Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8633

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
200.107.541-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding in hoger beroep. Spoedeisend belang. Opzegging maatschap. Gedwongen medewerking aan overname aandeel door mede-vennoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.107.541/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 119049 / KG ZA 12-104)

arrest in kort geding van de tweede kamer van 11 november 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats 1],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. W.R. Kamminga, kantoorhoudend te Oosterwolde (Fr),

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. L.A. Witsenburg, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 25 april 2012 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 mei 2012,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- de akte van [appellante] van 3 december 2013.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] in hoger beroep luidt:

"(…) voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij arrest:

I. het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 25 april 2012 gewezen onder zaaknummer - en rolnummer 119049 / KG ZA 12-204 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van geïntimeerde als eiser in eerste aanleg alsnog af te wijzen en geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder, vast recht en salaris advocaat van appellante, te begroten volgens het gebruikelijke tarief."

3 De beoordeling

3.1.

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2. (2.1. tot en met 2.12) van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

3.1.2.

[appellante] en [de vader van geïntimeerde] - de vader van [geïntimeerde] - waren getrouwd en

exploiteerden in maatschapsverband een melkveebedrijf (hierna ook te noemen: de

boerderij). [de vader van geïntimeerde] is in december 1999 overleden, waarna [appellante] de

boerderij heeft voortgezet als eenmanszaak. De werkzaamheden werden voortgezet door het

gezin, waaronder [geïntimeerde] en [appellante].

3.1.3.

Vanaf 1 januari 2005 exploiteren [geïntimeerde] en [appellante] de boerderij samen in

maatschapsverband. Hiertoe hebben zij op 27 september 2005 een maatschapsakte laten

opstellen, waarin - voor zover hier van belang - het volgende is bepaald;

"Duur, aanvang en opzegging

Artikel 2

De maatschap is aangegaan voor onbepaalde tijd met ingang van 1 januari 2005. Zij kan

door partijen te allen tijde worden opgezegd mits zulks geschiedt bij aangetekend schrijven

en een opzegtermijn van minstens 3 maanden in acht wordt genomen.

Inbreng

Artikel 3

Door ieder der vennoten wordt in de maatschap ingebracht haar/zijn kennis, vlijt en

arbeidskracht.

Voorts door:

A. vennoot sub 1 [[appellante]; toevoeging hof]:

I. De juridische eigendom van de haar toebehorende - tot 1 januari 2005 in het voor eigen rekening uitgeoefende agrarisch bedrijf aangewende - niet- registergoederen, bestaande

uit roerende zaken, zoals: machines en werktuigen, veestapel, liquide middelen,

veldinventaris en voorraden, alsmede bestaande uit bepaalde vermogensrechten, zoals:

ledenkapitalen en vorderingen, een en ander blijkens de door de in artikel 9 lid 2

genoemde deskundige opgemaakte balans per 31 december 2004.

II Het gebruik en genot van de haar toebehorende - tot 1 januari 2005 in het voor eigen

rekening uitgeoefende agrarisch bedrijf aangewende - registergoederen, bestaande uit:

Boerenhuizinge, ligboxenstal, bijgebouwen, erf en ondergrond, staande en gelegen te

[woonplaats 2], [adres 1] en percelen weiland, kadastraal bekend, [gemeente X],

[kadastrale nummers 1] en [gemeente Y] [kadastrale nummers 2]

[kadastrale nummers 2], totaal groot circa 32.62.60

hectare, inclusief toeslagrechten, een en ander blijkens voormelde balans.

III De economische eigendom van de haar in eigendom toebehorende referentiehoeveelheid melk ad 533.864 kilogram, melkprijsjaar 2004/2005, vetreferentie 4,47 %.

IV Het gebruik en genot van de haar in eigendom toebehorende mestproductierechten als bedoeld in de Meststoffenwet, ter grootte van 125 kilogram fosfaat per hectare.

B. de vennoot sub 2 [[geïntimeerde]; toevoeging hof]:

I Een vordering op de vennoot sub 1 voor een bedrag van € 28.134,-

(zegge achtentwintigduizendeenhondervierendertig euro)

(…)

Einde der maatschap

Artikel 12

1. De maatschap eindigt:

a. (...)

b. Door opzegging ingevolge het in artikel 2 bepaalde.

(..)

En wel zodra zich bedoelde feiten of omstandigheden voordoen, behalve in geval van

opzegging omdat de maatschap dan eindigt op het tijdstip waartegen is opgezegd.

Gerechtigdheid bij het einde van de maatschap

Artikel 13

Bij het eindigen der maatschap is ieder der vennoten in het vermogen van de maatschap

gerechtigd voor het bedrag, waarvoor hij ingevolge het in artikel 3 bepaalde in de boeken

der maatschap is gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met haar/zijn aandeel in de

winst of het verlies, gemaakt of geleden blijkens de balans en winst- en verliesrekening

opgemaakt overeenkomstig het in artikel 7 en 8 bepaalde naar de dag waarop de maatschap

is beëindigd.

(…)

Voortzetting

Artikel 14

1. Bij het eindigen der maatschap op grond van de gevallen genoemd in artikel 12:

lid b (opzegging door één der vennoten);

(…)

heeft de overblijvende vennoot, (...), het recht het bedrijf van de maatschap voort te

zetten en:

a. Heeft de voortzettende vennoot het recht het aandeel van de andere vennoot in de

activa van de maatschap over te nemen, dan wel zich te laten toescheiden voor de

agrarische waarde, zijnde de waarde waarbij een lonende exploitatie mogelijk blijft

onder de verplichting om alle maatschapsschulden voor haar/zijn rekening te nemen,

de andere vennoot dienaangaande te vrijwaren en aan de andere vennoot, diens

rechtsvertegenwoordigers of rechtverkrijgenden de aldus bepaalde waarde van het

aandeel in de maatschap en al hetgeen van de maatschap, blijkens de in artikel 13

genoemde balans te vorderen is, uit te keren, mits zij/hij dit binnen zes maanden na

het einde der maatschap bij aangetekend schrijven te kennen geeft.

