Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8694

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
KS 21-001357-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof vernietigt een vonnis van de rechtbank waarin zij het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging wegens schending van de redelijke (vervolgings)termijn. Gezien de omstandigheden van het geval is het Openbaar Ministerie wél ontvankelijk in de vervolging ondanks dat er sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke (vervolgings)termijn. Anders dan het Openbaar Ministerie stelt, sluit de jurisprudentie van de Hoge Raad niet uit dat de rechter het Openbaar Ministerie op die grond wél niet-ontvankelijk in de vervolging verklaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001357-14

Uitspraak d.d.: 11 november 2014

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 28 februari 2014 met parketnummer 07-690115-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1961],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 oktober 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal aangaande de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. W.R. Jonk, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De rechtbank heeft bij vonnis van 28 februari 2014 wegens - kort gezegd - overschrijding van de redelijke termijn de officier van justitie in de vervolging niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is er daarbij vanuit gegaan dat de vervolging is aangevangen op 31 oktober 2007, zijnde de datum waarop bij verdachte thuis een doorzoeking heeft plaatsgevonden, bij welke gelegenheid verschillende gegevensdragers met daarop, naar verdachte wist, kinderporno in beslag zijn genomen.

Tegen dit vonnis heeft de officier van justitie tijdig hoger beroep ingesteld. In zijn appelschriftuur geeft de officier van justitie aan dat er weliswaar sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, maar dat, gelet op Hoge Raad 17 juni 2008, NJ 2008, 358, een schending van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid kan leiden, zelfs niet in uitzonderlijke gevallen. De officier van justitie concludeert dat hij ontvankelijk is in de vervolging dat verdachte wordt veroordeeld.

De advocaat-generaal heeft dit standpunt van de officier van justitie aangevuld met de stelling dat de zogenaamde ‘criminal charge’ in deze zaak is aangevangen ten tijde van het eerste verhoor van verdachte op 15 december 2011 en niet, zoals de rechtbank tot uitgangspunt nam, ten tijde van de doorzoeking van verdachtes woning op 31 oktober 2007.

Namens verdachte heeft zijn raadsman op de terechtzitting van het hof verklaard dat de verdediging zich in het beroepen vonnis kan vinden.

Dit geldt in eerste instantie voor het moment waarop de vervolgingstermijn een aanvang heeft genomen. Volgens de raadsman is de rechtbank terecht uitgegaan van de doorzoeking van de woning van verdachte, omdat verdachte vanaf dat moment de verwachting mocht hebben dat hij zou worden vervolgd. Er was onder verdachte immers materiaal inbeslaggenomen waarop, naar verdachte wist, kinderporno stond, en dit zou ontegenzeggelijk tot een vervolging leiden.

Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat na de doorzoeking van de woning van verdachte op 31 oktober 2007 en de behandeling op de terechtzitting in eerste aanleg op 14 februari 2014 een termijn van zes jaren en drie maanden is verstreken in welke termijn, op het verhoor van verdachte op 15 december 2011 na, nauwelijks enige onderzoekhandeling heeft plaatsgevonden. De beoordeling van het onder verdachte inbeslaggenomen materiaal is gebeurd in een geautomatiseerd systeem, zodat van een tijdrovend onderzoek geen sprake kan zijn. Er zijn, volgens de raadsman, geen omstandigheden die de duur van deze procedure rechtvaardigen. De onderhavige zaak is immers niet ingewikkeld en verdachte en/of de verdediging hebben geen enkele invloed op het procesverloop gehad. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, leidt tot de conclusie dat de duur van de procedure verre van redelijk is. Zij hebben de zaak immers jarenlang laten liggen.

Ten slotte stelt de raadsman dat in de onderhavige zaak doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte door het openbaar ministerie is gehandeld, doordat de termijn waarbinnen de berechting van verdachte had moeten worden voltooid met een veelvoud daarvan is overschreden.

