Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8845

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
13/01178 en 13/01179
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:3889, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Winstcorrectie ter zake van inkoopkortingen terecht? Bewijslastverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2794
V-N Vandaag 2014/2469
V-N 2015/12.17.34
mr.drs. R. Steenman annotatie in NTFR 2015/394

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 13/01178 en 13/01179

Uitspraakdatum: 18 november 2014

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur),

en de incidentele hoger beroepen van

[X] BV, gevestigd te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 17 oktober 2013, nummer AWB 12/3943 en nummer AWB 13/1399, in de gedingen tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbare winst van € 521.942. Daarbij is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 21.072. Verder is een verzuimboete van € 794 opgelegd vanwege het niet tijdig doen van de aangifte.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbare winst van € 492.624. Daarbij is een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 14.681.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van respectievelijk 27 juni 2012 en
9 april 2013 de aanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de verzuimboete gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen.

1.5.

De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 17 oktober 2013, nummer AWB 12/3943, het beroep inzake de aanslag vennootschapsbelasting 2007 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbare winst van € 21.942, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd en de verzuimboete verminderd tot € 113.

1.6.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 17 oktober 2013, nummer AWB 13/1399, het beroep inzake de aanslag vennootschapsbelasting 2008 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbare winst van € 92.624, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd en het door de Inspecteur verschuldigde bedrag aan dwangsom vastgesteld op € 280.

1.7.

De Inspecteur heeft bij brieven van 14 november 2013, ingekomen bij het Hof op
18 november 2013, tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.8.

De Inspecteur heeft bij brieven van 19 december 2013 de gronden van het hoger beroep toegestuurd. In deze brieven heeft de Inspecteur zich beroepen op geheimhouding of beperking van de kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb.

1.9.

Belanghebbende heeft bij brief van 24 januari 2014 gereageerd op het beroep van de Inspecteur op artikel 8:29 Awb.

1.10.

De mondelinge behandeling door het Hof heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014 te Arnhem. De zaken met de nummers 13/01178 en 13/01179 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is daar vertegenwoordigd door mr. [A], advocaat te [L]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B], mr. [C] en
mr. [D].

1.11.

Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De Inspecteur heeft ter zitting zijn beroep op artikel 8:29 Awb ingetrokken. Het Hof heeft daarop het onderzoek ter zitting geschorst.

1.12.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 26 mei 2014 aan partijen is toegezonden.

1.13.

De griffier heeft bij brief van 26 mei 2014 de stukken die door de Inspecteur met een beroep op artikel 8:29 Awb waren ingebracht, aan belanghebbende toegestuurd.

1.14.

De Inspecteur heeft bij brief van 25 juni 2014 de gronden van de hoger beroepen toegestuurd.

1.15.

Belanghebbende heeft op 7 augustus 2014 verweerschriften ingediend en daarbij incidenteel hoger beroepen ingesteld.

1.16.

De Inspecteur heeft bij brief van 4 september 2014 gereageerd op de incidentele hoger beroepen.

1.17.

Belanghebbende heeft op 23 september 2014 nadere stukken ingediend.

1.18.

De nadere mondelinge behandeling door het Hof heeft plaatsgevonden op
8 oktober 2014 te Arnhem. De zaken met de nummers 13/01178 en 13/01179 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is daar vertegenwoordigd door mr. [A], advocaat te [L]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B],
mr. [C], mr. [D] en [E].

1.19.

Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota toegestuurd aan het Hof en de Inspecteur. Deze pleitnota wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende nog een andere pleitnota voorgedragen en overgelegd. Ook de Inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.20.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

De heer [F] (hierna: [F]) is directeur en grootaandeelhouder van belanghebbende.

2.2.

Bij de Inspecteur bestaat het vermoeden dat belanghebbende en/of [F] beschikken over, kort gezegd, buitenlandse bankrekeningen en (andere) buitenlandse vermogensbestanddelen die door hen niet jegens de Nederlandse fiscus zijn verantwoord. In verband hiermee heeft de Inspecteur belanghebbende op de voet van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gevraagd de benodigde inlichtingen en gegevens te verstrekken.

