Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:8625

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
200.141.234
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:6473, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2015:5288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gestelde geldlening aan familielid ten behoeve van een stamcelbehandeling in China. Tegenover het verweer van de gedaagde partij dat het een schenking betrof, dient de eiser de afspraak dat het geld terug betaald zou worden, te bewijzen.

Beroep op verjaring slaagt niet. De gestelde geldlening betrof een renteloze geldlening tussen familieleden waarbij er geen specifiek tijdstip voor terugbetaling van de geleende geldsom was bepaald. De verjaringstermijn is daarom op grond van art. 3:307 lid 2 BW pas gaan lopen vanaf de dag volgend op die waartegen de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0046
NJF 2014/494

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.141.234

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 244224)

arrest van de eerste kamer van 11 november 2014

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.W.J. Hopmans,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.T.W. Verhaagh.

Partijen zullen hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd worden.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het tussenarrest in deze zaak van 25 maart 2014. Bij dat arrest is een comparitie van partijen bepaald. Deze comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 18 april 2014. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, met een productie.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor arrest en is arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals deze door de rechtbank in het bestreden vonnis van 11 december 2013 zijn vastgesteld onder 2.1 tot en met 2.6. Ook het hof gaat van deze feiten uit.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak - kort samengevat - om het volgende. De echtgenote van [appellant] was een zus van de echtgenoot van [geïntimeerde]. De echtgenoot van [geïntimeerde] (hierna: [de echtgenoot]), leed aan de ziekte ALS. [geïntimeerde] en [de echtgenoot] besloten in 2005 om ten behoeve van de behandeling van deze ziekte een stamcelbehandeling in China te laten verrichten. [appellant] heeft ten behoeve van deze (kostbare) behandeling aan [geïntimeerde] en [de echtgenoot] een bedrag van € 20.000,- en een bedrag van € 5.000,- overgemaakt. De stamcelbehandeling heeft niet het beoogde effect gehad; [de echtgenoot] is in mei 2005, kort na terugkeer uit China, overleden. In 2006 is ook de echtgenote van [appellant] overleden. [appellant] vordert thans de betaalde bedragen terug. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat hij de geldbedragen aan [geïntimeerde] en [de echtgenoot] had geleend. De rechtbank heeft het door [geïntimeerde] gedane beroep op verjaring gehonoreerd en de tot terugbetaling strekkende vorderingen van [appellant] afgewezen. Tegen dat oordeel richten zich de grieven in hoger beroep.

3.2

De vordering van [appellant] betreft een vordering tot nakoming door [geïntimeerde] van haar terugbetalingsverplichting uit hoofde van een geldleningsovereenkomst. Daarbij zou, aldus [appellant], zijn afgesproken dat de lening in termijnen zou worden terugbetaald indien de stamcelbehandeling van [de echtgenoot] in China zou slagen. Indien de behandeling niet zou slagen, zou [geïntimeerde] het geleende bedrag ineens terug betalen uit de uitkering van de levensverzekering van [de echtgenoot] na diens overlijden.

3.3

In beginsel geldt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Dat is evenwel anders indien sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. In dat geval loopt de verjaringstermijn pas van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan (artikel 3:307 lid 2 BW). Blijkens de parlementaire geschiedenis valt bij het bepaalde in lid 2 in de eerste plaats te denken aan overeenkomsten als bewaarneming en bruik- of verbruikleen, die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan. Het gaat om gevallen waarin de verbintenis eerst na onbepaalde tijd nagekomen zal worden, zoals de verbintenis tot teruggave van de in bewaring gegeven zaak of geleende geldsom. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij deze bijzondere bepaling met name ook is gedacht aan tussen familieleden aangegane renteloze geldleningen voor onbepaalde tijd die - aldus de memorie van toelichting bij de Invoeringswet - vaak een slapend bestaan leiden en die pas na enige tijd aanleiding geven tot conflicten die het voor de schuldenaar aantrekkelijk maken om zich op verjaring te beroepen (MvT, Parl. Gesch. InvW Boek 3, p. 1410-1411, zie ook conclusie A-G voor HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3369).