Productierechten en toeslagrechten zijn hierin met inachtneming evenwel van het

hiernavolgende - eveneens begrepen.

b. Heeft de voortzettende vennoot, indien zij/hij dit binnen zes maanden na het einde

der maatschap bij aangetekend schrijven te kennen geeft het recht alle - tot het

buitenvennootschappelijk bedrijfsvermogen van de andere vennoot behorende -

goederen over te nemen:

voor de agrarische waarde, zijnde de waarde waarbij een lonende exploitatie

mogelijk blijft.

Productierechten en toeslagrechten zijn hierin - met inachtneming evenwel van het

hierna volgende - eveneens begrepen.

c. Heeft de vennoot sub 2, indien hij de voortzettende vennoot is het recht van de

uittredende vennoot, diens rechtsvertegenwoordigers of rechtverkrijgenden te eisen

dat met hem een pachtovereenkomst voor de wettelijke duur wordt aangegaan

betreffende de door de andere vennoot in gebruik en genot ingebrachte

registergoederen, zulks in plaats van overname van deze betreffende goederen, mits

hij dit binnen zes maanden na het einde van de maatschap bij aangetekend schrijven

te kennen geeft.

(…)

2. Hetgeen met inachtneming van het bovenstaande verschuldigd is aan de stakende

vennoot, diens rechtsvertegenwoordigers of rechtverkrijgende(n), zal met bijberekening

van 5% rente per jaar over het verschuldigde of het restant daarvan als volgt worden

voldaan: door aflossing in 1 termijn binnen een jaar na einde van de maatschap c.q.

voortzetting van de onderneming van de maatschap.

Is het saldo negatief dan moet dit binnen een jaar na het einde van de maatschap zonder bijberekening van rente worden aangezuiverd.

(…)

Onherroepelijke volmacht en boetebeding

Artikel 15

1. De niet-voortzettende vennoot verleent bij deze een onherroepelijke volmacht met de macht van substitutie aan de voortzettende vennoot om voor en namens de niet

voortzettende vennoot, diens rechtsvertegenwoordigers of diens rechtverkrijgenden te

compareren en te handelen, ten einde het zakelijk recht van juridisch eigendom te

leveren dan wel andere rechten te doen overgaan aan de voortzettende vennoot,

overeenkomstig het in artikel 14 bepaalde van de aldaar genoemde goederen en

overigens onder de voorwaarden als voorzien in deze overeenkomst.

2. De onherroepelijke volmacht heeft externe werking, zodat herroeping derhalve geen

rechtsgevolg heeft. De onherroepelijke volmacht eindigt niet door de dood of

ondercuratelestelling van een vennoot. Het in dit artikel bepaalde ten aanzien van

levering en volmacht geldt eveneens met betrekking tot de baten, waarvoor een recht op

toedeling bestaat.

3. Is niettemin de medewerking van de niet-voortzettende vennoot voor een rechtsgeldige levering van de hiervoor bedoelde goederen vereist en is de niet voortzettende vennoot weigerachtig deze medewerking te verlenen, dan verbeurt zij/hij de in het volgende lid bepaalde direct opeisbare en niet voor korting vatbare boete aan de voortzettende vennoot.

4. De boete bedraagt € 500,- (zegge: vijfhonderdeuro) voor elke dag dat de niet

voortzettende vennoot in gebreke blijft aan de levering mee te werken.

5. De niet-voortzettende vennoot is in gebreke indien zij/hij door aangetekend schrijven

een maand tevoren door de voortzettende vennoot is uitgenodigd aan de levering mee te

werken.”

3.1.4.

Met de jaren is de verhouding tussen [geïntimeerde] en [appellante] verslechterd.

3.1.5.

Bij brief van 20 juli 2011 heeft mr. Kamminga voornoemd namens

[appellante] de maatschap per 1 november 2011 opgezegd.

3.1.6.

[geïntimeerde] heeft bij brief van 25 juli 2011 gericht aan [appellante] de beëindiging

van de maatschap bevestigd. Vervolgens heeft hij bij brief van 12 augustus 2011 aan

[appellante] en mr. Kamminga bericht als overblijvende vennoot gebruik te maken van

zijn recht op voorzetting en overname van het aandeel van [appellante] in de activa van

de maatschap alsmede de goederen van [appellante] die tot het buitenmaatschappelijk

vermogen behoren en heeft hij [appellante] - met verwijzing naar artikel 15 lid 5 van de

maatschapsakte - uitgenodigd om uiterlijk op 1 november 2011 aan levering mee te werken.

3.1.7.

In reactie op voormelde brief van 12 augustus 2011 heeft mr. Kamminga namens

[appellante] op 30 augustus 2011 bij brief aan [geïntimeerde] bericht een levering op

1 november 2011 niet haalbaar te achten, omdat volgens hem eerst sprake kon zijn van een

juridische levering als er volledige overeenstemming was.

3.1.8.

Op 24 oktober 2011 kregen [geïntimeerde] en [appellante] in een gesprek met de

ABN AMRO Bank (hierna: ABN AMRO) medegedeeld dat zij in het kader van de met

ABN AMRO gesloten kredietovereenkomst tot uiterlijk 1 december 2010 de tijd kregen om de jaarcijfers 2010 gezamenlijk ondertekend te produceren. Dit is partijen niet gelukt. Vanwege een gebrek aan vertrouwen van [geïntimeerde] in Accon AVM, de accountant die tot dan toe de jaarcijfers van de maatschap had opgesteld, heeft hij een andere accountant ingeschakeld om de jaarcijfers 2010 en 2011 op te stellen, te weten Novel Groep. [appellante] liet Accon AVM de jaarcijfers 2010 en 2011 opstellen. Het lukte partijen niet om overeenstemming te bereiken over de jaarcijfers 2010 en 2011. Ook lukte het partijen niet om overeenstemming te bereiken over de afwikkeling van de maatschap.

3.1.9.

In een bespreking tussen ABN AMRO en partijen en hun adviseurs, die plaatsvond

op 23 februari 2012 heeft ABN AMRO voormelde kredietovereenkomst opgezegd tegen

1 mei 2012. Dit heeft ABN AMRO bij brief van 23 februari 2012 aan partijen bevestigd.

