Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8637

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
200.118.929-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Advocatenkantoor eist betaling van onbetaalde facturen. Wederpartij betwist een uurtarief verschuldigd te zijn en beroept zich erop dat de betrokken advocaat hem op basis van een toevoeging zou bijstaan. Hof bekrachtigt toewijzend vonnis met aanvulling en verbetering van gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.118.929/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 185058/HZ ZA 11-564)

arrest van de eerste kamer van 11 november 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.R.B. Dayala, kantoorhoudend te Diemen, die ook heeft gepleit,

tegen

[het advocatenkantoor],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [het advocatenkantoor],

advocaat: mr. [advocaat 1], kantoorhoudend te [vestigingsplaats], die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 5 september 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 november 2012,

- het exploot van 13 maart 2014 tot vervroeging,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- de akte van depot door [het advocatenkantoor],

- het gehouden pleidooi waarbij akte is verleend van op voorhand door [het advocatenkantoor] ingezonden producties en waarbij van beide zijden pleitnotities zijn overgelegd.

2.2

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald op het pleitdossier.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"(…) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad (…) gewezen tussen partijen op 5 september 2012 (…) integraal te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover mogelijk volgens de Wet, geïntimeerde alsnog in diens vordering(en) niet-ontvankelijk te verklaren althans hem deze integraal te ontzeggen en af te wijzen dan wel te matigen tot nihil althans - subsidiair - alsnog een begrotingsprocedure te gelasten onder het aanhouden van uw beslissing (in appèl) totdat in de begrotingsprocedure bij de Raad van Toezicht (onherroepelijk) uitspraak is gedaan,

met veroordeling van geïntimeerde in zowel de kosten van eerste aanleg als die van het hoger beroep, salaris van de advocaat daaronder begrepen."

3 De vaststaande feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.5) in het bestreden vonnis van 5 september 2012 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten luiden, met enkele aanvullingen van het hof, als volgt.

3.2

[appellant] heeft zich begin 2010 tot [het advocatenkantoor] gewend met het verzoek om hem bij te staan in een reeds aanhangige civiele procedure.

3.3

Bij aangetekende brief van 8 juli 2010 heeft mr. [advocaat 1] [appellant] erop gewezen dat [het advocatenkantoor] bij overname van de tot dan toe op toevoegingsbasis gevoerde procedure slechts een uiterst geringe vergoeding zou ontvangen, aangezien deze met de vorige advocaat van [appellant] zou moeten worden gedeeld, terwijl "het gehele dossier zou moeten worden doorgenomen en de zitting zou moeten worden bezocht."

De brief vervolgt: "Ondergetekende heeft enerzijds een zeer groot tijdsgebrek in verband met de vele zaken welke ik op dit moment in behandeling heb.

Voorts wil ondergetekende een zaak waarbij de toevoegingsvergoeding nog moet worden verdeeld niet overnemen en zult u zich toch moeten laten bijstaan door de advocaat te Zwolle. Deze draagt op dit moment nog de volledige verantwoordelijkheid voor de behandeling van de zaak.

Het kantoor is uitsluitend bereid de behandeling van de zaak over te nemen op basis van de toepasselijkheid van de kantoortarieven.

(…)"

3.4

Bij schrijven van 15 juli 2010 heeft [het advocatenkantoor] de opdracht bevestigd en [appellant] erop gewezen dat geregistreerde uren in rekening zullen worden gebracht en dat het uurtarief daarbij € 210,- exclusief BTW bedraagt (exclusief 6% kantoorkosten en reiskosten ad € 0,30 per kilometer).

3.5

[het advocatenkantoor] heeft op of omstreeks 14 juli 2010 een "behandelovereenkomst inzake verrichten juridische werkzaamheden" opgesteld en (in elk geval) op of omstreeks

14 juli 2010 aan [appellant] ter ondertekening aangeboden. De in deze behandelovereenkomst genoemde partijen zijn [het advocatenkantoor] en [appellant].

De tekst van deze behandelovereenkomst luidt - voor zover thans van belang - als volgt:

"In aanmerking nemende

Cliënt verzoekt [advocaat 1] juridische werkzaamheden te verrichten in verband met een zitting bij het gerechtshof te Leeuwarden d.d. 29 juli 2010.

Schriftelijke bescheiden dienen te worden aangereikt uiterlijk 19 juli 2010.

