Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8868

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
200.123.738-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geïntimeerde is tijdens procedure in eerste aanleg door fusie opgegaan in een andere rechtspersoon. Geïntimeerde heeft verzocht de fusie in de administratie te verwerken en appellante zich daar niet tegen heeft verzet. De procedure in hoger beroep wordt voortgezet tegen de bij de fusie verkrijgende rechtspersoon en appellante is ontvankelijk in het hoger beroep.

Incident tot (voorwaardelijke) tussenkomst subsidiair voeging. Tussenkomst strekt er niet om in een geval als dit, waarin de vordering van appellante in eerste aanleg is afgewezen omdat deze, kort gezegd, tegen de verkeerde partij is ingesteld, de juiste partij de gelegenheid te bieden in hoger beroep alsnog haar eigen vordering tot vergoeding van dezelfde kosten op eigen gronden in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2015/4

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.123.738/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 123620/HA ZA 11-16)

arrest van de tweede kamer van 18 november 2014

in het incident tot (voorwaardelijke) tussenkomst, subsidiair voeging, op vordering van:

[X] Onroerend Goed B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in het incident tot (voorwaardelijke) tussenkomst, subsidiair voeging,

hierna: [X] Onroerend Goed,

advocaat mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen,

in de zaak van

[X] Sloopwerken B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante, tevens verweerster in het incident tot (voorwaardelijke) tussenkomst, subsidiair voeging,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [X] Sloopwerken,

advocaat: mr. P. van Wijngaarden, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Univé Stad en Land B.V. als rechtsopvolger onder algemene titel van

[Y] B.V. (hierna: [Y]),

gevestigd te Winschoten,

geïntimeerde, tevens verweerster in het incident tot (voorwaardelijke) tussenkomst, subsidiair voeging,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Univé,

advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers, kantoorhoudend te Rotterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 18 mei 2011, 21 september 2011 en 17 oktober 2012 van de rechtbank Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 januari 2013,

- de incidentele memorie tot (voorwaardelijke) tussenkomst, subsidiair voeging, van [X] Onroerend Goed,

- de antwoordconclusie inzake incidentele memorie tot (voorwaardelijke) tussenkomst, subsidiair voeging, van [X] Sloopwerken;

- de antwoordconclusie in incident van [Y].

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald.

2.3

De vordering van [X] Sloopwerken in de hoofdzaak luidt:

"te vernietigen het vonnis d.d. 17 oktober 2012, door de Rechtbank te Groningen, tussen partijen gewezen, en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van appellante alsnog volledig toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties".

2.4

De incidentele vordering van [X] Onroerend Goed luidt:

"in het tussen [X] Sloopwerken BV als appellante en [Y] BV, thans Univé Stad en Lande BV als geïntimeerde aanhangige rechtsgeding bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, bekend onder het nummer: 200.123.738/01 tussen te komen en te vorderen dat [Y] BV, thans Univé Stad en Lande BV, aan [X] Onroerend Goed BV dient te voldoen, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting bedrag van € 30.373,56, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten, conform Rapport Voorwerk, zijnde een bedrag van € 1.158,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, subsidiair wettelijke rente vanaf 15 februari 2010, althans vanaf de dag van het nemen van deze memorie tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde in de proceskosten althans, subsidiair, zich te voegen aan de zijde van [X] Sloopwerken BV, teneinde met [X] Sloopwerken BV de ingestelde eis staande te houden, met veroordeling van [Y] BV, thans Univé Stad en Lande BV in de proceskosten."

3 Beoordeling

De procespartijen

3.1

[Y] is op 4 januari 2012 door fusie opgegaan in Univé. Daarna is de procedure in eerste aanleg voortgezet tegen [Y] als procespartij, tegen wie het bestreden (eind)vonnis is gewezen. [X] Sloopwerken heeft [Y] in hoger beroep gedagvaard.

3.2

Op grond van artikel 332 Rv kunnen in beginsel slechts partijen bij de procedure in eerste aanleg appel instellen en ook slechts deze partijen worden gedagvaard.