2.3.

Omdat die inlichtingen en gegevens in de ogen van de Inspecteur niet door belanghebbende zijn verstrekt, heeft de Inspecteur (althans de Staat der Nederlanden) een kort geding tegen belanghebbende aangespannen bij de burgerlijke rechter. Bij vonnis in kort geding van 27 oktober 2011 van de Rechtbank Arnhem heeft de voorzieningenrechter de vordering van de Inspecteur tot, kort gezegd, het doen van opgave van buitenlandse bankrekeningen en (andere) buitenlandse vermogensbestanddelen op straffe van een dwangsom toegewezen. Tegen dit vonnis heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof (afdeling civiel recht).

2.4.

Op 13 augustus 2013 heeft het Hof (afdeling civiel recht) beslist op het hoger beroep (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2013, nummers 200.098.656 en 200.098.665, ECLI:NL:GHARL:2013:6394). Kort gezegd heeft het Hof beslist dat belanghebbende, met bepaalde restricties, informatie dient te verschaffen aan de Inspecteur met betrekking tot de door de Inspecteur gestelde buitenlandse vermogensbestanddelen. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie aangetekend.

2.5.

De Inspecteur heeft aanslagen vennootschapsbelasting 2007 en 2008 ter behoud van rechten opgelegd. De Inspecteur heeft de belastbare winst gecorrigeerd met een bedrag van respectievelijk € 500.000 (2007) en € 400.000 (2008). Deze correcties hebben betrekking op veronderstelde inkoopkortingen (van 5%) die door belanghebbende stelselmatig zouden zijn bedongen bij leveranciers, zonder dat deze kortingen in belanghebbendes administratie zijn verwerkt. De totale inkoop van belanghebbende – zowel de inkoop bij binnenlandse als buitenlandse leveranciers – heeft in 2007 en 2008 respectievelijk € 9.765.576 en € 8.228.918 bedragen.

2.6.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur geen informatiebeschikking heeft gegeven en dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan, zodat de bewijslast niet kan worden omgekeerd en verzwaard. Vervolgens heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur de correcties niet aannemelijk heeft gemaakt. De Rechtbank heeft derhalve de belastbare winst verminderd tot respectievelijk € 21.942 (2007) en € 92.624 (2008). Verder heeft de Rechtbank de verzuimboete (2007) verminderd tot € 113 en een dwangsom (2008) toegekend van € 280 wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

2.7.

In hoger beroep heeft de Inspecteur gesteld dat belanghebbende in de onderhavige jaren 2007 en 2008 inkoopkortingen heeft bedongen, dat deze kortingen steeds 5% van de inkoop hebben bedragen, dat deze inkoopkortingen ten goede zijn gekomen aan belanghebbendes grootaandeelhouder [F] en dat deze inkoopkortingen tot de belastbare winst van belanghebbende moeten worden gerekend. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft de Inspecteur in hoger beroep stukken ingebracht.

2.8.

Tot deze stukken behoort onder meer een brief van de Oostenrijkse belastingautoriteiten van 15 juli 2005 met bijlagen, alsmede een mailbericht van de Italiaanse belastingautoriteiten van 14 april 2010 met bijlagen.

2.9.

De Oostenrijkse belastingautoriteiten hebben in de brief van 15 juli 2005 het volgende geschreven:

“In Entsprechnung Ihres Ansuchens vom 18.1.2005 übermitteln wir Ihnen anbei die von Ihnen angeforderten Unterlagen der Fa. [G] GmbH (…).

Die Firma [H] B.V. [Z] scheint bei der Firma [G] Industriebetriebe GmbH als Kunde auf und es wurden Aluminiumprofile an diese Firma geliefert. Als Beilage senden wir Ihnen das entsprechende Kundenkonto für den Zeitraum 1997-2005.