De heer [appellant] wenst dat Mr. [advocaat 1] deze werkzaamheden zal overnemen van de vorige advocaat jegens wie hij een klacht heeft ingediend en met wie hij de relatie heeft gestaakt.

Bij brief van 08 juli heeft Mr. [advocaat 1] bij aangetekende brief aan de heer [appellant] laten weten de werkzaamheden niet op toegevoegde basis te willen verrichten (…).

(…)

Mr. [advocaat 1] heeft de heer [appellant] medegedeeld niet bereid te zijn de werkzaamheden over te nemen in dit late stadium, en in ieder geval niet op toegevoegde basis.

(…)

Op 14 juli 2010 is de heer N. [appellant] wederom op kantoor verschenen met het dringende verzoek de werkzaamheden over te nemen. Wij komen overeen als volgt:

Mr. [advocaat 1] verklaart zich bereid de werkzaamheden voort te zetten. Dit uitsluitend op basis van toepassing van de kantoortarieven ter hoogte van € 180,00 per geregistreerd uur, verhoogd met BTW en verhoogd met 6% algemene kantoorkosten.

(…)".

3.6

[het advocatenkantoor] heeft vervolgens in of omstreeks de periode juli 2010 tot en met maart 2011 juridische werkzaamheden verricht voor [appellant]. De werkzaamheden zijn verricht door de advocaat mr. [advocaat 1].

3.7

Voor deze werkzaamheden heeft [het advocatenkantoor] diverse facturen aan [appellant] verzonden voor een totaalbedrag van € 30.644,57, welke [appellant] onbetaald heeft gelaten.

3.8

Op 7 december 2011 heeft [appellant] aangifte gedaan van valsheid in geschrifte.

Voor zover thans van belang luidt deze aangifte als volgt:

"(…) In 2010 heeft het [het advocatenkantoor], gevestigd aan de [adres] in [vestigingsplaats] mijn belangen behartigd betreffende mijn scheiding van mijn vrouw.

(…)

Dit Advocatenkantoor heeft mij in juli 2010 2 originele Behandelovereenkomsten inzake verrichte werkzaamheden toegestuurd. Ik moest vervolgens beide exemplaren ondertekenen en er een retourneren.

Ik heb deze overeenkomst toen niet teruggestuurd omdat ik het niet eens was over de inhoud en dit niet volgens de afspraak was. Ook was dit niet op basis van de civiele toevoeging van Rechtsbijstand.

Op 16 juli 2010 had ik hierover een gesprek met dhr. [het advocatenkantoor] zelf.

In april 2011 heeft [advocaat 1] mij toen een nota van 33.000,00 Euro gestuurd. [advocaat 1] had op basis van toevoeging en niet op het uurtarief de zaak moeten behandelen.

(…)

Hij heeft 92 uur voor mij gewerkt aan de boedelscheiding terwijl andere advocaten dit doen voor 15 uur is mij verteld.

Hierbij vind ik dat ik ook door [advocaat 1] ben opgelicht.

[advocaat 1] vertelde mij als ik niet zou betalen dan zou hij naar de civiele rechter stappen.

[advocaat 1] heeft schriftelijk een dossier samengesteld en bij de rechtbank Zwolle ingeleverd. Deze civiele zaak loopt nog en is momenteel in behandeling.

Ik kreeg vervolgens advocaat [advocaat 2] uit Deventer toegewezen door de Orde van Advocaten in Zwolle waar ik mondeling een klacht had ingediend tegen [advocaat 1].

[advocaat 2] heeft toen de overeenkomst toevoeging en mijn dossier bij [het advocatenkantoor] opgevraagd.

Onder deze overeenkomst staat mijn handtekening.

Deze heb ik echter nooit gezet.

Als ik een handtekening zet doe ik dat nooit met een blauwe pen maar altijd met een zwarte pen.

(…)".

3.9

Mr. [advocaat 1] heeft hierop aangifte gedaan van het doen van valse aangifte door [appellant].

4 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[het advocatenkantoor] heeft in eerste aanleg - samengevat - op grond van de hiervoor onder 3.2 weergegeven behandelovereenkomst gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 33.097,74, vermeerderd met rente en (beslag)kosten. Voorts heeft [het advocatenkantoor] een schadevergoeding op te maken bij staat gevorderd op de grond dat [appellant] haar in afwijking van het liquidatietarief de volledige kosten van mr. [advocaat 1] dient te vergoeden.