Vaste rechtspraak is dat het instellen van een rechtsmiddel tegen een niet meer bestaande rechtspersoon niet tot niet-ontvankelijkheid hoeft te leiden indien de partij die het rechtsmiddel instelt, niet weet en redelijkerwijs ook niet kan weten dat een rechtsovergang aan de zijde van haar wederpartij heeft plaatsgevonden

(vergelijk Hoge Raad 10 september 2004, ECLI:N:HR: 2004:AO9053).

3.3

De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 december 2013 beslist dat bij de beoordeling of de aanduiding van een procespartij kan worden gewijzigd nadat de procedure in een volgende instantie aanhangig is gemaakt, de volgende regels gelden:

(1) Een procedure dient in een volgende instantie in beginsel plaats te vinden tussen de partijen uit de vorige instantie.

(2) Indien een procedure in een volgende instantie aanhangig is gemaakt, kan een verschenen partij wijziging verzoeken van haar aanduiding in de procedure op de grond dat een vergissing is begaan in die aanduiding of een partijwisseling heeft plaatsgevonden;

(3) Het verzoek is toewijsbaar, tenzij de wederpartij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad;

(4) Indien de wederpartij niet in de door het rechtsmiddel ingeleide procedure is verschenen, beveelt de rechter dat zij wordt opgeroepen teneinde zich over het verzoek tot wijziging uit te laten (Hoge Raad 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881).

3.4

[Y] heeft in onderdeel 3 van de antwoordconclusie in incident het hof verzocht om de fusie "in de administratie te verwerken". Het hof stelt vast dat [X] Sloopwerken zich daar niet tegen heeft verzet. Gelet op het hiervoor onder 3.2 en 3.3 overwogene brengt dit het hof tot het oordeel dat de procedure in hoger beroep wordt gevoerd tegen Univé en dat [X] Sloopwerken ontvankelijk is in het hoger beroep.

In het incident tot (voorwaardelijke) tussenkomst subsidiair voeging

3.5

[X] Onroerend Goed is eigenaar van het bedrijfsterrein aan de [straat] [nummer 1] en [nummer 2] in [vestigingsplaats]. Op 19 oktober 2009 is brand uitgebroken in de naastgelegen bedrijfsgebouwen van [Z] Beheer B.V. aan de [adres] te [vestigingsplaats]. Tijdens de brand zijn asbestdelen vrijgekomen die op het perceel van [X] Onroerend Goed zijn beland.

3.6

[X] Onroerend Goed is tegen brandschade verzekerd bij Aegon Schadeverzekering N.V. (hierna: Aegon). Bij de totstandkoming van deze verzekeringsovereenkomst trad [Y] op als tussenpersoon.

3.7

Op 20 oktober 2008 heeft [X] Onroerend Goed de door haar ten gevolge van de brand geleden schade bij [Y] gemeld.

3.8

[Y] heeft Aegon op 20 oktober 2008 een schadeaangifteformulier doen toekomen. Aegon heeft aan een medewerker van [Y] verklaard dat de opruimkosten van het asbest door de verzekering gedekt zouden worden. Vervolgens heeft [Y] die informatie doorgegeven aan de heer [X], directeur van zowel [X] Sloopwerken als [X] Onroerend Goed.

3.9

Op of omstreeks 21 oktober 2008 heeft [X] Sloopwerken de opruimwerkzaamheden op het perceel van [X] Onroerend Goed uitgevoerd.

3.10

Op 22 oktober 2008 heeft Aegon aan [Y] meegedeeld dat de door [X] Onroerend Goed geleden schade door asbestvervuiling van verzekeringsdekking is uitgesloten omdat dit het gevolg is van een brand op een ander perceel dan dat van [X] Onroerend Goed.

3.11

[X] Sloopwerken heeft op 28 november 2008 een factuur voor de door haar verrichte opruimwerkzaamheden voor een bedrag van € 42.422,60 inclusief btw verzonden aan [Y]. Op 31 december 2008 heeft [X] Sloopwerken een creditnota gestuurd groot € 6.722,60 inclusief btw. [X] Sloopwerken heeft inmiddels van Aegon een bedrag van € 4.476,- ontvangen.

3.12

[X] Sloopwerken heeft [Y] op 7 december 2010 voor de rechtbank gedagvaard en - samengevat weergegeven - gevorderd om [Y] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 30.373,56, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente, met veroordeling in de proceskosten.

