Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8641

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
200.129.292-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging samenlevingsovereenkomst. Vergoeding terzake de inbreng in de gemeenschappelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.129.292/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle C/07/200696/ HZ ZA 12-190)

arrest van de tweede kamer van 11 november 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. T.H. Dijkstra, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. D.J. Sol, kantoorhoudend te Zwolle.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 oktober 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 14 november 2013; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.2

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord (met productie).

1.3

Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4.

De vordering van [appellante] zoals geformuleerd bij de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"1. te vernietigen het vonnis van de rechtbank, [woonplaats]-Lelystad d.d. 27 maart 2013

(productie 1), waarvan beroep;

2. Alsnog te oordelen dat [appellante] de hond toegedeeld krijgt;

3. Primair te bepalen dat eiseres gedaagde geen vergoeding verschuldigd is dan wel slechts de helft van het vergoedingsbedrag ad € 26.388,- namelijk € 13.194,- verschuldigd is en te bepalen dat de vrouw dit krachtens artikel 9, lid 1 van het samenlevingscontract kan

voldoen in vijfjaarlijkse termijnen.

4. Gedaagde te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met

nakosten een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en

- - voor het gaat voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te

vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn

van voldoening.

Één en ander voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad."

1.5.

Bij memorie van grieven heeft [appellante] geconcludeerd te beslissen overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding met dien verstande dat de vijf termijnen ingaan op datum van de overdracht van de woning na verkoop.

2 De verdere beoordeling

Feiten

2.1.

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2. (2.1. tot en met 2.4.) van het vonnis van 27 maart 2013 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

2.1.1.

Partijen zijn in 1996 gaan samenwonen.

2.1.2.

Partijen hebben op [datum] een samenlevingsovereenkomst gesloten. Eveneens op die datum is aan hen in gemeenschappelijke eigendom, ieder voor de onverdeelde helft, een woonhuis aan de [adres] te [woonplaats] geleverd, waar zij zijn gaan wonen.

2.1.3.

In voornoemde samenlevingsovereenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

"(…)

Artikel 4

(…)

3. (…) Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt ook de aflossing voor zover deze uit de gemeenschappelijke bank- en girorekening kan worden voldaan tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. (…)

(…)

Artikel 6

(…)

4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning (…) wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen."

(…)

Artikel 9

(…)

Indien door de ene partij een uitkering wegens overbedeling moet worden gedaan aan de ander partij, zal de schuldenaar de bevoegdheid hebben de uitkering te voldoen in vijf gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt zes maanden na ontbinding van de overeenkomst. Over het nog niet betaalde deel van de uitkering is door de schuldenaar een rentevergoeding verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente.(…)"

2.1.3.

Ter financiering van de koopprijs (€ 247.000,-) vermeerderd met kosten koper sloten partijen twee hypothecaire geldleningen van in het totaal € 237.000,- en een overbruggingskrediet van € 36.300,- , voorts sloten zij een (qua opbrengst te zijner tijd bij helfte tussen hen te delen) ASR-beleggingsverzekering.

2.1.2.

De aan [geïntimeerde] toebehorende woning in [plaats] is in mei 2006 verkocht.

Met de overwaarde van die woning is het overbruggingskrediet afgelost, een bedrag van

€ 36.300,-, alsmede de lopende rente ad € 83,19 en de dagrente ad € 11,10 op dat krediet.

2.1.3.

Partijen zijn in april 2011 uiteengegaan.

2.1.4.

Partijen hebben op 23 november 2012 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Onder 3. van genoemde overeenkomst is onder meer bepaald: "De opbrengst (over- dan wel onderwaarde) van de woning zal onder partijen bij helfte worden verdeeld na aftrek van alle (verkoop) kosten , de hypotheken en de bij helfte te delen beleggingsverzekering. Bij deze verdeling geldt dat de man aanvullend de helft van de premies voor de beleggingspremies aan de vrouw moet vergoeden indien en voor zover de vrouw deze sedert september 2011 heeft voldaan voor genoemde verzekering; deze verdeling bij helfte wordt evenwel (verder) aangepast als nader door de rechtbank bij vonnis te bepalen indien de rechtbank toewijst onderstaande vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van de door [geïntimeerde] gestelde privé -inleg in de woning ad EUR 36.300,=."

