Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8775

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
14/00048
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:6296, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Gebruik auto tijdens schorsing. Auto dag na keuring bij garage opgehaald. Verzuimboete van 25% passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2730
FutD 2014-2731
V-N Vandaag 2014/2369
V-N 2015/12.16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 14/00048

uitspraakdatum: 11 november 2014

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie (hierna: de Inspecteur)

en het incidenteel hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 december 2013, nummer AWB 13/1448, in het geding tussen de Inspecteur en belanghebbende

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het tijdvak 14 oktober 2011 tot en met 13 oktober 2012 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.199. Daarbij is gelijktijdig een verzuimboete (hierna: de boete) opgelegd ten bedrage van € 1.199.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep inzake de naheffingsaanslag ongegrond verklaard en het beroep inzake de boete gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar inzake de boete vernietigd en de boete verminderd tot € 599.

1.4

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5

De Inspecteur heeft zijn zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

1.6

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [A] namens de Inspecteur.

1.8

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is blijkens de registratie in het kentekenregister vanaf 14 januari 2005 houder van het motorrijtuig met het kenteken [00-YY-YY] (hierna: de auto).

2.2

De geldigheid van het kentekenbewijs van de auto is op aanvraag van belanghebbende gedurende de periodes 26 maart 2011 tot en met 25 maart 2012 en 2 juni 2012 tot en met 14 augustus 2012 geschorst geweest.

2.3

De auto is op 27 juli 2012 gekeurd bij B.V. [B] (hierna: het garagebedrijf) waarbij deze om 14.43 uur is afgemeld en niet is geselecteerd voor een steekproef. Volgens de factuur van het garagebedrijf van 30 juli 2012 zijn naast de keuring alleen nog de ruitenwisserbladen vervangen en is vanaf 12.30 uur tot 18:00 uur een vervangende auto gehuurd.

2.4

Op 28 juli 2012 om 08.01 uur is geconstateerd dat met de auto gebruik van de weg is gemaakt op de Oud-Loosdrechtsedijk te Wijdemeren.

2.5

De tachtigjarige heer [C], werknemer van belanghebbende, die de auto in verband met de keuring heeft gebracht en opgehaald, heeft verklaard:

“… dat hij de 27 juli 2012 pas eind van de middag door de garage [B] is gebeld dat de Range Rover, na de keuring en enkele kleine werkzaamheden, opgehaald kon worden. Uit praktisch oogpunt was het niet mogelijk voor sluitingstijd bij de garage aanwezig te zijn, daarom is afgesproken de auto als eerste de volgende dag op te halen”

2.6

De general manager van het garagebedrijf heeft verklaard:

“Hierbij bevestig ik dat dhr. [C] uw Range Rover … op 28 juli 2012 vroeg in de ochtend bij ons … heeft afgehaald. Als gevolg van de geplande werkzaamheden was het niet haalbaar de Range Rover op 27 juli 2012 al gereed voor ophalen te melden.”

2.7

Naar aanleiding van de in 2.4 bedoelde constatering heeft de Inspecteur aan belanghebbende, met dagtekening 30 november 2012, de onderhavige naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.199. Daarbij is tevens bij beschikking de boete van € 1.199 opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd. Hiertegen is belanghebbende bij de Rechtbank in beroep gekomen.

2.8

De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten en de boete verminderd tot 50% van de na te heffen motorrijtuigenbelasting, zijnde € 599.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In (incidenteel) hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd. De Inspecteur beantwoordt die vragen bevestigend en belanghebbende ontkennend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen wat is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank inzake de naheffingsaanslag. Inzake de boete heeft de Inspecteur, hoewel zij niet instemt met de daarvoor door de Rechtbank gebezigde motivering, ter zitting nader geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, waarbij de boete is verminderd tot € 599. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de naheffingsaanslag en de boete.

4 Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslag

4.1

Ingevolge artikel 1, lid 1, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet Mrb) is de houder van een personenauto motorrijtuigenbelasting verschuldigd.

4.2

Op grond van artikel 19, lid 1, van de Wet Mrb, geldt dat voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, de belasting niet wordt geheven over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

4.3

Ingevolge artikel 35, lid 1, van de Wet Mrb, kan bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994, motorrijtuigenbelasting worden nageheven. De na te heffen motorrijtuigenbelasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd (artikel 35, lid 2, van de Wet Mrb).