Als Lieferant scheint die Firma [X] B.V. auf. Im Zeitraum 1997 bis 2003 wurden drei Rechnungen gestellt, die jedoch immer auf ein anderes Konto überwiesen wurden. Die Rechnungskopien und die dazugehörigen Zahlungsbelege werden ebenfalls an Sie weitergeleitet.”

2.10.

Als bijlage bij voornoemde brief van 15 juli 2005 zijn facturen van belanghebbende aan [G] GmbH (hierna: [G] GmbH) gevoegd van 13 december 2000, 26 juni 2002 en 31 december 2002, alsmede bewijzen van overboeking uit de administratie van [G].

2.11.

Op de factuur van 13 december 2000 is het volgende vermeld:

“Commercial Promotion activities for the different [H] Companies as agreed with you. For the period until 01 januari 2000 until 01-08-2000 Dfl 19.969,95.

Transfer this money in favour of [F] bankaccount nr [0000000] of Banco Espirito Santo (...) Portugal”

2.12.

Op de factuur van 26 juni 2002 is het volgende vermeld:

“Commercial Promotion activities for the different [H] Companies as agreed with you. For the period until 01-01-2001 until 31-12-01 [Hof: deze datum is doorgestreept en met de hand is bijgeschreven “30.11.01”] EURO 9645,-

of ING Bank Luxembourg

Bankaccountnumber: [0000001] EUR”

2.13.

Op de factuur van 31 december 2002 is het volgende vermeld:

“Commercial Promotion activities for the different [H] Companies as agreed with you. For the period until 01-01-2002 until 31-12-2002 EURO 12957,-

Payment must be done to:

Banque et Caisse d’epargne de l’etat (…)

Sue le compte de Banque Colbert Luxembourg SA

Numero [0000002]

En faveur numero: [0000003]”

2.14.

De Italiaanse belastingautoriteiten hebben in het mailbericht van 14 april 2010 onder meer het volgende geschreven:

“Your Ref.: letter dated 2 April 2010-04-14

no. (...)

SUBJECT: exchange of information concerning [I] and Mr. [F] and [X] BV

Dear (…)

I write further to my letter no. 2009/163374 sent you on Nov 06, 2009 04:13 PM by CCN Mail and now I am able to provide the following final report on the relations between the Italian company [I] (... Verona) and Mr [F].

As from the inquiry carried out by our local office, a collaboration agreement was signed between [I] and Mr [F] on 20 June 2001. According to this agreement Mr [F] received commissions equal to 5% on the total amount of [I]’s sales, corresponding to the invoices iussed.

[I]’s legal representative, Mr [J], declared that, in 2000, there were not commercial relations with Mr [F] or with [X] BV, whereas in the following years, 2002-2008, commercial relations took place, as follows:

Year Number and date (...) Amount Ledger account posted to Mr. [F]

2002 No. 2001-001 dated 1.5.2002 € 23.403,21

No. 2002-01 dated 4.7.2002 € 37.216,80

No. 2002-02 dated 31.12.2002 € 26.460,61

2003 No. 1 dated 7.7.2003 € 27.180,90

2004 No. 2 dated 31.12.2003 € 19.159,91

No. 1 dated 25.8.2004 € 18.475,42

2007 and 2008 Ledger account posted to [X] BV

No. 2007-01 dated 26.3.2007 € 67.332,03

No. 2007-02 dated 30.6.2007 € 87.075,35

No. 2008-01 dated 30.9.2008 € 50.147,67

No. 2008-02 dated 30.9.2008 € 16.742,34”

2.15.

Als bijlagen bij voornoemd mailbericht zijn stukken meegestuurd die zijn verkregen uit de administratie van [I], waaronder overeenkomsten met [F], facturen van [F], bankafschriften, bankopdrachten en overzichten van het bankboek.

2.16.