3.4

De door [appellant] gestelde verbintenis betreft een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd zoals bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW. Het betrof een renteloze geldlening tussen familieleden waarbij er geen specifiek tijdstip voor terugbetaling van de geleende geldsom was bepaald; partijen hebben volgens [appellant] bedoeld de verbintenis tot terugbetaling niet direct opeisbaar te laten zijn en de gestelde verbintenis tot terugbetaling afhankelijk gesteld van onzekere in de toekomst gelegen factoren. Over de termijnen van terugbetaling waren geen concrete afspraken gemaakt. Niet alleen de uitkomst van de stamcelbehandeling was onzeker, evenals het moment van overlijden van [de echtgenoot] en het moment van uitkeren van de levensverzekering, ook de termijnen waarbinnen zou moeten worden terugbetaald waren niet bepaald. Dat betekent dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen vanaf de dag volgend op die waartegen [appellant] [geïntimeerde] heeft meegedeeld tot opeising over te gaan. Tussen partijen is niet in geschil dat dit voor het eerst is gebeurd bij schrijven van 28 augustus 2012 (tegen een dag vier weken later). Sindsdien zijn nog geen vijf jaren verstreken. Van een voltooide verjaring is dus geen sprake. Daarbij merkt het hof nog op dat voor zover [appellant] zich in eerste aanleg al op het standpunt heeft gesteld dat de vordering opeisbaar is geworden vanaf het moment van uitkering van de levensverzekering, de herkansingsfunctie van het hoger beroep met zich brengt dat het hem vrijstaat om in hoger beroep een ander standpunt in te nemen (zie onder meer Hoge Raad 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3912).

3.5

De eerste grief van [appellant] slaagt dus. Het beroep op verjaring door [geïntimeerde] wordt alsnog afgewezen.

3.6

Wegens de devolutieve werking van het hoger beroep, komt het hof thans toe aan een inhoudelijk beoordeling van de vordering van [appellant].

3.7

De vordering van [appellant] is erop gebaseerd dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen en dat tussen partijen is afgesproken dat [geïntimeerde] de door [appellant] betaalde bedragen zou terugbetalen. [geïntimeerde] heeft deze door [appellant] gestelde grondslag van de vordering betwist. Volgens haar is geen sprake is van een geldleningsovereenkomst, maar van een schenking tussen broer en zus, waarbij het geld is betaald door de echtgenote van [appellant]. [geïntimeerde] heeft betwist partij te zijn bij een afspraak met [appellant].

3.8

Waar [appellant] zich beroept op de rechtsgevolgen van het bestaan van de door hem gestelde en door [geïntimeerde] betwiste verbintenis tot terugbetaling uit hoofde van een geldleningsovereenkomst, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op [appellant] de last om de daartoe door hem gestelde feiten te bewijzen. Dat [geïntimeerde] zich, in het kader van haar betwisting van de door [appellant] gestelde grondslag van de vordering, op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een schenking, brengt niet met zich dat zij daarvan de bewijslast heeft. Het hof wijst er daarbij nog op dat het niet van doorslaggevend belang is of het bedrag destijds feitelijk door [appellant] of door zijn echtgenote is betaald. Indien tussen [geïntimeerde] en [appellant] sprake is van een geldleningsovereenkomst, doet het voor de terugbetalingsverplichting van [geïntimeerde] niet terzake of het geld door [appellant] zelf of door een derde (in dit geval zijn echtgenote) ter beschikking is gesteld.

3.9

Het hof zal [appellant] - overeenkomstig het door hem gedane aanbod - in de gelegenheid stellen om te bewijzen dat tussen partijen is afgesproken dat [geïntimeerde] de betaalde bedragen ad in totaal € 25.000,- aan [appellant] zou terugbetalen.

3.10

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe te bewijzen dat hij met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat [geïntimeerde] de betaalde bedragen ad in totaal € 25.000,- aan [appellant] zou terugbetalen;

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. F.J.P. Lock, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 25 november 2014, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, H.L. Wattel en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014.