4.4

Op grond van artikel 72, lid 1, aanhef en letter m, van de Wet Mrb, wordt – onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen – vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend voor motorrijtuigen waarmee met het oog op een ingevolge hoofdstuk V van de Wegenverkeerswet 1994 te verrichten keuring van het motorrijtuig tijdens een voor het motorrijtuig geldende schorsing gebruik van de weg worden gemaakt op de dag waarop dat motorrijtuig naar aanleiding van de aanvraag van een keuringsbewijs aan een keuring wordt onderworpen. Artikel 22 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 bepaalt dat deze vrijstelling wordt verleend indien bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig op de betreffende dag aan een keuring zal worden onderworpen.

4.5

De auto is op 27 juli 2012 gekeurd (zie 2.3) en op 28 juli 2012 is geconstateerd dat met de auto gebruik van de weg is gemaakt (zie 2.4). Belanghebbende betoogt dat de auto niet op 27 juli 2012 kon worden opgehaald en verwijst daarbij naar de verklaringen van [C] (zie 2.5) en het garagebedrijf (zie 2.6).

4.6

Vaststaat dat de auto op 27 juli 2012 om 14.43 uur is afgemeld en niet is geselecteerd voor een steekproef (zie 2.3). Aangenomen moet worden dat de auto vanaf dit tijdstip door belanghebbende kon worden opgehaald waardoor zou zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 72, lid 1, aanhef en letter m, van de Wet Mrb. Dat, zoals belanghebbende stelt, [C] pas eind van de middag door het garagebedrijf is gebeld waardoor hij de auto niet meer vóór sluitingstijd van het garagebedrijf kon ophalen, is een omstandigheid die in de risicosfeer van belanghebbende ligt.

4.7

Nu de in 4.4 vermelde vrijstelling niet van toepassing is, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd omdat gebruik van de weg is gemaakt met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing. Het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank inzake de naheffingsaanslag is ongegrond.

Boete

4.8

Op grond van artikel 37 van de Wet Mrb in samenhang gelezen met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan de Inspecteur bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing, naast de nageheven motorrijtuigenbelasting een verzuimboete van ten hoogste € 4.920 opleggen. Overeenkomstig paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) bedraagt de boete maximaal 100% van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald.

4.9

Nu het Hof hiervoor in 4.7 heeft geoordeeld dat tijdens een voor de auto geldende schorsing gebruik van de weg is gemaakt, is de boete in overeenstemming met het bepaalde in artikel 37 van de Wet Mrb in samenhang gelezen met artikel 67c van de AWR en het BBBB opgelegd.

4.10

Bij het opleggen van verzuimboeten wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) het opleggen ervan achterwege behoort te blijven. Op belanghebbende rust de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die leiden tot de conclusie dat sprake is van avas. Daarin is belanghebbende echter niet geslaagd omdat hij de schorsingsvoorwaarden kende, [C] de auto eerst rond 12.30 uur naar het garagebedrijf heeft gebracht (zie 2.3) waardoor het risico dat de auto later op de dag zou worden gekeurd groter was dan wanneer de auto ’s morgens vroeg zou zijn gebracht en uit het dossier niet blijkt dat afspraken zijn gemaakt omtrent het door het garagebedrijf aan belanghebbende laten weten dat de auto weer kon worden opgehaald.

4.11

De Rechtbank heeft overwogen dat noch in het BBBB noch in de concrete omstandigheden van het onderhavige geval een rechtvaardiging is te zien voor het opleggen van de hoogst mogelijke verzuimboete nu er geen sprake is van omstandigheden die de zwaarste straf rechtvaardigen.

4.12

Het Hof acht dit oordeel onjuist en acht hiervoor onder andere de volgende teksten uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet Mrb van belang:

“Artikel 36

Ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt in de in de artikelen 32, 33, 34 en 35 bedoelde naheffingsaanslagen begrepen belasting, in afwijking van artikel 21 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verhoogd met honderd percent, doch met ten minste f 100. Het relatief hoge boetepercentage bestaat sedert de inwerkingtreding van de wet van 18 december 1974 (Stb. 761). Daarbij werd het percentage van 50 naar 100 gebracht. Bij de parlementaire behandeling is bovendien nog bij amendement het maximum afgeschaft. De boete in de sfeer van de motorrijtuigenbelasting vraagt een andere benadering dan de boete bij naheffing bij andere belastingen. De verschuldigde belasting is relatief niet hoog en van een procentueel lage boete zou derhalve weinig preventieve werking uitgaan. Om die reden is met ingang van 1975 het percentage van 50 naar 100 gebracht. In de memorie van toelichting bij het desbetreffende wetsvoorstel (Kamerstukken II 1973/74, 13050 nr. 3, blz. 4, r.k.) is daarbij gesteld: .... «heeft de praktijk uitgewezen (...) dat de preventieve werking van de boete onvoldoende is. Om die reden wordt voorgesteld het percentage te verhogen van 50 naar 100 (...)». Gebleken is dat sedertdien het aantal zwartrijders zich op een relatief laag niveau bevindt. Verlaging van het boetepercentage zou naar mijn oordeel leiden tot een onevenredige toename van het aantal zwartrijders en van het aantal naheffingsaanslagen. Een aspect bij het opleggen van de boete dat in 1974 ook reeds naar voren is gebracht, is dat de mate van verwijtbaarheid - lichte schuld, opzet of grove schuld - bij het achterwege blijven van de aangifte en betaling van de motorrijtuigenbelasting moeilijk is vast te stellen. Slechts de periode waarover niet betaald is en recidive, kunnen in dat stadium een indicatie vormen. De boete van 100 percent wordt dan ook in beginsel opgelegd in alle gevallen.”