(…)

Artikel 9

(…)

5. Indien door de ene partij een uitkering wegens overbedeling moet worden gedaan aan de andere partij, zal de schuldenaar de bevoegdheid hebben de uitkering te voldoen in vijf gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt zes maanden na ontbinding van de overeenkomst. Over het nog niet betaalde deel van de uitkering is door de schuldenaar een rentevergoeding verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente.

(…)

Partijen hebben overigens geen vorderingen en/of vermogensbestanddelen met elkaar te verrekenen en/of te verdelen en zij verlenen elkaar finale kwijting inzake de afwikkeling van de beëindigde samenlevingsrelatie."

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2.2.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd - verkort weergegeven - de verdeling van het gemeenschappelijke vermogen tussen partijen ex artikel 3:166 BW en een machtiging om in het geval van het ontbreken van medewerking door [geïntimeerde] te kunnen overgaan tot onderhandse verkoop en levering van de gemeenschappelijke woning.

2.2.2.

Partijen hebben tijdens de comparitie in eerste aanleg een vaststellingsovereenkomst gesloten ten aanzien van vrijwel alle geschilpunten. In geschil bleven de toedeling van de huisdieren en de vergoeding terzake de inbreng in de gemeenschappelijke woning.

De rechtbank heeft in haar vonnis de hond aan [geïntimeerde] toegedeeld en de poezen aan [appellante]. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat [geïntimeerde] € 26.388,- dient te ontvangen van de te zijner tijd te realiseren verkoopopbrengst van de woning en de waarde van de ASR-beleggingsverzekering. Op voornoemd vergoedingsbedrag ad € 26.388,- strekt dan in mindering de helft van de achterstallige premies die [geïntimeerde] verschuldigd is aan [appellante] voor de ASR-beleggingsverzekering tot datum levering van de woning.

De restantopbrengst minus de verkoopkosten en de twee hypotheken valt partijen bij helfte toe, zo oordeelt de rechtbank.

Het geschil in hoger beroep

2.3.

Ter gelegenheid van de comparitie bij het hof hebben partijen overeenstemming bereikt met betrekking tot de hond, in die zin dat de hond voortaan bij [appellante] verblijft. Voorts zijn partijen het erover eens dat [geïntimeerde] vanuit zijn privévermogen (de opbrengst van zijn woning in [plaats]) een bedrag van € 26.388,- heeft voldaan ter aflossing van het overbruggingskrediet. Partijen zijn voorts overeengekomen dat indien de opbrengst van de woning in [woonplaats] onvoldoende is om de aan de woning verbonden schulden te voldoen, de afkoopsom van de ASR-beleggingsverzekering primair zal worden aangewend ter aflossing van die schulden.

2.4.

[appellante] heeft één grief aangevoerd. De grief is volgens haar toelichting gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het bedrag van € 26.388,- overeenkomstig

artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst moet worden beschouwd als een aan [geïntimeerde] te vergoeden inleg. Volgens [appellante] hebben partijen gezamenlijk hypothecaire geldleningen (waaronder het overbruggingskrediet) gesloten en met het daarmee verkregen geld voor een bedrag van € 273.300,- de woning in [woonplaats] gekocht en betaald. Ieder van partijen is draagplichtig voor de helft. Doordat [geïntimeerde] nadien een bedrag van € 26.388,- heeft afgelost op genoemde leningen is die gezamenlijke schuld gedaald naar € 246.417,00, waardoor € 123.208,50 (€ 246.417,-/2) ieders aandeel in de schuld is geworden. Dit houdt in dat [appellante] € 13.194, - voordeel heeft genoten nu ook haar aandeel in de totale schuld is gedaald. In het licht van artikel 6 lid 4 en 4 lid 3 van het samenlevingscontract is zij laatstgenoemd bedrag aan [geïntimeerde] verschuldigd, aldus [appellante].