In deze brief staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

“Wij verwijzen naar de bespreking op 20 februari jongstleden op ons kantoor te [plaats 1]. (…)

Tijdens het gesprek d.d. 20.02.2012 kregen wij geen andere indruk van partijen dan een

verdere verharding van standpunten, welke indicatie wij reeds kregen uit uw recente

onenigheid ter zake de fiattering van diverse betalingen van de maatschaprekening.

Niet zozeer op grond van het tijdens het gesprek ontvangen nadrukkelijk verzoek van uw

adviseur mevrouw [Z] aan de Bank om helderheid en concrete termijnen aan te

geven, maar onder meer vanwege hogergenoemde redenen; het aanhoudend uitblijven van

contractueel overeengekomen cijfermatige rapportage, opzegging/beëindiging van de

maatschap alsmede de acute dreiging van discontinuïteit (onder meer

crediteuren/leveranciersrisico als gevolg van het door u gestaakte uitgaande

betalingsverkeer) heeft ABN AMRO Bank NV. niet langer vertrouwen in de continuïteit van

uw onderneming.

Onder meer op grond van bovenstaande redenen bevestigen wij de reeds tijdens gemeld

gesprek gedane aanzegging, zonodig delen wij u bij deze opnieuw mede dat wij genoodzaakt

zijn gebruik te maken van ons recht van dagelijkse opzegbaarheid van het aan u verstrekte

krediet in rekening-courant en wel met onmiddellijke ingang. In verband met het vorenstaande verzoeken wij u en voor zover nodig sommeren wij u om zo spoedig mogelijk

doch uiterlijk op 1 mei 2012 uw schulden hij onze instelling integraal af te lossen.

Indien u op 1 mei 2012 uw schulden bij onze Instelling niet integraal heeft afgelost dan

stellen wij u reeds nu voor alsdan in gebreke en behouden om het recht voor om alle ons

conveniërende maatregelen te nemen teneinde tot de incasso van onze vorderingen op u te

geraken, alsmede zeggen wij u reeds nu voor alsdan alle eventueel aan u verstrekte leningen

op.

(...)

Onverminderd het bovenstaande hebben wij nog aangegeven dat wij indien en zolang u

gezamenlijk aantoonbaar constructieve stappen en voortgang boekt om te komen tot een

aanvaardbare oplossing en ons daarvan nauwgezet op de hoogte houdt, wij in de komende

maanden wel willen bezien in hoeverre wij - voor wat betreft onder meer de voor de bedrijfsvoering onontkoombare uitgaande betalingsverkeer; binnen de bestaande contractueel geldende limite en tot nader order - afspraken met u willen maken. Uiteraard steeds mits op uw beider/gezamenlijk verzoek en instemming!

Uitgaande van ook uw overtuiging om te komen tot een redelijke en spoedige

oplossing/afwikkeling stellen wij voor een vervolggesprek te plannen om nadere afspraken

te maken. Wij verzoeken u alsdan om de kopie van dit schrijven, uiterlijk 7 maart 2012 door

u (beiden) rechtsgeldig gedateerd en ondertekend, aan ons te retourneren, waarna wij op

korte termijn een afspraak met u zullen maken.”

3.1.10.

In opdracht van [geïntimeerde] heeft de heer [taxateur], Register Makelaar Taxateur het

melkveebedrijf met landbouwgronden en verdere aanhorigheden getaxeerd met als

peildatum 23 september 2011. In het taxatierapport staat - voor zover van belang - het

volgende vermeld:

“Gebaseerd op bovenstaande heeft de taxateur de volgende waarden toegekend:

- De waarde in het economisch verkeer bij Voortgezet

agrarisch verbruik (WEVAB) € 2.570.000,00

(..)

Executiewaarde vrij van huur en gebruik (EW) € 2.325.000,00

(…)

De waarde in verpachte staat € 1.410.000,00”

3.1.11.

Bij brief van 16 maart 2012 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een overnamebod

uitgebracht op alle maatschappelijke en buitenmaatschappelijke activa. Dit overnamebod

was gebaseerd op een waardebepaling door Novel Groep van de activa, waarbij een lonende

exploitatie mogelijk bleef. In het kader van die waardebepaling heeft Novel Groep

verschillende prognoses gemaakt van het bedrijfsresultaat. In een overzicht van Novel

Groep van deze prognoses staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

(…) Prognose Prognose (…) II III

_________ ________

€ % € %

Omzet (…) 238.270 100,0 238.270 100,0

Direkte kosten (…) 88.475 37,1 88.475 37,1

Bruto-marge (...) 149.795 62,9 149.795 62,9

Kosten

Afschrijvingen (...) 39.382 16,5 39.382 16,5

Personeelskosten (...) 5.775 2,4 5.775 2,4

Huisvestingskosten (...) 25.150 10,6 25.150 10,6

Bedrijfskosten (...) 37.810 15,9 37.210 15,9

Kantoorkosten (...) 1.970 0,8 1.970 0,8

Algemene kosten (...) 6.605 2,8 6.605 2,8

Som der kosten (...) 116.692 49,0 116.692 49,0

Bedrijfsresultaat (...) 33.103 13,9 33.103 13,9

Financieringskosten (...) 40.750 17,1 21.750 9,1

Resultaat gewone bedrijfsuitoefening (...) -7.647 -3,2 11.353 4,8

Buitengewone baten (...) 19.200 8,1 19.200 8,1

Netto-resultaat (…) 11.553 4,9 30.553 12,9

3.1.12.

In het overnamebod is uitgegaan van een waardering van de activa op basis van

prognose II. Het overnamebod hield - kort gezegd - in dat [geïntimeerde] voorstelde dat [appellante]

[appellante] haar aandeel in alle activa aan hem zou overdragen, zodat hij daarvan eigenaar zou

worden, en dat hij als vergoeding daarvoor alle (bekende) schulden van de maatschap en de

rekening-courantschuld van [appellante] aan de maatschap over zou nemen.

3.1.13.

Op 5 april 2012 heeft [appellante] het overnamebod afgewezen.