Zo is een samenwerkingsovereenkomst tussen [F] en [I] van
20 juni 2001 meegestuurd, waarin onder meer het volgende is bepaald:

“Considering that:

- [I] is a manufacturer of waterproofing membranes

- [ [F]] is an expert, with many contacts in this sector

They state the following:

- [ [F]] or other delegated companies by him will promote the purchases of [I] products starting from 20th June 2001

- He will arrange meetings and visits to support these purchases

- He will technically assist the buyers of [H] Group

To cover the above [I] will grant a 5% (five) percentage on the net ex-works sales of waterproofing membranes invoiced to [H] group and collected by [I]

This percentage will be settled at least twice in a year on presentation of [[F]] or delegated companies’s invoices payable where he will indicate.

This agreement will be valid until [I] will supply the companies of [H] Group. “

2.17.

Bij brief van 22 januari 2004 heeft [F] het volgende aan [I] geschreven:

“Dear Sirs,

I wish to inform you about my wish to terminate our “collaboration agreement” dated 2001 20th June since 2004 31st May.

I size this occasion to confirm you I have received and fully settled all matured amount on last 2003 31st December, according to our agreement, and I haven’t anything to claim.”

2.18.

Op de facturen die [F] in de jaren 2002 tot en met 2004 aan [I] heeft gestuurd, is het volgende vermeld:

“Commercial and sales activities to the different [H] Companies as agreed with Collaboration Agreement dated 20 june 2001 for the period (...) until (...) EURO (...)

[I] heeft bedragen overgeboekt naar bankrekening [0000001] bij ING Bank Luxembourg en bankrekening [0000002] bij Banque Colbert Luxembourg SA.

2.19.

Verder zijn overzichten van het bankboek van [I] bijgevoegd waaruit zou blijken dat [I] in 2004 en 2005 contante betalingen heeft gedaan aan met belanghebbende gelieerde vennootschappen.

2.20.

Op de facturen die belanghebbende in 2007 en 2008 aan [I] heeft gestuurd, is het volgende vermeld:

“We invoice you as per our agreement of january 2006: Euro (...)

Please pay this invoice on the following bankaccount:

F. van Lanschot Bankiers

(...) [L] (Hollanda)

Accountnr. [0000004]

Uit bankopdrachten blijkt dat [I] deze facturen heeft betaald door overboeking. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende – zonder dat de Inspecteur daartegen bezwaar heeft gemaakt – bankafschriften van Van Lanschot Bankiers ingebracht waaruit blijkt dat deze betalingen door [I] zijn geboekt op haar bankrekening [0000004], alsmede stukken waaruit volgens belanghebbende blijkt – hetgeen door de Inspecteur ter zitting is bevestigd – dat deze overboekingen in belanghebbendes administratie zijn verwerkt.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen vennootschapsbelasting 2007 en 2008 de winst van belanghebbende terecht heeft verhoogd met door belanghebbende bedongen inkoopkortingen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Verder is de dwangsom in geschil.

3.3.

Beide partijen hebben ter zitting bevestigd dat de verzuimboete van € 113 niet in geschil is.

3.4.

Belanghebbende betoogt in de incidentele hoger beroepen dat de Rechtbank ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding heeft toegekend.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank behoudens de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van de bij de Rechtbank ingestelde beroepen.

4 Overwegingen

Bewijsaanbod

4.1.

In onderdeel 22 van haar verweerschrift in hoger beroep heeft belanghebbende aangeboden bewijs te leveren van de in 2007 en 2008 gedane inkopen, indien het Hof tot het (voorlopige) oordeel zou komen dat belanghebbende gehouden is tot het leveren van bewijs. Het Hof heeft deze opmerking opgevat als een voorwaardelijk bewijsaanbod.

4.2.

