Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8776

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
14/00064 en 14/00065
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:5908, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Waardevaststelling woning. Bodemverontreiniging. Belastingplichtige weigert medewerking aan bodemonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2729
V-N Vandaag 2014/2398
Belastingblad 2015/4
V-N 2015/12.17.41
mr. dr. G. Groenewegen annotatie in NTFR 2015/318

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 14/00064 en 14/00065

uitspraakdatum: 11 november 2014

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 december 2013, nummers AWB 13/30 en AWB 13/32 in het geschil tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken plaatselijk bekend als [a-straat] 30 te [Z] (hierna: de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2011, per waardepeildatum 1 januari 2010, vastgesteld op € 279.000 en voor het kalenderjaar 2012, per waardepeildatum 1 januari 2011, op € 269.000.

1.2

Bij uitspraken op bezwaar van 24 november 2012 heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarden gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 24 december 2013 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [A] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door taxateur [B]. De zaken met nummers 14/00090 t/m 14/00093 zijn ter zitting gelijktijdig behandeld.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De feiten

2.1

De onroerende zaak staat samen met het object [a-straat] 30A op één perceel met een totale oppervlakte van 331 m². Van deze oppervlakte heeft de heffingsambtenaar 142 m² aan de onroerende zaak toegerekend.

2.2

De onroerende zaak betreft een woning, waarvan de kamers afzonderlijk worden verhuurd, en een berging. De woning heeft een inhoud van 481 m³, de berging een inhoud van 13 m³.

2.3

Het perceel bevat een oprit, die zowel dienstbaar is aan de onroerende zaak als aan het object [a-straat] 30A. De heffingsambtenaar heeft de helft van de oppervlakte van de oprit toegerekend aan de onroerende zaak.

2.4

De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarden verwezen naar twee taxatierapporten van [C] van 13 mei 2013 (2011) en 14 mei 2013 (2012) waarin de waarde van de onroerende zaak wordt getaxeerd op € 290.000, respectievelijk € 281.000.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

Tussen partijen is in geschil of de heffingsambtenaar de onroerende zaak ten opzichte van [a-straat] 30A onjuist heeft afgebakend en of hij de waarde van de onroerende zaak te hoog heeft vastgesteld.

3.2

Belanghebbende beantwoordt bovenstaande vragen bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.

3.3

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep en aanpassing van de objectafbakening alsmede de vastgestelde waarde van de onroerende zaak. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaak blijkens zijn indeling bestemd is om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt in de daaraan in artikel 16, onderdeel c, Wet WOZ te hechten betekenis. Evenmin is in geschil dat de onroerende zaak en het object [a-straat] 30A geen samenstel vormen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, Wet WOZ. Partijen strijden uitsluitend over de toedeling van het totale perceeloppervlak over beide objecten. Ter zitting hebben beide partijen bevestigd dat de totale oppervlakte van het perceel 331 m² bedraagt en dat de helft van de oppervlakte van de oprit moet worden toegerekend aan de onroerende zaak. Hiervan uitgaande heeft de heffingsambtenaar de oppervlakte van de onroerende zaak terecht berekend op 142 m2. Belanghebbende heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld die moeten leiden tot het oordeel dat de objectafbakening van de onroerende zaak onjuist zou zijn.

4.2

Met betrekking tot mogelijke bodemvervuiling als gevolg van een vernikkelarij, oordeelt het Hof als volgt. De heffingsambtenaar stelt naar het oordeel van het Hof ten onrechte dat volgens vaste jurisprudentie bij mogelijke bodemverontreiniging geen waardedruk in aanmerking wordt genomen. De Hoge Raad heeft inzake een mogelijke asbestvervuiling overwogen:

“Ook indien een zodanige noodzaak ontbreekt en potentiële gegadigden voor de woning daarom op de waardepeildatum geen rekening houden met de aan die verwijdering verbonden kosten, is het immers niet uitgesloten dat de hoogst biedende gegadigde bij het uitbrengen van zijn bod niettemin rekening houdt met de aanwezigheid van dat materiaal met het oog op eventuele kosten in de toekomst.” (HR 10 juni 2011, nr. 10/02708, ECLI:NL:HR:2011:BQ7597, BNB 2011/22).

4.3

Nu de heffingsambtenaar ervan uitgaat dat mogelijk sprake is van bodemverontreiniging, dient bij de waardebepaling ermee rekening te worden gehouden dat de hoogst biedende gegadigde met deze mogelijke bodemverontreiniging en de gevolgen daarvan rekening houdt.

4.4

De heffingsambtenaar stelt subsidiair dat de waardedruk niet hoger is dan € 1.000, zijnde de kosten van een bodemonderzoek, omdat deze kosten nodig zijn om uit te sluiten dat sprake is van bodemverontreiniging. Belanghebbende meent dat er geen sprake is van bodemverontreiniging, maar dat met de vermelding van de onroerende zaak in de milieuatlas wel rekening dient te worden gehouden bij de waardebepaling.

4.5

Namens de heffingsambtenaar is gesteld dat belanghebbende geweigerd heeft medewerking te verlenen aan een (voor hem gratis) bodemonderzoek dat uitsluitsel kan geven over (de mate van) de bodemvervuiling en dat hij er daarom bij de waardevaststelling vanuit gaat dat geen sprake is van bodemverontreiniging. Het Hof acht het, gelet op de stukken van het geding en de verklaringen van belanghebbende ter zitting, aannemelijk dat belanghebbende deze toestemming voor bodemonderzoek tot op heden inderdaad heeft geweigerd. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daarom de meest gerede partij feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die meebrengen dat en tot welk bedrag de waarde van de onroerende zaak als gevolg van de bodemverontreiniging lager is dan de vastgestelde waarde dan wel dat sprake is van een onterechte vermelding van de onroerende zaak in de milieuatlas. Belanghebbende heeft dienaangaande niets bijgebracht. Het Hof volgt daarom de stelling van de heffingsambtenaar dat de waardedruk € 1.000 bedraagt. Dit leidt echter niet tot een vermindering van de beschikking, omdat uit het door de heffingsambtenaar overgelegde rapport volgt dat het verschil tussen de getaxeerde waarden en de bij beschikking vastgestelde waarden meer bedraagt dan deze waardedruk.

4.6

Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met de verwijzing naar de in onderdeel 2.4 van deze uitspraak genoemde rapporten aldus aannemelijk gemaakt dat de door hem vastgestelde waarden niet te hoog zijn. Belanghebbende heeft noch de vastgestelde waarden, noch de in deze rapporten gegeven onderbouwing hiervan gemotiveerd bestreden.

4.7

Belanghebbende heeft verzocht [D] van de gemeente Nijmegen als getuige op te roepen. Nu belanghebbende [D] wenst te horen over [a-straat] 30A en niet over de onroerende zaak, wijst het Hof belanghebbendes verzoek af.

Slotsom

Gelet op het voorgaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 12 november 2014.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.