4.2

[appellant] heeft betwist dat hij de bedoelde behandelovereenkomst heeft ondertekend en zich erop beroepen dat [het advocatenkantoor] de werkzaamheden op toevoegingsbasis had moeten verrichten.

4.3

De rechtbank acht de stelling van [appellant] dat de op het origineel van de behandelovereenkomst voorkomende handtekening niet de zijne is, in het licht van zijn eerdere standpunt ongeloofwaardig. De rechtbank heeft overwogen dat zij er daarom van uitgaat dat [appellant] de behandelovereenkomst heeft getekend waarmee hij akkoord is gegaan met de inhoud ervan, en dat [het advocatenkantoor] op die basis haar werkzaamheden aan [appellant] mocht declareren en geen toevoeging hoefde aan de vragen. Bij gebreke van een genoegzame inhoudelijk betwisting van de declaraties acht de rechtbank de gevorderde hoofdsom en wettelijke rente toewijsbaar, evenals de beslagkosten. De door [het advocatenkantoor] gevorderde schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen, onder overweging dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die misbruik van recht opleveren en daarom een integrale kostenveroordeling zouden kunnen rechtvaardigen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten acht de rechtbank evenmin toewijsbaar.

4.4

[appellant] is bij het bestreden vonnis veroordeeld om aan [het advocatenkantoor] € 30.644,57 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2011, en voorts om ter zake van beslagkosten € 803,13 te voldoen. [appellant] werd in de proceskosten verwezen.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De grieven en beoordeling in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft in zijn memorie van grieven acht grieven tegen het bestreden vonnis geformuleerd.

Grief 1 is gericht tegen het oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat [appellant] de behandelovereenkomst heeft ondertekend.

De grieven 2 en 5 betreffen de vraag of [het advocatenkantoor] gerechtigd was de werkzaamheden op basis van een uurtarief bij [appellant] te declareren.

Grief 3 betreft de hoogte van het gedeclareerde bedrag.

Met grief 4 wordt de verzending en ontvangst van de facturen aan de orde gesteld.

Grief 6 komt op tegen het oordeel dat de hoofdsom toewijsbaar is met wettelijke rente.

Grief 7 betoogt dat [appellant] ten onrechte in de beslagkosten en de proceskosten werd veroordeeld.

Grief 8 ten slotte keert zich tegen het dictum als geheel en tegen de daarvan deel uitmakende uitvoerbaarheid bij voorraad in het bijzonder.

5.2

Beide partijen hebben bij gelegenheid van het in hoger beroep gehouden pleidooi een standpunt naar voren gebracht dat een nieuwe grief oplevert.

[appellant] heeft op dat moment voor het eerst aangevoerd dat de overeenkomst aan een wilsgebrek lijdt, aangezien hij gelet op zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal niet geacht kan worden akkoord te zijn gegaan met de inhoud ervan.

[het advocatenkantoor] heeft, eveneens voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep, bepleit dat de integrale kostenveroordeling ten onrechte werd afgewezen.

De in art. 347 lid 1 Rv besloten "twee-conclusieregel" brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd (HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771). Op deze regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, zoals in genoemd arrest is aangegeven. Het hof oordeelt dat daarvoor in dit geval geen aanleiding bestaat. De nieuwe grieven zijn tardief. Het hof laat ze buiten beschouwing.

5.3

Kern van de onderhavige zaak is de vraag of [het advocatenkantoor] gerechtigd was om de werkzaamheden van mr. [het advocatenkantoor] bij [appellant] in rekening te brengen, zoals zij heeft gedaan. [het advocatenkantoor] beroept zich op de behandelovereenkomst, waarin is opgenomen dat de werkzaamheden op basis van een uurtarief worden verricht.

[appellant] betwist dat hij daar zijn handtekening onder heeft gezet en stelt dat er bij het aangaan van de overeenkomst geen prijsafspraak is gemaakt.

Het hof stelt voorop dat [appellant] de opdracht aan [het advocatenkantoor] om hem bij te staan in de kwesties waar de onbetaalde facturen op zien niet betwist. Anders dan [appellant] (getuige hetgeen hij ten pleidooie heeft aangevoerd) klaarblijkelijk meent, doet het al dan niet bestaan van een prijsafspraak aan de geldigheid van die opdracht niet af. Bij gebreke van prijsafspraken is hij immers een gebruikelijke of redelijke vergoeding voor de opgedragen werkzaamheden verschuldigd (art. 7:405 lid 2 BW).