Het strookt niet met het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om een bestuursrechter gehouden te achten een tussenbeslissing te geven omtrent de bewijslastverdeling. Nu een voorwaardelijk bewijsaanbod is gedaan, kan het Hof volstaan met de mededeling dat hij belanghebbende gelegenheid biedt tot uitvoering van het bewijsaanbod (vgl. HR 17 december 2004, nr. 38.831, ECLI:NL:HR:1999:AA2932 en
HR 19 september 2014, nr. 13/02558, ECLI:NL:HR:2014:2707). Om die reden heeft de griffier bij brief van 1 oktober 2014 belanghebbende erop gewezen dat zij bewijs mag leveren. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid tot uitvoering van het bewijsaanbod.

Bewijslast

4.3.

De bewijslast met betrekking tot de stelling van de Inspecteur dat de door belanghebbende bedongen inkoopkortingen niet aan belanghebbende maar aan haar grootaandeelhouder ten goede zijn gekomen, rust bij de Inspecteur.

4.4.

Op grond van artikel 27j, tweede lid, in samenhang met artikel 27e, aanhef en letter a, AWR wordt de bewijslast echter omgekeerd en verzwaard – deze komt dan bij belanghebbende te rusten – als belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende voor de onderhavige jaren 2007 en 2008 de vereiste aangiften vennootschapsbelasting niet gedaan, zodat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.

4.5.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. HR 9 november 2012, nr. 11/04578, ECLI:NL:HR:2012:BY2665).

Bewijsvermoeden

4.6.

Gelet op het vorenstaande dient de Inspecteur de feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat belanghebbende voor de onderhavige jaren 2007 en 2008 de vereiste aangiften vennootschapsbelasting niet heeft gedaan. De Inspecteur kan met gebruik van een bewijsvermoeden voldoen aan deze op hem rustende bewijslast.

4.7.

De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een zodanig vermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd
(vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 36898, ECLI:NL:HR:2002:AE9354 en HR 28 juni 2013,
nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63).

4.8.

Volgens de Inspecteur is het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende in 2007 en 2008 inkoopkortingen heeft bedongen die aan haar grootaandeelhouder ten goede zijn gekomen, zodat belanghebbende voor deze jaren de vereiste aangiften vennootschapsbelasting niet heeft gedaan. Dit vermoeden is volgens de Inspecteur gebaseerd op de volgende feiten:

  • -

    [F] heeft medio 2006 ten overstaan van de controlemedewerker [E] toegegeven dat hij over buitenlandse bankrekeningen heeft beschikt die buiten het zicht van de fiscus zijn gehouden;

  • -

    Tot 2003 heeft [G] GmbH betalingen verricht aan [F] op bankrekeningen van [F] (zie 2.9 e.v.);

  • -

    Van 2002 tot en met 2004 heeft [I] betalingen verricht aan [F] op bankrekeningen van [F] (zie 2.18);

  • -

    In 2004 en 2005 heeft [I] contante betalingen gedaan aan met belanghebbende gelieerde vennootschappen (zie 2.19);

  • -

    Ook vanaf 2006 zijn er nog afspraken gemaakt tussen belanghebbende en [I]; zie de facturen uit 2007 en 2008 van belanghebbende aan [I] waarin wordt gerefereerd aan een overeenkomst van januari 2006 (zie 2.20);

  • -

    De gemachtigde van belanghebbende heeft naar de landsadvocaat onjuist verklaard dat geen inkoopkortingen in de administratie van belanghebbende zijn verwerkt.

4.9.

Naar het oordeel van het Hof rechtvaardigen vorenstaande feiten niet het vermoeden dat belanghebbende in 2007 en 2008 inkoopkortingen heeft bedongen die niet in haar aangiften vennootschapbelasting zijn begrepen. Voornoemde feiten hebben immers betrekking op eerdere jaren zonder dat er voldoende grond is om aan te nemen dat de feitelijke situatie in die jaren een vergelijkbaar beeld vertoont met die in de onderhavige jaren 2007 en 2008. Verder laat het Hof zwaar meewegen dat de inkoopkortingen die in 2007 en 2008 door belanghebbende zijn bedongen, door haar zijn gefactureerd en op haar Nederlandse bankrekening zijn ontvangen en zijn verwerkt in haar administratie (zie 2.20). Het bewijs dat belanghebbende in 2007 en 2008 onjuiste aangiften vennootschapsbelasting heeft gedaan, kan derhalve niet worden ontleend aan een bewijsvermoeden. Nu de Inspecteur ook op andere wijze daarvoor geen bewijs heeft geleverd, is omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde.