(Kamerstukken II 1990/1991, 22 238, nr. 3, blz. 36-37)

“Artikel VII (Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)

De boete-bepalingen in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (MRB), neergelegd in de artikelen 37, 54, 61, 70 en 77 kunnen gedeeltelijk vervallen aangezien hetzelfde resultaat reeds kan worden bereikt door toepassing van artikel 67c AWR.

Bij de boeten die zijn genoemd in de MRB gaat het om verzuimboeten van ten hoogste 100 percent van de naheffingsaanslag (in een aantal gevallen is het wettelijk maximum lager of zelfs nihil). Zelfs bij een boete van 100 percent van de naheffingsaanslag zal de boete nooit meer dan f 10 000 – het maximum dat geldt in artikel 67c AWR – bedragen. Artikel 67c AWR is daarom adequaat voor het opleggen van boeten in de MRB. In de MRB dient echter een uitbreiding plaats te vinden voor de toepassing van artikel 67c AWR, namelijk ten aanzien van de bijzondere naheffingsbepalingen in de MRB zelf. Immers, niet alle gevallen waarin naheffing kan plaatsvinden, worden bestreken door artikel 67c AWR, bij voorbeeld indien ten onrechte een vrijstelling of bijzonder tarief is verleend.

Door opneming van de thans in de wet opgenomen voorschriften ter zake van de boeten met betrekking tot de MRB in het te redigeren Voorschrift bestuurlijke boeten wordt bereikt dat de huidige praktijk onder het nieuwe regime kan worden voortgezet.

(Kamerstukken II, 1995–1996, 24 800, nr. 3, blz. 3)”

4.13

Het Hof is van oordeel dat uit voormelde wetgeschiedenis is af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om in die gevallen waarin bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing en waarbij de verschuldigde motorrijtuigenbelasting wordt nageheven, als uitgangspunt te nemen dat 100% van het bedrag van deze belasting als verzuimboete dient te worden opgelegd, tenzij het wettelijk maximum zou worden overschreden. De omstandigheid dat vanaf 1 januari 1998 het in artikel 37 van de Wet Mrb genoemde boetepercentage van 100 is geschrapt en is opgenomen in paragraaf 34 van het toenmalige BBBB heeft de bedoeling van de wetgever, blijkens bovenvermelde wetsgeschiedenis, derhalve niet doen veranderen. In onderhavig geval is de aanwezigheid van een strafverzwarende omstandigheid derhalve niet noodzakelijk voor het opleggen van een verzuimboete van 100% van de verschuldigde belasting.

4.14

Het vorenoverwogene neemt evenwel niet weg dat de bestuursrechter in belastingzaken tot taak heeft te onderzoeken of, gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden, de Inspecteur terecht en tot de juiste hoogte een verzuimboete heeft opgelegd (vgl. HR 10 juni 2005, nr. 40 601, ECLI:NL:HR:2005:AT7216, BNB 2005/293).

4.15

Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende moest afwachten wanneer het garagebedrijf zou doorgeven dat de auto kon worden opgehaald, acht het Hof in het onderhavige geval een boete van 25%, ofwel € 299, passend en geboden voor het verzuim dat is begaan.

Slotsom


Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond en het incidenteel hoger beroep inzake de boete gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht, nu belanghebbende daarop – desgevraagd – geen aanspraak heeft gemaakt, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boete;

– verklaart het beroep inzake de boete gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de boete;

– vermindert de boete tot € 299;

– verstaat dat van de Inspecteur een griffierecht van € 493 wordt geheven zodra deze uitspraak onherroepelijk zal zijn geworden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R. den Ouden, en mr. M.G.J.M van Kempen in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van der Waerden als griffier.

De beslissing is op 11 november 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A.W.M. van der Waerden)

(B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op : 12 november 2014.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.