3.1.14.

Op 25 april 2012 is het vonnis, waarvan dit beroep, door de voorzieningenrechter gewezen. Het vonnis is diezelfde dag aan [appellante] betekend.

3.1.15.

De akte van levering is op 2 mei 2012 gepasseerd. [geïntimeerde] heeft daarbij gehandeld als gevolmachtigde van [appellante] krachtens het kortgeding vonnis (dictum onder 5.11).

3.1.16.

Bij exploot van 20 maart 2013 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] aangezegd dat zij op grond van 5.1., 5.3.,, 5.4., 5.5., 5.8., en 5.9. van het kort gedingvonnis dwangsommen heeft verbeurd tot een bedrag van € 60.000,-. [geïntimeerde] heeft de vordering terzake beperkt tot

€ 40.000,- en nadat betaling uitbleef ter verzekering van verhaal hiervoor (derden) beslag gelegd.

3.1.17.

[appellante] heeft in (een ander) kort geding - zakelijk weergegeven - gevorderd [geïntimeerde] te verbieden de dwangsommen te executeren. Bij vonnis in kort geding van

21 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter [geïntimeerde] verboden dwangsommen te executeren op grond van overtreding van onderdelen 5.1. en 5.3. van het dictum op

25 april 2012 gewezen kort gedingvonnis.

4. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg.

4.1.1.

[geïntimeerde] heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. [appellante] zal bevelen per direct haar verplichtingen voortvloeiende uit de

overname-overeenkomst na te komen en daartoe

A [appellante] zal bevelen bij notariële akte, te verlijden op of voor 1 mei 2012

door een door de voorzieningenrechter aan te wijzen notaris, haar aandeel in de

vennootschappelijke activa en de buitenvennootschappelijke activa aan [geïntimeerde] te

leveren, althans toe te scheiden;

B. [appellante] zal bevelen per direct mee te werken aan de overname althans

aflossing en/of herfinanciering van de ABN AMRO-schuld door [geïntimeerde], en de

gelijktijdige opheffing en vrijgave van de aan ABN AMRO verstrekte zekerheden

op de vennootschappelijke activa en de buitenvennootschappelijke activa, door alle

noodzakelijke handelingen en formaliteiten te verrichten die voor de overname

althans aflossing en/of herfinanciering van de ABN AMRO-schuld en opheffing en

vrijgave van de aan ABN AMRO verstrekte zekerheden noodzakelijk zijn steeds

binnen 48 uur nadat [appellante] daar schriftelijk of per e-mail door of namens

[geïntimeerde] om verzocht is;

C [appellante] zal bevelen per direct mee te werken aan de overname door

[geïntimeerde] van alle overeenkomsten waarbij de vennootschappelijke activa en de

buitenvennootschappelijke activa en activiteiten van de boerderij zijn verzekerd,

door de handelingen en formaliteiten te verrichten die voor de overname van deze

verzekeringsovereenkomsten door [geïntimeerde] noodzakelijk zijn, steeds binnen 48 uur

nadat [appellante] daar schriftelijk of per e-mail door of namens [geïntimeerde] om

verzocht is;

D [appellante] zal bevelen per direct mee te werken aan de overname door

[geïntimeerde] van alle overeenkomsten met derden die zijn afgesloten op naam, ten

behoeve of voor rekening van de maatschap, de boerderij en/of de

vennootschappelijke activa en de buitenvennootschappelijke activa, door de

handelingen en formaliteiten te verrichten die voor deze overname van

overeenkomsten door [geïntimeerde] noodzakelijk zijn, steeds binnen 48 uur nadat

[appellante] daar schriftelijk of per e-mail door of namens [geïntimeerde] om verzocht

is;

E. [appellante] zal bevelen per direct mee te werken aan de beëindiging van alle

overeenkomsten met verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan op naam, ten

behoeve of voor rekening van de maatschap, de boerderij en/of de

vennootschappelijke activa en de buitenvennootschappelijke activa, waar [geïntimeerde]

niet aan wenst gebonden te zijn of te blijven en voor zover beëindiging rechtens

mogelijk is, door de handelingen en formaliteiten te verrichten die voor deze

beëindiging door [geïntimeerde] noodzakelijk zijn, steeds binnen 48 uur nadat [geïntimeerde]

Hofstee daar schriftelijk of per e-mail door of namens [geïntimeerde] om verzocht is;

F. [appellante] zal bevelen per direct mee te werken aan een door [geïntimeerde] op te

stellen gezamenlijk te ondertekenen schriftelijke kennisgeving aan ABN AMRO,

en alle overige contractspartijen als hiervoor genoemd onder D en E, binnen 48 uur

na het te wijzen vonnis, waarin de voortzetting en overname door [geïntimeerde] van de

boerderij wordt aangekondigd;

G. [appellante] zal bevelen per direct zich te onthouden van het doen van

betalingen, of het geven van betalingsopdrachten, namens, krachtens of voor

rekening van [geïntimeerde], de maatschap, de boerderij, of enig ander doen of nalaten

jegens een derde waarmee een (indirecte) verplichting ontstaat of kan ontstaan van

[geïntimeerde] jegens deze derde;

H. [appellante] zal bevelen binnen 24 uur na het te wijzen vonnis een schriftelijke

doorlopende goedkeuring te verlenen aan ABN AMRO voor de

betalingsopdrachten van [geïntimeerde] aan ABN AMRO ten laste van de bankrekening

met het bankrekeningnummer [rekeningnummer], met gelijktijdige toezending van een

afschrift van deze goedkeuring aan [geïntimeerde];

I. [geïntimeerde] toe zal staan, en [appellante] zal bevelen, per direct mee te werken aan

de uitschrijving van de maatschap uit het handelsregister van de Kamer van

Koophandel, en inschrijving van de nieuwe onderneming van [geïntimeerde] waar de

boerderij in onder wordt gebracht;

J. [geïntimeerde] toe te staan, dat indien de levering en overdracht van de

vennootschappelijke activa en de buitenvennootschappelijke activa bij notariële

akte op 1 mei 2012 niet heeft plaatsgevonden, dit vonnis 5 dagen na betekening in

te schrijven in de openbare registers van het kadaster en het handelsregister van de