4.10.

Op de Inspecteur rust dan de (normale) bewijslast feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat belanghebbende in 2007 en 2008 inkoopkortingen van respectievelijk
€ 500.000 (2007) en € 400.000 (2008) heeft genoten die niet in haar belastbare winst zijn begrepen. Anders dan de Inspecteur voorstaat, kan ook dit bewijs niet worden ontleend aan een bewijsvermoeden op basis van de onder 4.8 genoemde feiten. Ook op andere wijze heeft de Inspecteur geen bewijs geleverd voor de juistheid van deze correcties. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

4.11.

Gelet op het vorenstaande overweegt het Hof het volgende ten overvloede. Zelfs al zou – zoals de Inspecteur betoogt – de bewijslast bij belanghebbende rusten op de grond dat zij de inkopen op een te hoog bedrag heeft gesteld door geen rekening te houden met de ontvangen inkoopkortingen, dan nog acht het Hof belanghebbende geslaagd in haar bewijs. Vaststaat immers dat belanghebbende in 2007 en 2008 ter zake van deze inkoopkortingen zelf facturen aan haar leverancier [I] heeft gestuurd, dat deze facturen zijn betaald door overboeking op een Nederlandse bankrekening van belanghebbende en dat deze betalingen in belanghebbendes administratie zijn verwerkt (zie 2.20). Gelet daarop acht het Hof aannemelijk dat de in de jaren 2007 en 2008 bedongen inkoopkortingen door belanghebbende op haar kosten in mindering zijn gebracht, te meer daar de Inspecteur voor deze jaren geen contra-indicaties heeft aangevoerd. Ook bij een andere bewijslastverdeling zou het gelijk derhalve aan belanghebbende zijn.

Terugwijzen naar Rechtbank

4.12.

In hoger beroep heeft de Inspecteur na intrekking van zijn beroep op artikel 8:29 Awb, nadere bewijsstukken ingebracht. Volgens belanghebbende dient dit mee te brengen dat onderhavige zaken worden teruggewezen naar de Rechtbank voor een nieuwe behandeling van deze zaken.

4.13.

In het verweerschrift heeft belanghebbende vermeld dat als de door de Inspecteur ingebrachte bewijsstukken niet het bewijs leveren dat de correcties terecht zijn opgelegd, het Hof deze zaken kan afdoen zonder terugwijzing. Nu daarvan sprake is, behoeft belanghebbendes verzoek om terugwijzing geen behandeling.

Stukken van het geding

4.14.

Belanghebbende klaagt over schending van het bepaalde in artikel 8:42, lid 1, Awb. Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Volgens belanghebbende behoeft aan deze schending echter geen gevolg te worden verbonden als het Hof haar voor wat betreft de correcties in het gelijk stelt. Nu daarvan sprake is, behoeft belanghebbendes betoog over schending van artikel 8:42 Awb geen behandeling.

Dwangsom 2008

4.15.

De Rechtbank heeft terecht overwogen dat de Inspecteur op 11 maart 2013 een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen, dat de Inspecteur mitsdien uiterlijk op
25 maart 2013 op belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2008 diende te beslissen, dat de Inspecteur pas op 9 april 2013 op het bezwaar heeft beslist, en dat de Inspecteur derhalve over de periode van 26 maart 2013 tot en met 9 april 2013 een dwangsom verbeurt van 14 x € 20, ofwel € 280.

4.16.