2.5.

In hoger beroep dient het hof uitsluitend nog te beoordelen of [geïntimeerde], gelet op het bepaalde in artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst voor het gehele bedrag van € 26.388,- een vordering heeft op [appellante] omdat hij meer dan zijn aandeel in de woning en de koopsom van de woning heeft voldaan of de helft, omdat de aflossing tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding wordt gerekend.

2.6.

In verband met de aankoop van de woning hebben partijen twee hypothecaire geldleningen afgesloten voor een bedrag van - in totaal - € 237.000,- (r.o.2.1.3.) en daarnaast is een bedrag van € 36.300,- beschikbaar gesteld in de vorm van een overbruggingskrediet dat op 1 juni 2006 door [geïntimeerde] is ingelost uit de overwaarde van zijn voormalige woning te [plaats]. Uit de notariële afrekeningsnota blijkt dat de aankoopkosten van de woning - in totaal- hebben bedragen € 263.388,- (aankoopbedrag € 247.000,-, overdrachtsbelasting

€ 14.820,-, zakelijke lasten € 205,37 notariskosten € 1.147,- en € 216,-

(€ 286,- minus € 70,-). Het verschil ten opzichte van de hypothecaire lening (€ 263.388,- minus € 237.000,-) bedraagt € 26.388,-. Dit bedrag heeft [geïntimeerde] geïnvesteerd in de koopsom en aankoopkosten van de woning en is door hem voldaan uit de overwaarde

(€ 36.300,-) van zijn voormalige woning. Het hof is van oordeel dat artikel 4 lid 3 ziet op de situatie waarin partijen van de gemeenschappelijke rekening tot aflossing overgaan. Daarvan is hier geen sprake nu is vastgesteld dat de aflossing is gedaan uit de overwaarde van een uitsluitend aan [geïntimeerde] in eigendom toebehorende woning. Dit leidt ertoe dat [geïntimeerde]

€ 26.388,- meer dan zijn aandeel heeft voldaan en voor dit bedrag in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst een vordering heeft op [appellante].

Bij verkoop van de woning komt aan [geïntimeerde] een vordering op [appellante] toe ter zake vergoeding wegens overbedeling ter hoogte van € 26.388,-. Met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar vonnis in r.o. 3.13 heeft overwogen.

2.7.

[appellante] heeft een beroep gedaan op artikel 9 lid 5 van de samenlevingsovereenkomst. Zij wenst het bedrag dat zij is verschuldigd uit overbedeling in vijf gelijke jaarlijkse termijnen te voldoen na datum overdracht van de woning wegens verkoop. [geïntimeerde] heeft weliswaar zich verzet tegen een uitkering in termijnen, maar nu het samenlevingscontract geen nadere voorwaarden stelt aan de bevoegdheid tot termijnbetaling zal het hof termijnbetaling toestaan met dien verstande dat [appellante] de wettelijke rente is verschuldigd over het nog niet betaalde deel van de uitkering.

Slotsom

2.8.

Het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd met dien verstande dat de hond, zoals door partijen is overeengekomen, aan [appellante] zal worden toegedeeld. [appellante] zal een eventuele uitkering wegens overbedeling in vijf jaarlijkse termijnen mogen voldoen, zoals in het dictum vermeld. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 27 maart 2013 voor zover [appellante] is veroordeeld tot afgifte van de hond aan [geïntimeerde] en doet in zoverre opnieuw recht;

deelt de hond toe aan [appellante];

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

bepaalt dat [appellante] de vordering wegens overbedeling in vijf gelijke jaarlijkse termijnen mag voldoen, waarbij de eerste termijn vervalt de dag na datum overdracht van de woning en de wettelijke rente is verschuldigd over het nog niet voldane gedeelte van het verschuldigde bedrag;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. G. van Rijssen en m. G.K. Schpmölder en is door de rolraadsheer uitgesproken op dinsdag 11 november 2014.