Kamer van Koophandel, met welke inschrijving dit vonnis in de plaats treedt van

de notariële akte als bedoeld onder A en de levering en overdracht van de

vennootschappelijke activa en de buitenvennootschappelijke activa door [appellante]

[appellante] aan [geïntimeerde] effectueert;

K. het [geïntimeerde] toe te staan, dat indien [appellante] op 1 mei 2012 niet heeft

voldaan aan de verplichtingen die haar worden opgelegd uit hoofde van dit vonnis,

alle handelingen te verrichten, documenten te tekenen en goedkeuringen te

verlenen in naam van [appellante] die noodzakelijk zijn om de veroordelingen

in dit vonnis te bewerkstelligen, waaronder namens [appellante] te compareren

hij het verlijden van de notariële akte onder A;

primair: tegen een door [geïntimeerde] aan [appellante] te betalen vergoeding conform het

overnamebod, waarbij de vergoeding aan [appellante] zal worden voldaan met een

overname/herfinanciering door [geïntimeerde] van de volgende schulden:

• overname/herfinanciering van de ABN-schuld naar de stand per 1 november 2011

(€ 1.031.596,-);

• overname van de (rekeningcourant)schuld van [appellante] aan de voormalige

maatschap met een maximum van € 561.231,-;

• overname/herfinanciering van de overige externe schuldeisers van de voormalige

maatschap voor zover [geïntimeerde] bekend op de datum van dagvaarding;

subsidiair: tegen een door [geïntimeerde] aan [appellante] te betalen vergoeding, gebaseerd

op een waardering van de vennootschappelijke activa en de buitenvennootschappelijke

activa tegen de agrarische waarde waarbij een lonende exploitatie mogelijk blijft, welke

vergoeding zal worden vastgesteld door een door de voorzieningenrechter aan te wijzen

deskundige en aan [appellante] zal worden voldaan uiterlijk 12 maanden na

vaststelling door de deskundige;

op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 50.000,- voor iedere

schending door [appellante] van iedere afzonderlijke verplichtingen uit hoofde van

het vonnis, vermeerderd met een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 5.000,- voor

iedere dag dat deze schending voortduurt;

II. [appellante] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.1.2.

[geïntimeerde] heeft aan zijn vordering - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat met de opzegging van de maatschap door [appellante] aan [geïntimeerde] per 1 november 2011 en de kennisgeving van [geïntimeerde] aan [appellante] de boerderij per 1 november 2011 voort te zetten, op basis van de maatschapsakte een overnameovereenkomst is ontstaan tussen partijen. Op grond van deze overeenkomst ontstond voor [appellante] de verplichting om haar aandeel in de boerderij uiterlijk op 1 november 2011 aan [geïntimeerde] te leveren. [appellante] heeft niet aan haar leveringsverplichting voldaan. Vervolgens heeft [geïntimeerde] een overnamebod gedaan op alle activa. [appellante] heeft dit overnamebod geweigerd. [appellante] komt daarmee haar verplichtingen voortvloeiende uit de maatschapsakte niet na, aldus [geïntimeerde].

4.1.3.

[appellante] heeft verweer gevoerd.

4.1.4.

De voorzieningenrechter heeft, uitvoerbaar bij voorraad en onder voorwaarden, bevolen dat [appellante] voor 1 mei 2012 haar aandeel in de vennootschappelijke activa en de tot haar buitenvennootschappelijke bedrijfsvermogen behorende goederen aan [geïntimeerde] dient te leveren c.q. toe te scheiden (de vordering genoemd onder A). De vorderingen onder B, C, D, E, F, G, H, I (deels)en K zijn eveneens toegewezen. De vordering onder J is afgewezen. De gevorderde dwangsommen zijn verlaagd en gemaximeerd.

De voorzieningenrechter heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

Beoordeling van de grieven

4.2.

Het gaat in deze zaak (kort gezegd) om het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] binnen zes maanden na opzegging van de maatschapsakte door [appellante] bij aangetekend schrijven heeft aangegeven het aandeel van [appellante] in de activa van de maatschap en de buitenmaatschappelijke activa van [appellante] over te willen nemen. [geïntimeerde] heeft daarmee tijdig zijn recht op overname ingeroepen. In artikel 14 lid 1 onder a en artikel 14 lid 1 onder b van de maatschapsakte (zie r.o. 3.1.3.) is bepaald dat de [geïntimeerde] als voortzettende vennoot het recht heeft op overname van de activa van de maatschap en het aan [appellante] toebehorende buitenvennootschappelijke bedrijfsvermogen tegen de agrarische waarde, waarbij een lonende exploitatie mogelijk blijft. Tegenover het recht van [geïntimeerde], staat de verplichting van [appellante] om haar aandeel in de activa van de maatschap en de tot haar buitenvennootschappelijke bedrijfsvermogen behorende goederen over te dragen aan [geïntimeerde]. Zoals door de voorzieningenrechter terecht is overwogen in r.o. 4.4. is de "agrarische waarde" en het daaraan gekoppelde "waarbij een lonende exploitatie mogelijk blijft" geen eenduidig criterium op basis waarvan slechts één uitkomst mogelijk is en gaat de verplichting van [appellante] op grond van artikel 14 van de maatschapsakte in beginsel pas in, wanneer door partijen (of door de rechter) is vastgesteld welke (agrarische) waarde het over te dragen aandeel in de vennootschappelijke activa en de tot het buitenvennootschappelijk bedrijfsvermogen van [appellante] behorende goederen vertegenwoordigen.

[geïntimeerde] heeft [appellante] een overnamebod gedaan op het aandeel van [appellante] in de activa van de vennootschap en de tot het buitenvennootschappelijke bedrijfsvermogen behorende goederen van [appellante]. Dit overnamebod hield in overname van de rekening-courantschuld van [appellante] aan de voormalige maatschap met een maximum van € 561.231,- alsmede overname van alle maatschapsschulden voor zover bekend op de dag van dagvaarding, waaronder de schuld aan ABN AMRO. [geïntimeerde] heeft gesteld dat Rabobank zich bereid heeft verklaard dit overnamebod te financieren.

