Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8677

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
200.156.228-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP. Appellant heeft de door de wetgever bedoelde "ommekeer ten goede" gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.156.228/01

(zaaknummer rechtbank 135891 FT RK 14/748)

arrest van de derde civiele kamer van 6 november 2014

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J.D. Nijenhuis, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 september 2014 is het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar niet-ontvankelijk verklaard.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 17 september 2014, heeft [appellante] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat zij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de bij de rechtbank overgelegde stukken, een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisregistratie (GBA) en een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Verder heeft het hof nog een journaalbericht met bijlagen van 28 oktober 2014 en een faxbericht met bijlagen van 28 oktober 2014 ontvangen, beide van de advocaat.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014, waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

3 De beoordeling

Vaststaande feiten

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken. Volgens de verklaring schuldsaneringsregeling ex artikel 285 Fw bedraagt de totale schuldenlast van [appellante] € 62.491,02, waaronder een preferente schuld aan de belastingdienst van € 10.794,-.

Rechtbank

3.2

De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard, daar het verzoekschrift niet aan de wettelijk voorgeschreven vereisten als bedoeld in artikel 285 Fw voldeed. De rechtbank heeft [appellante] de mogelijkheid gegeven om uiterlijk 4 september 2014 aanvullende stukken aan de rechtbank toe te zenden. De gevraagde stukken zijn echter niet ontvangen.

Beroep

3.3

[appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en voert aan dat zij alle gevraagde stukken heeft overgelegd. De in eerste aanleg ontbrekende stukken worden opgevraagd en worden toegevoegd aan het verzoekschrift.

Oordeel van het hof

3.4

Het hof is van oordeel dat uit de thans voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk is geworden dat er geen reële mogelijkheden waren voor [appellante] om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen met haar schuldeisers. Voorts overweegt het hof dat [appellante] in hoger beroep voldoende toelichting en duidelijkheid heeft gegeven over het ontstaan van haar schulden.

3.5

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het ligt op de weg van de schuldenaar om dit met betrekking tot elk van de schulden aannemelijk te maken.

3.6

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellante] een (preferente) schuld aan de belastingdienst heeft van € 10.794,-. [appellante] heeft aangevoerd dat deze schuld is ontstaan doordat zij, in de hectiek rond de aanloop naar de verkoop van haar onderneming, de nog te betalen lonen aan haar personeel netto had uitbetaald. Hierdoor werd geen loonheffing ingehouden wat heeft geleid tot een forse schuld aan de belastingdienst. Het hof is van oordeel dat deze schuld als niet te goeder trouw in de zin van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw moet worden aangemerkt daar [appellante] wist, althans had moeten weten, dat zij over het uitbetaalde salaris loonheffing diende af te dragen. Dat zij dit heeft nagelaten dient derhalve voor haar eigen rekening te komen. Voorts overweegt het hof dat ten aanzien van de overige schulden - die met name samenhangen met de gevoerde onderneming - niet gesteld kan worden dat deze als niet te goeder trouw moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] ter zitting een afdoende verklaring kunnen geven voor het ontstaan en onbetaald laten van deze schulden. Echter nu de belastingschulden als niet te goeder trouw moeten worden aangemerkt, dient het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op deze grond in beginsel te worden afgewezen.

3.7

Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan, niettegenstaande het feit dat, zoals in dit geval, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw zich voordoet, ingevolge het bepaalde in het derde lid van dat artikel toch worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenoemde hardheidsclausule).

3.8

Naar het oordeel van het hof is in hoger beroep voldoende aannemelijk geworden dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen. [appellante] heeft naar het oordeel van het hof de door de wetgever bedoelde 'ommekeer ten goede' gemaakt. Het hof overweegt dat als gevolg van de hoog opgelopen meningsverschil tussen haar echtgenoot, die feitelijk leiding gaf aan haar onderneming, en de boekhouder en voorts als gevolg van het beëindigen van de onderneming een groot aantal schulden zijn ontstaan. Naar het oordeel van het hof is voormelde ruzie niet aan [appellante] toe te rekenen en heeft zij, toen zij de onderneming na het overlijden van haar echtgenoot moest afwikkelen, alles in het werk gesteld om haar schuldenlast omlaag te brengen. Zo heeft zij op eigen initiatief contact opgenomen met haar schuldeisers en heeft zij - zo blijkt uit het journaalbericht van 28 oktober 2014 - een gedeelte van haar schulden betaald en is een schuld bij (onder andere) Nationale Nederlanden kwijtgescholden. Voorts heeft [appellante] na het beëindigen van de onderneming haar woning onmiddellijk te koop gezet. Uit de stukken blijkt dat er na verkoop van de woning waarschijnlijk nog een (aanzienlijke) overwaarde resteert die ten goede komt aan de schuldeisers, waardoor de schuldenlast (opnieuw) zal afnemen. Voorts acht het hof niet zonder belang dat [appellante] deze adequate maatregelen onder zeer moeilijke omstandigheden wist te treffen, namelijk kort nadat haar echtgenoot zich van het leven had beroofd. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [appellante], die ter zitting van een buitengewoon saneringsgezinde houding heeft blijk gegeven, op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 3 Fw kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

Slotsom

3.9

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat beslist moet worden als volgt.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 september 2014 en, opnieuw recht doende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellante];

verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ter uitvoering van die regeling.

Dit arrest is gewezen door mr. J.G. Idsardi, mr. A.M. Koene en mr. D.J. Buijs en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2014.