan de vonnissen in eerste aanleg heeft betaald. Zij mist daardoor belang bij haar vordering tot terugbetaling terzake, zodat die vordering zal worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende hoger beroep:

vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Zutphen van 21 januari 2009, 24 juni 2009, 16 maart 2011 en 9 mei 2012 en opnieuw recht doende:

wijst de vorderingen van Deere af;

veroordeelt Deere in de kosten van beide instanties, tot aan het bestreden eindvonnis aan de zijde van Moramplastics wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 20.701,80 voor verschotten en op € 16.055,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 4.915,17 voor verschotten en op € 13.740,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede te vermeerderen met de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval Deere niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest wat betreft deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders in hoger beroep gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, H. Wammes en A.M.C. Groen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 november 2014.