[appellante] heeft dit bod op 5 april 2012 van de hand gewezen.

[appellante] heeft gemotiveerd betoogd dat de onderneming in plaats van de door [geïntimeerde] gestelde financiering van € 1.114.285,- waar het overnamebod op is gebaseerd, een grotere financiering kan dragen van in ieder geval € 1.300.000,- à € 1.400.000,- en dat [geïntimeerde] daarom als vergoeding voor overdracht van de activa behalve de voorgestelde overname van de (rekening-courant) schuld van € 561.231,- en de andere schulden nog een bedrag van minstens

€ 200.000,- à € 300.000,- aan haar dient te vergoeden.

Nu partijen aldus geen overeenstemming hebben bereikt en in dit kort geding niet kon worden vastgesteld wie van hen het gelijk aan haar zijde heeft, is de verplichting van [appellante] uit hoofde van artikel 14 van de maatschapsakte niet ingetreden. Dit laat onverlet dat onder zeer spoedeisende en klemmende omstandigheden de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat vooruitlopend op de totstandkoming van de overnameprijs een overdracht van de activa door [appellante] aan [geïntimeerde] overeenkomstig diens aanbod in de rede ligt in die zin dat een weigering om daar aan mee te werken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn en waarbij dan in de bodemprocedure moet worden bepaald of [appellante] daarnaast nog recht heeft op een aanvullende vergoeding.

4.3.

Grief 1 luidt: "Ten onrechte heeft de rechtbank een spoedeisend belang aangenomen." In de toelichting op de grief heeft [appellante] aangevoerd dat het spoedeisend belang "ex nunc" moet worden beoordeeld. Voorts heeft [appellante] aangevoerd dat [geïntimeerde] ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg geen spoedeisend belang had bij zijn vorderingen daartoe heeft zij gesteld dat de ABN-AMRO de rekening-courant overeenkomst weliswaar had opgezegd, maar dat dit niet betekende dat [geïntimeerde] de onderneming niet zou kunnen voortzetten en een (tijdige) aflossing van het krediet zou worden verhinderd. Daarnaast zou [geïntimeerde] de spoedeisendheid zelf hebben veroorzaakt door niet met de bank in gesprek te gaan en de bankvoorwaarden te overtreden door een gedeelte van de omzet bij een andere bank binnen te laten komen.

4.4.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat hij een gerechtvaardigd en spoedeisend belang had bij de vorderingen die hij tegen [appellante] heeft ingesteld, gelet op de kredietopzegging door ABN AMRO en het gevaar van discontinuïteit van de onderneming.

4.5.

Indien, zoals hier, in hoger beroep de vraag moet worden beantwoord of een in kort geding verlangde voorziening, na toewijzing daarvan door de voorzieningenrechter, in hoger beroep voor inwilliging in aanmerking komt, dient ook in hoger beroep mede te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof (ex nunc) bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Indien dat niet (langer) het geval is, kan een in eerste aanleg uitgesproken veroordeling tot nakoming, hoezeer ook naar de toenmalige stand van zaken gerechtvaardigd, in appel niet worden bekrachtigd. Het voorgaande brengt in dit geval met zich dat, nu de activa op 2 mei 2012 aan [geïntimeerde] zijn overgedragen, het kort- gedingvonnis niet kan worden bekrachtigd voor zover de veroordeling daartoe ziet op de periode daarna. In zoverre slaagt de grief.

Hetgeen hiervoor is overwogen, betekent echter niet zonder meer dat de beslissing van de voorzieningenrechter volledig vernietigd dient te worden. Indien de oorspronkelijke eiser een rechtens te respecteren belang heeft bij de vaststelling van de rechten en verplichtingen van partijen in de periode tussen het vonnis in eerste aanleg en de beslissing in appel, kan de appelrechter de vordering tevens beoordelen op het moment van het wijzen van het vonnis door de rechter in eerste aanleg (ex tunc). Dat belang is hier aanwezig, omdat aan [appellante] dwangsommen zijn opgelegd (vergl. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:AE3437, NJ 2003, 343).

Gelet daarop zal het hof thans beoordelen of [geïntimeerde] ten tijde van de eerste aanleg een spoedeisend belang had bij zijn vorderingen.

4.6.

Het hof stelt vast dat ABN AMRO in haar brief van 23 februari 2012 de met [geïntimeerde] en [appellante] gesloten kredietovereenkomst heeft opgezegd en [geïntimeerde] en [appellante] heeft gesommeerd om het aan hen verstrekte krediet op uiterlijk 1 mei 2012 af te lossen, bij gebreke waarvan [geïntimeerde] en [appellante] voor alsdan in gebreke zijn gesteld. De in de brief door de bank genoemde redenen, te weten: het aanhoudend uitblijven van de contractueel overeengekomen cijfermatige rapportage, opzegging/beëindiging van de maatschap, alsmede de actuele dreiging van discontinuïteit, speelden inmiddels geruime tijd en zagen op de afwikkeling van de maatschap waarover partijen geen overeenstemming wisten te bereiken.

Gelet op de verstoorde verhoudingen tussen partijen was het niet reëel te veronderstellen dat in de korte tijd die nog resteerde tot 1 mei 2012 door partijen alsnog gezamenlijk een oplossing zou worden gevonden. In die omstandigheid, waarbij op (zeer) korte termijn het krediet moest afgelost, waarvoor financiering moest worden gekregen, waarbij [geïntimeerde] er in was geslaagd vervangende financiering te verkrijgen bij Rabobank, was de spoedeisendheid gegeven.

[appellante] heeft weliswaar gesteld dat zij gelet op het bij haar aanwezige buitenvennootschappelijke vermogen voor financiering zorg had kunnen dragen, maar niet is gesteld of gebleken dat zij hiertoe stappen heeft ondernomen door bijvoorbeeld een aanbod te doen te doen of in dat kader met ABN AMRO in gesprek te gaan.

4.7.