Evenals de Rechtbank is ook het Hof van oordeel dat de termijn voor het beslissen op bezwaar niet op grond van artikel 7:14 jo artikel 4:15, lid 2, aanhef en letter b, Awb is opgeschort door de (weigerachtige) houding van belanghebbende om geen stukken te verstrekken. Niet valt immers in te zien dat de Inspecteur niet op het bezwaar kan beslissen in het geval belanghebbende geen stukken verstrekt. De vertraging kan derhalve niet aan belanghebbende worden toegerekend. De Rechtbank heeft terecht het door de Inspecteur verschuldigde bedrag aan dwangsom vastgesteld op € 280.

4.17.

Belanghebbende heeft eerst in zijn pleitnota betoogd dat de dwangsom op een hoger bedrag van € 550 vastgesteld moet worden. Nadat belanghebbende ter zitting is voorgehouden dat een dergelijk standpunt bij het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht had moeten worden, heeft zij dit standpunt laten varen.

Heffingsrente

4.18.

De hoger beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de aanslagen niet verder worden verminderd, is er ook geen aanleiding voor een verdere vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

Incidenteel hoger beroep: proceskosten

4.19.

Belanghebbende betoogt in de incidentele hoger beroepen dat de Rechtbank ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding heeft toegekend. Ook het Hof vindt geen aanleiding voor een integrale vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van rechtsbijstand. De Inspecteur treft immers niet het verwijt dat hij een beschikking heeft gegeven of uitspraak heeft gedaan terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, nr. 41.235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Evenmin is sprake van in vergaande mate onzorgvuldig handelen door de Inspecteur (vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Dat de Inspecteur zijn beroep op artikel 8:29 Awb op enig moment in de procedure heeft ingetrokken, brengt niet mee dat de Inspecteur daarmee naar het oordeel van het Hof in een zodanig vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld dat dit aanleiding zou zijn voor het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding.

4.20.

Verder beroept belanghebbende zich erop dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door in de bezwaar- en beroepsfase te stellen dat hij over niet meer stukken beschikte dan waren overgelegd, terwijl hij wist dat er meer stukken waren. Anders dan belanghebbende betoogt, heeft de Inspecteur dit niet gesteld. De Inspecteur heeft in die fase van de procedure aan belanghebbende slechts meegedeeld dat hij niet alle informatie zal inbrengen omdat dit calculerend gedrag van belanghebbende in de hand zou werken. Het Hof acht dit niet in vergaande mate onzorgvuldig. Ook de omstandigheid dat de Inspecteur naar aanleiding van de informatie van de Italiaanse belastingautoriteiten over de onderhavige jaren 2007 en 2008 geen boekenonderzoek bij belanghebbende heeft verricht, brengt niet mee dat de Inspecteur in een zodanig vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld dat een integrale proceskostenvergoeding gerechtvaardigd is.

4.21.

Anders dan belanghebbende betoogt, is voor een (integrale) vergoeding van proceskosten langs de weg van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 Awb (oud) of artikel 8:88 Awb geen plaats. Met artikel 8:75 Awb is een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken (vgl. HR 14 september 2007, nr. 42.069, ECLI:NL:HR:2007:BB3442).

4.22.

De incidentele hoger beroepen van belanghebbende dienen derhalve ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de hoger beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat beide zaken samenhangen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak. Het Hof veroordeelt de Inspecteur daarom in de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de hogerberoepsfase voor een bedrag van
€ 2.556,75 (1 punt voor reactie op artikel 8:29 Awb-verzoek van Inspecteur; 1 punt voor verweerschrift, 1 punt voor zitting, 0,5 punt voor nadere zitting, factor 1,5, waarde per punt
€ 487).

6 Beslissing


Het Hof:

– verklaart de principale hoger beroepen ongegrond;

– verklaart de incidentele hoger beroepen ongegrond;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van
€ 2.556,75;

– verstaat dat van de Inspecteur griffierechten wordt geheven van tweemaal € 478, ofwel € 956.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter,
mr. C.M. Ettema en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2014.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 18 november 2014.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.