Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8700

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
WAHV 200.133.916
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Matiging WAM-sanctie. De auto stond bij een garagebedrijf en de betrokkene heeft een nieuwe auto gekocht. Hij heeft deze aankoop telefonisch aan zijn verzekeringsmaatschappij doorgegeven en daarbij niet de verzekering voor de oude auto opgezegd. In een e-mailbericht erkent de verzekeringsmaatschappij ten onrechte de verzekering van de oude auto te hebben beëindigd en biedt zij de betrokkene een vergoeding van de helft van het sanctiebedrag aan. Op grond van bijzondere omstandigheden matigt het hof het bedrag van de sanctie tot het bedrag dat de verzekeraar aan de betrokkene heeft vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.133.916

12 november 2014

CJIB 159977485

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 25 juli 2013

betreffende

[naam] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 390,- opgelegd ter zake van “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 19 januari 2012 met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene voert aan dat deze sanctie ten onrechte is opgelegd. Hij bestrijdt niet dat het voertuig onverzekerd was op voornoemde datum, maar stelt dat hij in de veronderstelling was dat het voertuig nog steeds verzekerd was. Deze auto stond sinds

20 december 2011 bij de garage wegens een motormanagementprobleem. Eind december 2011 heeft de betrokkene van reparatie afgezien en besloten om een nieuwe auto te kopen, hetgeen op 3 januari 2012 is geschied. De betrokkene heeft op diezelfde dag telefonisch aan zijn verzekeringsmaatschappij doorgegeven dat hij een nieuw voertuig had aangeschaft en toen is dat voertuig verzekerd geworden. De betrokkene heeft tijdens dat telefoongesprek de verzekering voor zijn oude auto niet opgezegd en ook schriftelijk heeft hij dat niet gedaan. Eerst per 22 januari 2012 heeft de betrokkene zelf schriftelijk de verzekering van dit voertuig opgezegd, kort voordat het kentekenhouderschap van de betrokkene is beëindigd. Niettemin is na het telefoongesprek van 3 januari 2012 de verzekering voor dat voertuig beëindigd door de verzekeringsmaatschappij, buiten medeweten en zonder toestemming van de betrokkene. De betrokkene heeft een bericht van de verzekeringsmaatschappij bijgevoegd waaruit deze gang van zaken blijkt; de verzekeringsmaatschappij heeft wegens deze gang van zaken besloten om de helft van de opgelegde sanctie en administratiekosten te vergoeden aan de betrokkene.

De betrokkene meent dat - naast de fout van de verzekeringsmaatschappij - de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) ook onjuist heeft gehandeld. De RDW had de uitschrijving van de verzekering niet moeten accepteren, aldus de betrokkene. Bovendien heeft de RDW zijn zorgplicht onvoldoende nageleefd. De RDW was immers op de hoogte van de wisseling van voertuigen en had de betrokkene aanstonds moeten melden dat de verzekering voor het andere voertuig was beëindigd. Dat is echter niet gebeurd; pas op 19 januari 2012 kreeg hij een bericht van de RDW dat zijn voertuig onverzekerd was.

3. Uit het door de betrokkene ingebrachte emailbericht d.d. 20 maart 2012 valt op te maken - voor zover van belang - dat de verzekeringsmaatschappij van de betrokkene erkent de verzekering van voormeld voertuig ten onrechte te hebben is beëindigd, naar aanleiding van een onjuiste interpretatie van hetgeen de betrokkene in het telefoongesprek van

3 januari 2012 heeft medegedeeld. De verzekeringsmaatschappij heeft daarom besloten om de aan de betrokkene opgelegde sanctie (en administratiekosten) deels te vergoeden tot een bedrag van € 198,-.

4. Gelet op de stukken van het dossier en hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd staat vast dat ten tijde van de registercontrole het op naam van de betrokkene gestelde voertuig niet was verzekerd en de geldigheid van het kentekenbewijs ook niet was geschorst. De gedraging staat daarmee vast. Het hof dient te beoordelen of er redenen zijn om te bepalen dat het bedrag van de sanctie moet worden verlaagd of op nihil moet worden gesteld.

5. Het hof stelt voorop dat er op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht een zorgplicht bestaat voor kentekenhouders, om een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) voor hun voertuig af te sluiten en in stand te houden, ongeacht of dat op de weg wordt gebruikt, of, ingeval men hiertoe niet wil of kan overgaan (gedurende een bepaalde periode), de geldigheid van het kentekenbewijs te schorsen. Het niet voldoen aan die zorgplicht kan op zichzelf reeds het opleggen van een sanctie rechtvaardigen.

6. De betrokkene klaagt in dit verband over het handelen van de RDW. Echter, zoals de advocaat-generaal in zijn verweerschrift terecht heeft opgemerkt, is het niet aan de RDW om de juistheid te toetsen van een kennisgeving van beëindiging van de verzekering en evenmin is de RDW gehouden om de kentekenhouder op de hoogte te brengen van de beëindiging van de verzekering. In zoverre slaagt het verweer van de betrokkene niet.

7. De in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen als de onderhavige brengt voorts mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie en dat slechts bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven om van het voor de gedraging vastgestelde tarief af te wijken.

Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van het hof sprake in dit geval; de door de betrokkene opgegeven reden voor het onverzekerd zijn van zijn voertuig acht het hof voldoende aannemelijk geworden en bovendien zodanig - ook tegen de achtergrond van hetgeen onder 5. is overwogen - dat daarin aanleiding bestaat tot matiging van de sanctie.

8. Het hof zal het bedrag van de sanctie (exclusief de administratiekosten derhalve) vaststellen op € 192,- , waarmee het nog door de betrokkene te betalen bedrag van de sanctie en de administratiekosten gelijk is aan het bedrag dat reeds door de verzekerings-maatschappij van de betrokkene aan hem is vergoed.

9. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter te Apeldoorn. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Dit betreft een kennelijke omissie van de regelgever: bedoeld is onderdeel d. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 4,02 (Beekbergen - Apeldoorn v.v. per bus).

10. Het hof komt derhalve tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

wijzigt, met vernietiging van de beslissing van de officier van justitie in zoverre, het bedrag van de sanctie in de beslissing van de officier van justitie en in de inleidende beschikking in € 192,-;

bepaalt dat van hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal een bedrag van € 198,- wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 4,02.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.