Voor zover met de grief wordt betoogd dat niet voor alle in het petitum geformuleerde vorderingen spoedeisend belang aanwezig was, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat gelet op de korte termijn tussen de behandeling ter zitting (19 april 2012) en de datum waartegen de financiering was opgezegd (1 mei 2012) het noodzakelijk was de (gedwongen) medewerking van [appellante] te verkrijgen bij de verschillende aspecten van de overname. Zonder de levering van roerende en onroerende zaken, medewerking aan de afwikkeling van contracten en aan de overige aan de overname verbonden aspecten zou financiering van de overname en daarmee de aflossing van het (opgezegde) krediet niet mogelijk zijn. [appellante] heeft niet voldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] zelf de spoedeisendheid in het leven heeft geroepen. De grief faalt dan ook voor zover daarmee wordt betoogd dat [geïntimeerde] ten tijde van de eerste aanleg geen spoedeisend belang had bij zijn vorderingen.

4.8.

Grief 2 richt zich, zo begrijpt het hof, tegen de wijze waarop de overname in het dictum is geformuleerd.

4.9.

Zoals het hof hiervoor onder r.o. 3.2. overwogen dient het uitgangspunt dat [appellante] gehouden is haar aandeel in de vennootschappelijke activa en de tot haar buitenvennootschappelijke bedrijfsvermogen behorende goederen aan [geïntimeerde] te leveren, tegen de agrarische waarde en dat die verplichting gelet op de maatschapsakte pas ingaat als die agrarische waarde is vastgesteld. De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op de acute problemen de oplossing dient te worden gezocht in een als voorlopige voorziening te realiseren overdracht, vooruitlopend op een definitieve vaststelling van de agrarische waarde. De voorzieningenrechter heeft dit in het dictum geformuleerd in die zin dat [appellante] voor 1 mei 2012 haar aandeel in de vennootschappelijke activa en de tot haar buitenvennootschappelijke bedrijfsvermogen behorende goederen aan [geïntimeerde] diende te leveren, althans toe te scheiden dictum (5.1. van het vonnis van 25 april 2012) indien aan drie voorwaarden geformuleerd in onder 5.2. van het vonnis is voldaan. Daarmee heeft de voorzieningenrechter uitsluitend de voorwaarden voor de verplichting tot levering vastgelegd, maar geen oordeel gegeven over de agrarische waarde. Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter daaromtrent in zijn vonnis in r.o. 4.8. en 4.9. heeft overwogen en neemt die motivering over.

4.10

Voor zover met de grief wordt geklaagd dat uit de stukken blijkt dat voldoende ruimte bestaat voor het opleggen van een aanvullende betalingsverplichting van [geïntimeerde] aan [appellante], oordeelt het hof dat de voorzieningenrechter de vraag wat aan [appellante] eventueel verschuldigd is terecht ter beoordeling heeft gelaten aan de bodemrechter en zich beperkt heeft tot het treffen van voorzieningen ter oplossing van de acute problemen. Voor zover met de grief voorts wordt aangevoerd dat de voorzieningenrechter de omvang en samenstelling van het buitenvennootschappelijke vermogen had moeten specificeren, heeft te gelden dat ook die vraag terecht aan de bodemrechter is gelaten. Ten aanzien van in het bijzonder de woning de [adres 2] te [plaats 2] in het bijzonder overweegt het hof dat uit de pleitnotities van mr. W.R. Kamminga niet blijkt dat in eerste aanleg op dit punt een uitgebreid gemotiveerd verweer is gevoerd.

In de bodemprocedure zal moeten blijken of [geïntimeerde] met gebruikmaking van de hem door de voorzieningenrechter gegeven machtiging de woning terecht aan zich heeft laten overdragen. In het ontkennende geval zal zich dat oplossen in schadevergoeding al dan niet in de vorm van een verplichting tot teruglevering. In het licht daarvan ontbreekt een belang bij de bespreking van de onderhavige grief, mede gelet op wat het hof hierna bij grief 8 zal beslissen inzake de opgelegde dwangsommen.

De grief faalt.

4.11.

Grief 3 luidt dat de voorzieningenrechter ten onrechte in de stellingen van [geïntimeerde] leest dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellante] zich erop beroept dat zij pas hoeft mee te werken aan overdracht van haar aandeel in de activa van de maatschap en de tot de haar buitenvennootschappelijk bedrijfsvermogen behorende goederen als de waarde daarvan is vastgesteld.

4.12.

Het hof is van oordeel dat de inzet van de kortgedingprocedure is de medewerking van [appellante] af te dwingen om te komen tot levering van haar aandeel in de vennootschappelijke activa en overdracht van de aan haar toebehorende buitenvennootschappelijke activa. Directe aanleiding vormde de afwijzing van het in de ogen van [geïntimeerde] ruimhartige overnamebod tegen de achtergrond van het opgezegde bankrediet. In die context kunnen de stellingen van [geïntimeerde] bezwaarlijk anders worden gelezen dan mede (impliciet) inhoudende een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:2 lid 2 BW. De grief faalt.

4.13.

Grief 4 luidt dat de voorzieningenrechter ten onrechte in r.o. 4.8. overweegt: “De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat partijen het eens zijn over een vergoeding bestaande uit overname van de (rekening-courant) schuld van [appellante] aan de voormalig maatschap (met een maximum) van € 561.231,-(…)”

4.14.

Uit de toelichting begrijpt het hof dat nu het overnamebod door [appellante] is afgewezen het onbegrijpelijk is dat de voorzieningenrechter vaststelt dat partijen het eens zijn over vergoeding bestaande uit (onder meer) de overname van de rekening-courantschuld. Het hof is van oordeel dat de betreffende zinsnede dient te worden gelezen in de context van de gehele overweging. In die overweging is terecht als uitgangspunt genomen dat [geïntimeerde] recht heeft op overname van het aandeel [appellante] in de activa van de maatschap en de tot het buitenvennootschappelijk bedrijfsvermogen van [appellante] behorende goederen voor de agrarische waarde, zijnde de waarde waarbij een lonende exploitatie mogelijk blijft onder de verplichting om alle maatschapsschulden voor haar/zijn rekening te nemen. De voorzieningenrechter stelt vast dat [appellante] naast het bedrag wat wordt geboden (inhoudende onder meer de overname van de rekening-courantschuld van € 561.231,-) nog € 200.000,- tot € 300.000,- extra wil ontvangen. Een eenvoudige rekensom leert dat [appellante] derhalve in ieder geval een vergoeding wenst ter hoogte van de aanzuivering van haar rekening-courantschuld aan de maatschap, zoals door de voorzieningenrechter is overwogen. Dit leidt echter niet tot onjuiste vaststelling van de agrarische waarde zoals door [appellante] wordt gesteld, aangezien de voorzieningenrechter daarvoor nader feitenonderzoek en bewijsvoering noodzakelijk acht, waarvoor de kortgedingprocedure zich niet leent. De grief faalt.