Ten aanzien van de relevante feiten tot aan de behandeling van verdachtes zaak in eerste aanleg, gaat het hof uit van hetgeen de rechtbank daarover in haar vonnis heeft vastgesteld:

“In de onderhavige zaak wordt aan verdachte tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 30 juli 2006 tot en met 31 oktober 2007 schuldig heeft gemaakt aan het (onder meer) in zijn bezit hebben van kinderpornografische foto’s en films en daarmee een strafbaar feit van ongeveer zes tot zeven jaar geleden. Op 16 mei 2006 ontvangt het Korps Landelijke Politiediensten van Interpol een rapport over een Nederlandse gebruiker van internet die in januari 2006 op het internet links naar kinderpornografisch beeldmateriaal zou hebben verspreid. Uit door provider KPN na vordering daartoe verstrekte gegevens bleek het bij deze gebruiker behorende IP-adres op naam van verdachte te staan. Dit leidde tot een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht door verdachte. Vervolgens vindt (ruim een jaar later) op 31 oktober 2007 een doorzoeking van de woning van verdachte plaats waarbij een aantal gegevensdragers in beslag wordt genomen.

Onderzoek naar de gegevensdragers aangetroffen afbeeldingen bevestigt dat verdachte kinderpornografisch beeldmateriaal in zijn bezit heeft.

Op 15 december 2011 (bijna vier jaar na de doorzoeking) wordt verdachte na schriftelijke ontbieding op het politiebureau in [plaats] gehoord. Na dit verhoor wordt verdachte weer heengezonden.

Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens de strafzaak tegen verdachte ter behandeling op de zitting van 14 februari 2014 aangebracht.”

Het juridisch kader:

Over de doelen van het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onder meer overwogen:

The “reasonable time” guarantee of Article 6 par. 1 serves to ensure public trust in the administration of justice. The other purpose of the guarantee is to protect all parties to court proceedings against excessive procedural delays; in criminal matters, especially, it is designed to avoid that a person charged with a criminal offence should remain too long in a state of uncertainty about his or her fate. (…) It underlines the importance of administering justice without delays which might jeopardise its effectiveniess and credibility (…).”1

In zijn arrest van 17 juni 20082 stelt de Hoge Raad dat de redelijkheid van een vervolgingstermijn onder meer afhankelijk is van (a) de ingewikkeldheid van de zaak, (b) de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en (c) de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Als aanvangsmoment van de vervolgingstermijn als bedoeld in artikel 6 EVRM heeft te gelden het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend - en in redelijkheid ook heeft kunnen ontlenen - dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen3.

In het onderhavige geval heeft, naar aanleiding van concrete aanwijzingen, op 31 oktober 2007 in de woning van verdachte onder leiding van een rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden ter inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en sporen die betrekking kunnen hebben op het aanwezig hebben en/of verspreiden van kinderpornografisch beeldmateriaal. Bij die gelegenheid is een aantal gegevensdragers inbeslaggenomen waarop, naar verdachte wist, kinderporno stond. Verdachte heeft zich naar aanleiding van de doorzoeking snel voorzien van bijstand door een raadsman.

Het hof is met de raadsman van oordeel dat in het onderhavige geval en onder de daarin gegeven omstandigheden het op 31 oktober 2007 voor verdachte duidelijk is geweest dat hij in verband met het onder hem inbeslaggenomen materiaal vervolgd zou gaan worden. Verdachte mocht dat uit die omstandigheden redelijkerwijs ook afleiden. Reeds hiermee is gegeven dat de vervolgingstermijn als bedoeld in artikel 6 EVRM op 31 oktober 2007 een aanvang heeft genomen.

De redelijke termijn tussen de aanvang van de vervolging en het moment waarop de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan, is in deze zaak in ernstige mate overschreden.

Die termijn beslaat zes jaren en vier maanden, terwijl die termijn in beginsel niet langer dan twee jaren had behoren te zijn.

De overschrijding van de redelijke termijn is in die fase vier jaren en vier maanden geweest.