3.13

Bij vonnis in incident van 18 mei 2011 is het aan [Y] toegestaan om Aegon in vrijwaring op te roepen.

3.14

Bij het bestreden vonnis in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak van 17 oktober 2012 heeft de rechtbank in de hoofdzaak geoordeeld dat de vordering van [X] Sloopwerken, gebaseerd op een door of namens [Y] verstrekte opdracht aan haar, niet is komen vast te staan en dat haar vordering op grond van onrechtmatig handelen eveneens strandt omdat niet valt in te zien welk schadeplichtig handelen [X] Sloopwerken [Y] kan verwijten. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis overwogen:

"Veeleer ligt het in de rede dat SOG (hof: [X] Onroerend Goed) als opdrachtgever of belanghebbende de werkzaamheden aan haar (hof: [X] Sloopwerken) vergoedt en vervolgens [Y] en/of Aegon aanspreekt op (niet nagekomen) verzekeringsdekking."

De rechtbank heeft in de hoofdzaak de vorderingen van [X] Sloopwerken afgewezen met veroordeling van [X] Sloopwerken in de proceskosten aan de zijde van

[Y] en heeft in de vrijwaringszaak het gevorderde afgewezen met veroordeling van [Y] in de proceskosten van Aegon.

3.15

[X] Onroerend Goed heeft (voorwaardelijk) gevorderd te mogen tussenkomen in de onderhavige procedure subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van

[X] Sloopwerken.

3.16

[X] Onroerend Goed heeft als belang bij haar (voorwaardelijke) tussenkomst subsidiair voeging aangevoerd dat zij er rekening mee dient te houden dat in hoger beroep wordt geoordeeld dat de mededeling van [Y] aan directeur [X] dat er verzekeringsdekking was voor de opruimwerkzaamheden en dat de opruimwerkzaamheden konden worden uitgevoerd, niet is gedaan aan [X] Sloopwerken, maar aan [X] Onroerend Goed, zodat [X] Onroerend Goed een vordering heeft op [Y] en [X] Sloopwerken niet. Zij wenst met haar eigen vordering tussen te komen in de procedure. Subsidiair wenst zij zich (voorwaardelijk) te voegen aan de zijde van

[X] Sloopwerken, nu vaststaat dat Univé ofwel aan haar of aan [X] Sloopwerken moet voldoen. [X] Onroerend Goed heeft haar vordering tot tussenkomst dan wel voeging ingesteld onder de voorwaarde dat in hoger beroep wordt aangenomen dat [X] Sloopwerken geen vordering heeft jegens Univé omdat de genoemde mededeling van

[Y] niet aan haar is gedaan.

3.17

[X] Sloopwerken heeft verzocht de door [X] Onroerend Goed gevorderde voorwaardelijke tussenkomst dan wel voeging toe te staan.

3.18

Univé heeft zich hiertegen verzet. Zij heeft aangevoerd dat de uitkomst van deze procedure alleen rechtskracht heeft tussen [X] Sloopwerken en Univé en de rechtspositie van [X] Onroerend Goed niet nadelig kan beïnvloeden. Ondanks dat dit volgens de rechtbank veeleer in de rede lag, is [X] niet (ook) overgegaan tot het voeren van een afzonderlijke procedure namens [X] Onroerend Goed. Thans wordt geprobeerd om [X] Onroerend Goed als (voorwaardelijk) eiseres in hoger beroep op te voeren. Tussenkomst dient volgens Univé niet als herstelmiddel voor foutief procederen. Bovendien zou Univé door de tussenkomst in haar belangen worden benadeeld, omdat haar een feitelijke instantie wordt onthouden en zij ten aanzien van de gestelde vordering van [X] Onroerend Goed niet Aegon voor het eerst in hoger beroep in vrijwaring mag oproepen.

3.19

Van voeging kan volgens Univé evenmin sprake zijn. Zij begrijpt niet wat [X] Onroerend Goed beoogt met de voorwaardelijke voeging. Voorts heeft [X] Onroerend Goed niet gemotiveerd gesteld wat haar belang daarbij is. Uit de stellingen van [X] Onroerend Goed volgt niet dat zij zich conformeert aan de procespositie van [X] Sloopwerken, aldus nog steeds Univé.