4.15.

Grief 5 richt zich tegen r.o. 4.9 waarin de voorzieningenrechter overweegt dat de oplossing van de thans acute problemen naar het oordeel van de voorzieningenrechter gezocht moet worden in een als voorlopige voorziening te realiseren overdracht van (het aandeel in) de activa conform het overnamebod van [geïntimeerde] en in de gegeven omstandigheden kan in redelijkheid van [appellante] gevergd worden dat zij vooruitlopend op een definitieve vaststelling van de agrarische waarde van haar aandeel in de activa van de maatschap en de tot haar buitenvennootschappelijke bedrijfsvermogen behorende goederen in een bodemprocedure deze goederen aan [geïntimeerde] overdraagt tegen een vergoeding bestaande uit overname van haar rekening-courantschuld door [geïntimeerde].

4.16.

Het hof verwijst naar hetgeen het hiervoor heeft overwogen. In de gegeven omstandigheden is bij wege van voorlopige voorziening - kort gezegd – de levering van het aandeel van [appellante] in de maatschap bevolen tegen een vergoeding die nog nader dient te worden vastgesteld, maar die als basis kent: de agrarische waarde, zijnde de waarde waarbij een lonende exploitatie mogelijk blijft. De waardering van de activa en de financieringsruimte zullen in de inmiddels aanhangige bodemprocedure nader dienen te worden onderzocht. Hiervoor leent de kort geding procedure zich niet. De grief faalt.

4.17.

Grief 6 richt zich tegen r.o. 4.11. van het kortgedingvonnis waarin de voorzieningenrechter vaststelt dat de overeengekomen waardering van de activa, de waarde die maximaal kan worden gefinancierd bij een nog net lonende exploitatie, voldoende zekerheid biedt dat [geïntimeerde], indien in de bodemprocedure wordt vastgesteld dat hij [appellante] € 200.000,- a € 300.000,- dient te vergoeden, kan betalen. In de toelichting stelt [appellante] dat het verkrijgen van financiering mede afhankelijk is van de persoon van de ondernemer, de zorgvuldigheid en de volledigheid van de financieringsaanvraag en dat uit de waarderingsgrondslag niet kan volgen dat [geïntimeerde] die vergoeding te zijner tijd kan voldoen.

4.18.

Deze grief faalt. In de bodemprocedure zal moeten blijken welke financiering haalbaar is voor de overname van – kort gezegd – de activa, waarbij een lonende exploitatie mogelijk blijft. De verschillende door [appellante] en [geïntimeerde] in dit kader genoemde aspecten zullen daarbij worden gewaardeerd. Doordat de hoogte van de overnamesom afhangt van de mate waarin financiering kan worden verkregen, zal in voorkomend geval voldoende vermogen beschikbaar zijn om [appellante] uit te betalen. In de gegeven omstandigheden, waaronder de korte termijnen waarin een en ander zijn beslag moest krijgen en de moeizame verhouding tussen partijen is naar het oordeel van het hof terecht de op dat moment door de Rabobank toegezegde financiering tot uitgangspunt genomen.

4.19.

Grief 7 luidt: “Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter het onder A. en het primair gevorderde toegewezen.

Ten onrechte heeft de rechtbank het gevorderde onder B, C, D, E, F toegewezen.”

4.20.

Hetgeen in de toelichting op de grief is aangevoerd betreft een herhaling van hetgeen in eerdere grieven is gesteld en daar reeds is besproken. Het hof verwijst naar de betreffende overwegingen. De grief faalt.

4.21.

Grief 8 richt zich tegen de toewijzing van de vorderingen onder G, H, I, en K. Uit de toelichting blijkt dat [appellante] stelt dat nu het onder A. gevorderde ten onrechte is toegewezen de overige vorderingen en de daaraan verbonden dwangsommen eveneens vernietigd diende te worden.

4.22.

Nu het hof van oordeel is dat vordering A terecht is toegewezen, faalt de grief in zoverre. Wat de dwangsommen betreft, heeft [appellante] onweersproken en terecht aangevoerd dat [geïntimeerde] daarbij geen belang had, gelet op de door de voorzieningenrechter onder 5.11 van het dictum van zijn vonnis gegeven machtiging. Gelet daarop slaagt de grief in zoverre en zal het vonnis op dit onderdeel worden vernietigd.

Slotsom

4.23.

De grieven slagen slechts voor zover die ertoe strekken dat de veroordeling wat betreft de periode na 2 mei 2012 (althans de datum waarop aan alle veroordelingen is voldaan) geen stand kan houden en ten aanzien van het opleggen van dwangsommen.

In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Voor het overige zal dat worden bekrachtigd.

In eerste aanleg zijn de proceskosten gelet op de familierelatie gecompenseerd. Hiertegen is door [geïntimeerde] geen incidentele grief aangevoerd. In het verlengde daarvan ziet het hof ten aanzien van de kosten van het hoger beroep geen reden anders te beslissen. Ook die kosten zullen derhalve worden gecompenseerd al na te melden.

5 Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 25 april 2012, behalve voor zover het vonnis betrekking heeft op de periode na 2 mei 2012 (althans de datum waarop alle veroordelingen zijn nagekomen) en dwangsommen zijn opgelegd, doet in zoverre opnieuw recht en wijst de vorderingen af;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. L. Janse en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

11 november 2014.