Het hof gaat uit van een maximum termijn van twee jaren omdat het hof het standpunt van de verdediging deelt dat het onderzoek in verdachtes zaak niet zo ingewikkeld was dat dat onderzoek overschrijding van de termijn rechtvaardigt, de opstelling van de verdediging geen invloed heeft gehad op de duur van het proces, terwijl er tijdens de zitting van het hof noch in de appelschriftuur van het Openbaar Ministerie dragende argumenten zijn aangevoerd waarom er van de zijde van de justitiële autoriteiten redenen zijn geweest voor het late aanbrengen van verdachtes zaak voor de strafrechter. Het door de officier van justitie ter zitting van de rechtbank aangevoerde feit dat de politie vóór 2011 onvoldoende toegerust was en er sinds 2011 een speciaal kinderpornoteam is opgericht is, geen zelfstandig dragend argument dat de vertraging rechtvaardigt.

Vervolgens dient het hof de vraag te beantwoorden tot welk gevolg deze termijnoverschrijding zal moeten leiden.

Het uitgangspunt staat in voormeld arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, waarin de Hoge Raad de aangepaste en verfijnde vuistregels betreffende behandeling van strafzaken binnen een redelijke termijn samenvat en aanpast.

Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal, in de rechtspraak van de Hoge Raad niet het uitgangspunt dat overschrijding van de redelijke vervolgingstermijn nimmer aanleiding zal kunnen zijn om het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk te verklaren.

In zijn arrest van 19 april 20114 bijvoorbeeld, overweegt de Hoge Raad onder meer dat hij op dat moment geen aanleiding ziet voor aanpassing van de in het arrest van 17 juni 2008 verfijnde en aangescherpte vuistregels betreffende overschrijding van de redelijke termijn. Hiermee wil gezegd zijn dat in de toekomst mogelijk wel aanleiding zal bestaan tot aanpassing van die eerder gegeven vuistregels.

Het hof overweegt dat de hiervoor weergegeven door de Hoge Raad onder a tot en met c gegeven criteria kennelijk niet limitatief door hem zijn opgesomd. De Hoge Raad spreekt immers van ‘onder meer’.

Gelet op de hiervoor gegeven overweging van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, heeft het hof verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk gevraagd naar de gevolgen die het jarenlange uitblijven van een vervolgingsdaad door justitie voor hem heeft gehad.

Verdachte heeft daarover verklaard dat hij enkele malen contact heeft gezocht met de politie om een deel van de onder hem in beslag genomen goederen te krijgen omdat die van zijn kinderen zijn. Daarnaast heeft zijn huwelijk onder druk gestaan, maar dat kwam volgens verdachte door de aard van de tegen hem gerichte verdenking. Ten slotte heeft verdachte verklaard dat hij na de doorzoeking zijn baan heeft verloren doordat zijn contract niet werd verlengd, maar dat had naar zijn zeggen – zo begrijpt het hof - vooral te maken met het feit dat hij een onder hem inbeslaggenomen computer van de zaak niet terug gaf of terug kon geven.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank naar het oordeel van het hof op juiste gronden geoordeeld dat tot aan de behandeling van verdachtes zaak in eerste aanleg, sprake is geweest van overschrijding van de redelijke (vervolgings)termijn.

Onvoldoende is gebleken dat de gevolgen van het (te) lange uitblijven van een eerste rechterlijk oordeel over zijn zaak voor verdachte ernstige gevolgen heeft gehad.

Als het hof alle door hem vastgestelde feiten en omstandigheden toetst aan de door de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens genoemde criteria, dan luidt de conclusie dat de beslissing van de rechtbank dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, niet juist is.

Nu het hof ook overigens geen reden ziet om het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk te verklaren, zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en het Openbaar Ministerie in de vervolging ontvankelijk verklaren.

Het hof zal ten behoeve van een verdere inhoudelijke behandeling van de zaak het onderzoek heropenen en gelasten dat het onderzoek op een nader te bepalen datum en tijdstip met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

Verdachte zal worden opgeroepen tegen de datum en het tijdstip waarop met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan en aan zijn raadsman zal schriftelijk aanzegging daarvan worden gedaan.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Heropent het onderzoek.

Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.

Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de verdachte.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. J.H. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 11 november 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.H. Bosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Dimitrov en Hamanov tegen Bulgarije, EHRM 10 augustus 2011, nrs. 48059/06 en 2708/09, par. 70.

2 Hoge Raad 17 juni 2008, NJ 2008, 358.

3 Hoge Raad 3 oktober 2000, NJ 2000, 721.

4 Hoge Raad 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5361