[appellant] heeft aangevoerd dat voor hem het voorbehoud gold dat mr. [het advocatenkantoor] zijn werkzaamheden op toevoegingsbasis zou verrichten, aangezien de verrichtingen van zijn vorige advocaat ook op die basis hadden plaatsgevonden. Nog daargelaten of [appellant] dit voorbehoud voldoende duidelijk kenbaar heeft gemaakt, mocht hij er naar het oordeel van het hof niet van uitgaan dat deze voorwaarde aan de kant van [het advocatenkantoor] was geaccepteerd. Uit de hiervoor onder 3.3 vermelde brief van 8 juli 2010 blijkt immers het tegendeel. Voorts moet het [appellant], voor zover hij die brief niet zou hebben ontvangen, in ieder geval uit de – naar hij aangeeft per post door hem ontvangen - tekst van de behandelovereenkomst duidelijk zijn geweest dat [het advocatenkantoor] niet genegen was de werkzaamheden op toevoegingsbasis te verrichten.

5.4

Daarvan uitgaande, en voorts, louter veronderstellenderwijs, uitgaande van de eigen stelling van [appellant] dat er geen prijsafspraak werd gemaakt, ligt vervolgens de vraag voor of [appellant] met de facturen een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden van

mr. [het advocatenkantoor] in rekening is gebracht.

Het door [het advocatenkantoor] aan [appellant] berekende uurtarief bedraagt € 180,- exclusief BTW en exclusief reiskosten en 6% kantoorkosten. Dat dit tarief als ongebruikelijk of onredelijk moet worden aangemerkt, is gesteld noch gebleken.

[het advocatenkantoor] heeft de juistheid van haar facturen uitgebreid onderbouwd, onder meer door de aan de facturen ten grondslag liggende urenadministratie in het geding te brengen.

Nu het aantal in rekening gebrachte uren door [appellant] niet genoegzaam is betwist, moet de conclusie zijn dat hij de gefactureerde bedragen aan [het advocatenkantoor] is verschuldigd.

De niet onderbouwde stelling van [appellant] dat hem verteld is dat andere advocaten beduidend minder tijd aan zijn zaak zouden hebben besteed, is onvoldoende om daar aan af te doen.

5.5

Voor zover [appellant] nog heeft gesteld dat hij niet alle facturen en aanmaningen van [het advocatenkantoor] heeft ontvangen, merkt het hof op dat dat onverlet laat dat hij blijkens zijn eigen verklaring tegenover de politie (hiervoor weergegeven onder 3.8) in ieder geval in april 2011 (de door de rechtbank gehanteerde rentedatum) wist dat [het advocatenkantoor] aanspraak maakte op betaling van volgens [appellant] maar liefst € 33.000,- en dat bij niet betaling rechtsmaatregelen zouden volgen.

5.6

Het voorgaande brengt mee dat de echtheid van het door [het advocatenkantoor] gedeponeerde stuk in het midden kan blijven, zodat grief 1 doel mist.

Uit het voorgaande volgt bovendien dat reeds op de voormelde gronden het oordeel van de rechtbank dat [appellant] de facturen ten onrechte onbetaald heeft gelaten juist is, zodat ook de grieven 2 tot en met 6 niet kunnen slagen.

5.7

Gelet op het voorgaande is [appellant] in eerste aanleg terecht in de kosten van de procedure verwezen. Dat de door [het advocatenkantoor] gemaakte beslagkosten daarbij buiten beschouwing zouden moeten blijven, valt zonder nadere toelichting, die [appellant] niet geeft, niet in te zien.

Grief 7 faalt.

5.8

In grief 8 trekt [appellant] nog ten strijde tegen de in eerste aanleg uitgesproken uitvoerbaarheid bij voorraad. [appellant] heeft bij de beoordeling daarvan echter geen belang nu - zoals hierna zal blijken - het hof thans eindarrest wijst en gesteld noch gebleken is dat [appellant] aan het vonnis in eerste aanleg heeft voldaan.

6 Slotsom

6.1

De slotsom is dat de grieven falen en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd onder aanvulling en verbetering van de gronden.

6.2

[appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld (geliquideerd salaris van de advocaat 3 punten tarief II).

7 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 september 2012 waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en bepaalt deze kosten, aan de zijde van [het advocatenkantoor] gevallen op € 1.815,- aan verschotten en op € 2.682,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L Fikkers, mr. A.M. Koene en mr. D.J. Buijs en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 november 2014.