3.20

Het hof overweegt als volgt.

3.21

De tijdig gedane incidentele vordering tot (voorwaardelijke) tussenkomst subsidiair tot voeging dient beoordeeld te worden aan de hand van het bepaalde in artikel 217 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), op grond waarvan een ieder die een belang heeft bij een tussen partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen.

3.22

Het hof begrijpt de voorwaarde waaronder [X] Onroerend Goed haar vordering tot tussenkomst subsidiair voeging heeft ingesteld aldus dat het verzoek tot tussenkomst subsidiair voeging onvoorwaardelijk is gedaan en dat het hof pas heeft te oordelen over de vordering van [X] Onroerend Goed indien zij de vordering van [X] Sloopwerken niet toewijsbaar acht.

3.23

Een partij kan op de voet van art. 217 Rv in een aanhangig geding vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel in te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan (vergelijk Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768 en Hoge Raad 14 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2833).

3.24

Het hof overweegt dat [X] Onroerend Goed niet heeft onderbouwd in welk opzicht haar (rechts)positie zou kunnen worden benadeeld door de uitspraak in de procedure tussen [X] Sloopwerken en Univé. [X] Onroerend Goed wil door middel van tussenkomst in hoger beroep een eigen vordering tot vergoeding van de opruimkosten jegens Univé instellen, uitsluitend voor het geval de vordering van [X] Sloopwerken jegens Univé tot vergoeding van dezelfde opruimkosten ook in hoger beroep niet toewijsbaar mocht worden geacht. Indien de vordering van [X] Sloopwerken in hoger beroep alsnog wordt toegewezen, heeft [X] Onroerend Goed derhalve bereikt wat zij wil.

Mocht de vordering van [X] Sloopwerken in hoger beroep (eveneens) niet toewijsbaar worden bevonden, dan heeft [X] Onroerend Goed niet onderbouwd welke nadelige gevolgen dit kan hebben voor haar eigen vordering, noch is dit gebleken. Tussenkomst strekt er niet om in een geval als dit, waarin de vordering van [X] Sloopwerken in eerste aanleg is afgewezen omdat deze, kort gezegd, tegen de verkeerde partij is ingesteld, [X] Onroerend Goed (kort gezegd: de juiste partij) de gelegenheid te bieden in hoger beroep alsnog haar eigen vordering tot vergoeding van diezelfde opruimkosten op eigen gronden in te dienen.

3.25

Daarnaast onderschrijft het hof dat Univé door de tussenkomst in haar belangen zou worden benadeeld, omdat haar een feitelijke instantie wordt onthouden en zij ten aanzien van de gestelde vordering van [X] Onroerend Goed niet Aegon voor het eerst in hoger beroep in vrijwaring mag oproepen.

3.26

De incidentele vordering tot tussenkomst zal daarom worden afgewezen.

3.27

Voor het aannemen van een belang tot voeging is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden (vergelijk Hoge Raad 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC6692).

3.28

[X] Onroerend Goed heeft als belang voor voeging aan de zijde van [X] Sloopwerken aangevoerd dat vaststaat dat Univé ofwel aan [X] Sloopwerken ofwel aan haar moet voldoen. Het hof overweegt dat [X] Onroerend Goed aldus niet voldoende heeft toegelicht waarom de uitkomst van de procedure tussen Univé en [X] Sloopwerken haar eigen rechtspositie nadelig zou kunnen beïnvloeden, en dat zij daarmee onvoldoende haar belang bij voeging heeft gesteld.

3.29

De incidentele vordering tot voeging zal daarom eveneens worden afgewezen.

3.30

Als de jegens Univé in het ongelijk te stellen partij zal [X] Onroerend Goed in de kosten van dit incident worden veroordeeld aan de zijde van Univé (begroot op: salaris advocaat: 1 punt x tarief III ad € 1.158,-).

In de hoofdzaak

3.31

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor voortprocederen.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het incident tot (voorwaardelijke) tussenkomst subsidiair voeging:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [X] Onroerend Goed in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Univé vastgesteld op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 6 januari 2015 voor memorie van grieven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. B.J.H. Hofstee en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

18 november 2014.